Posts tonen met het label Verbond. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verbond. Alle posts tonen

maandag 4 juni 2018

Als God spreekt wordt het stil


Hoofdstuk 10

En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos. Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem, zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
Handelingen 7 : 30-32

Stefanus markeert de periode dat Mozes in Madiam (Midian) was als 40 jaar. Zowel in Exodus als in Handelingen blijft het die periode ademloos stil tussen Mozes en God. De Bijbel wijdt daar geen woorden aan, maar het is wel een aangrijpende werkelijkheid! Als God zwijgt, blijft het doodstil, maar als Hij spreekt komt er leven.

Niet vergeten
Toen het onlangs onweerde, was onze jongste bang. Ik legde uit dat de HEERE Zijn stem laat horen (zoals Psalm 29 zingt) en dat Hij Zijn grootheid laat merken. Maar het is niet direct de bedoeling dat je bang wordt. De HEERE wil dat we Hem niet vergeten. “Maar dan hoeft Hij me niet zo te laten schrikken! Ik denk heus wel aan Hem,” zei hij met verontwaardigde stem.
We vergeten God zo gemakkelijk, omdat Hij Zich niet in ons leven infiltreert. De normale dagelijkse omgang met Hem in het gebed, het zingen, het overdenken en vooral het Bijbellezen is de reguliere communicatie waarvan de HEERE Zich bedient. Als je geen gebruik maakt van Zijn normale middelen, is de kans groot dat je Hem niet hoort in je leven. En als Hij dan tóch van Zich laat horen, maakt dat diepe impact! Een donderslag bij heldere hemel, als het goed is. Je gaat merken – als je tenminste iets van het leven met Hem kent – wat je mist en je gaat verlangen naar Zijn merkbare aanwezigheid in je leven.
Hoe het bij Mozes precies was, vertelt de Bijbel ons niet. Mozes zelf zwijgt er ook over in Exodus. Hij vertelt alleen dat hij naar Midian vlucht en er zijn vrouw ontmoet. Ze is de dochter van een priester en later zal blijken dat deze priester ook iets met God heeft al blijft het raadselachtig wát dat dan precies is.

God hoort
Mozes en Zippora krijgen er twee zonen. De geboorte van de eerste wordt door Mozes zo beschreven: “en hij [Mozes] noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.” Je zou zeggen: een tamelijk egoïstische gang van zaken. Zippora wordt er niet in gemoeid; dit kind krijgt een naam die iets van Mozes zelf tot uitdrukking brengt. Mozes voelt zich hier duidelijk niet op zijn plek. Speelt hij een slachtofferrol? Het blijft vaag.
Pas in Exodus 18 vertelt Mozes meer over zijn kinderen, als zijn schoonvader hem bij de berg Sinaï bezoekt: “Zo nam Jethro, Mozes’ schoonvader, Zippora, Mozes’ huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had), met haar twee zonen, welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land); en de naam des anderen was Eliëzer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao’s zwaard. Toen nu Jethro, Mozes’ schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had, zo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar.”
Schreef Mozes eerst nog ‘Ik ben een vreemdeling geworden, later schreef hij dus ‘Ik ben een vreemdeling geweest. Die andere toonzetting vinden we ook in de naamgeving van zijn jongste zoon terug. Al is het niet duidelijk wanneer hij dit zo schreef: bij de geboorte of pas nadat hij uit Egypte is weggetrokken met het volk. Dus na de vervulling met de Heilige Geest Die hem vaardig maakte om naar de nieuwe Farao te gaan en hem te confronteren met zijn harde hart.
In ieder geval laat Mozes in zijn zoon Eliëzer iets zien (of horen) over God: Hij is mij tot Hulp geweest en heeft mij verlost. God heeft gehoord en heeft ongezien naar hem. En precies dat is ook aan de orde, ten opzichte van het volk. Als Mozes aan het einde van Exodus 2 schrijft over de geboorte en naamgeving van zijn zoon Gersom, staat er direct achteraan: God hoorde het klagen van Zijn volk, God dacht aan Zijn verbond en Hij kende Zijn volk!

God komt in actie
Hoe gaat God daar ‘handen en voeten’ aan geven? Gaat Hij met Zijn verderfengel naar beneden en doodt Hij het hele Egyptische volk, zoals Mozes deed met die slavendrijver? Mozes meende de Messias, de Verlosser, te zijn. Dus is zijn optreden ook het beeld dat mensen moeten krijgen van een Verlosser: grof geweld, de botte bijl, dood en verderf… uitroeien die hap!
Gaat God zo te werk? Achteraf gezien zou je misschien zo iets kunnen denken, als je de tiende plaag uit zijn verband rukt. Echter, daar ging een lange weg aan vooraf! Zijn optreden begint in de woestijn met een ontmoeting van de man die denkt te zijn uitgeschakeld, maar die God heeft uitgekozen om deze grote taak te gaan uitvoeren. Was Mozes dus de meest perfecte persoon om deze klus te klaren? Wat God onder de indruk van Mozes durf en kracht? Is Mozes de man naar Gods hart? God zegt er niets over maar zijn zwijgen hierover is veelzeggend!

Mozes’ sollicitatiegesprek
In het normale leven solliciteer je op een vacature en bied je jezelf aan. Je noemt je pluspunten en als het goed is ook je min- of leerpunten. En dan is het oordeel aan de man of vrouw achter de tafel of ze met je verder willen of niet. Maar soms wordt je uitgenodigd voor een gesprek over een ontstane vacature. En dat is er in dit deel van de preek van Stefanus aan de hand.
Mozes schreef in Exodus 2 dat de Farao (eigenlijk zijn pleegopa) stierf; deze Farao had hem willen doden, omdat hij zich misdragen had jegens een personeelslid van zijn organisatie.
Als je gevraagd wordt voor een gesprek kan het zijn dat je je vereerd voelt. Je denkt misschien wel: ze zien zeker iets in mij, waardoor ze een gesprek willen. Maar dat beeld gaat bij de geschiedenis van Mozes bij de brandende braamstruik finaal onderuit. Mozes wordt getriggerd door een brand in een struik. Niet zozeer dat zo’n brand vreemd was. Het is er smoorheet en droge dingen vatten makkelijk vlam. Maar hij zijn aandacht wordt getrokken doordat die brand niet snel uitgaat. De struik wordt niet verteerd door het vuur! Mozes kende het woestijnleven inmiddels heel goed. Dit opmerkelijke voorval kwamen niet overeen met zijn ervaringsdeskundigheid.
Hoe groot is de schrik, wanneer hij dichterbij komt en ontdekt dat dit geen gewoon vuur is. Het is de Engel des HEEREN, Die zich openbaart in deze struik. Vuur! Geen toevallig symbool!
De interesse die Mozes aanvankelijk had voor deze brandende struik, slaat om in angst. Hij valt bevend op de grond en durft niet langer naar de vlammen te kijken. De vraag die bij me bovenkwam is: werd Eliëzer na of vóór dit fenomeen geboren? Is dit het moment geworden waarop Mozes voor het eerst weer iets van God ervoer in zijn leven? Is deze ontmoeting met de Eeuwige voor Mozes een bekering geworden? Of is dit een vervolgfase in zijn leven met de God van zijn voorouders Abraham, Izak en Jacob? Mozes stamde uit Levi en elke Israëliet had weer andere roots, maar zij hadden allen drie gemeenschappelijke voorouders: Abraham, Izak en Israël (Jacob).

God spreekt
Mozes weet direct Wie hij voor zich heeft. Het is echter zeer merkwaardig wat we in het vervolg lezen, wanneer Mozes naar het volk moet gaan. In Exodus 3 : 13 lezen we: “Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?”
Dat is toch raar? Mozes wist direct Wie God was, toen Hij zei: “Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs.” Maar wanneer God tegen hem zegt: Jij moet naar je volk gaan en zeggen dat Ik je heb gestuurd, komt Mozes met die tegenwerping: maar ze zullen naar Uw Naam vragen; wat moet ik hen dan zeggen? Begrijp je waarom dit voor Mozes een probleem is?
Een nog interessantere vraag is: zou het volk echt naar Gods naam hebben gevraagd? Ze wisten toch wel Wie de HEERE was? Ze kenden Hem toch als de God van het verbond, de God van Abraham, Izak en Jacob? Kende Mozes zijn eigen volk wel? Hij had toch nooit een van zijn volksgenoten gesproken? Was het misschien omdat Mozes zelf in Egypte was opgegroeid met allerlei goden. Zat het probleem dus niet zozeer bij het volk, maar meer bij Mozes? Ik denk van wel.
Waarom? Kijk maar verder in het vierde hoofdstuk van Exodus. Mozes vertelt aan zijn schoonvader dat hij zijn ‘broeders’ wil gaan bezoeken in Egypte. Jethro laat zijn schoonzoon gaan en Mozes neemt zijn vrouw en zonen mee. Onderweg overnachten ze in een herberg. God komt hem daar ‘tegen’ en wilde hem doden. Dat had te maken met het feit dat Mozes zijn zonen niet had besneden. Mozes kwam in het nauw en zijn vrouw voert als enige vrouw in de geschiedenis de besnijdenis uit! Daarmee is God tevreden. Te meer opmerkelijk daar er hier sprake is van een ‘vrouw in het ambt’!
Later op de reis, komen ze bij de Berg van God, de Sinaï en daar wordt Mozes bevestigd in zijn roeping: Aäron komt hem daar tegemoet en ze omhelzen elkaar. Bedenk even dat Aäron zijn broer al tachtig jaar niet heeft gezien! Hij heeft zijn broer nooit bewust meegemaakt. Toch herkent hij hem. Dit zou er op wijzen dat hij Mozes heeft gekend als ‘die generaal in het leger van Egypte’. Dat moet het verhaal zijn geweest dat in de familie werd rondverteld. De broers herkennen elkaar ook door het werk van de Heilige Geest, Die herkenning creëert tussen broeders!

God kennen
Maar let dan op wat er gebeurt, als ze bij het volk komen en de oudsten (de voormannen of zo je wilt de ouderlingen) uitnodigen voor een vergadering. “En Aäron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks. En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen Israëls bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.”
Het volk lijkt hier direct te weten Wie de HEERE is. Daarover is geen discussie maar pure ootmoed en aanbidding. De onkunde zat dus echt bij Mozes. Hij had slechts een heel beperkte visie op de God van zijn voorvaderen, omdat hij de eerste veertig jaar van zijn leven geen enkel nader onderwijs over God had ontvangen. Ik vermoed dat zijn schoonvader hem meer heeft verteld over de HEERE. Het blijft een raadsel wie en wat Jethro precies was, maar Mozes moet het getroffen hebben met zijn schoonvader. En eigenlijk ook met diens dochter, zijn vrouw Zippora!
Ik had erbij willen zijn toen Mozes God persoonlijk ontmoette. Wat zal er precies door hem heen zijn gegaan? Hoe heeft de HEERE zijn hart geraakt. Het zou ook mijn hart hebben geraakt.
Die bevende houding van Mozes – ik vertelde dat ook aan onze jongste zoon – heeft Mozes ook leren nuanceren. Zeker, hij bleef diepe eerbied voor God houden. Maar er kwam jaren later ook het moment waarop hij de ‘brutale’ vraag aan God stelde: Toon mij nú Uw heerlijkheid!” Niet als een bevel, maar als een diepe wens om zo dicht mogelijk bij God te zijn. Hem in de ogen te kijken. Dat heeft Mozes ook leren vragen in zijn leven. Een hartelijk wens om intimiteit met de HEERE. Is dat niet bij uitstek een heerlijke wens in een voorbereidingsweek voor het Heilig Avondmaal? Maar is dat eigenlijk niet een wens die elke dag van ons leven zou moeten stempelen? Want dat moment gaat aanbreken! Dan wordt het echt stil. Dan zullen we Hem zien zoals Hij is! Dan kijkt Hij mij in de ogen, zonder dat ik mijn ogen hoef neer te slaan. Dan kijk ik Hem in de ogen en kijk in een zee van barmhartigheid en overweldigende liefde. Herken je dat?

donderdag 3 mei 2018

Belofte in contrast met realiteit

Hoofdstuk 7


Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte; totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had. Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
Handelingen 7 : 17-19


Je zou het haast vergeten: Gods belofte stond nog recht overeind, maar was nog steeds niet vervuld. Het grote patroon dat God aan het tekenen was (de weg naar de vervulling) lijkt een weg de diepte in, waarin alle hoop dreigt te vervliegen. Wie niet nóg dieper leert zien of vermoeden, kan enkel schreeuwen: “HEERE, het gaat de verkeerde kant op!”
 

De ontknoping van Gods plan
Wat is het fascinerend om Stefanus bezig te zien. Hij gaat hier nog even naast zijn volksgenoten zitten en maakt duidelijk dat hij één met hen is. Hij neemt zijn hoorders mee het dal van de slavernij is. Dit stukje geschiedenis delen ze samen: ze zijn tot slaven gemaakt en de maatschappij waarin ze toen leefden, was uit op hun uitroeiing!
Het tweede aspect dat Stefanus hier inbrengt is voor ons ook heel herkenbaar! Hij wijst op de ‘groei’ van het volk en koppelt dat aan ‘God gedenkt aan Zijn belofte’. Hoewel dat een keiharde waarheid was, is die associatie heel gevaarlijk. Ook vandaag is men heel gefocust op ‘groei’ die het bewijs zou moeten vormen voor Gods bemoeienis met ons. Er moeten grote kerken worden gebouwd; hoe rechtser hoe groter de gebouwen en hoe imposanter het vertoon naar de wereld buiten de kerk. Er worden veel rechtszaken gevoerd om die bouw er door te drukken. Want als de kerkmensen die grote gebouwen zien en de expansie ervaren, krijgen ze een ­positieve kick. Het materiële ‘bewijs’ moet het geestelijke ‘bewijs’ staven. Maar hoe gevaarlijk is dat? Het is maar zeer de vraag of een grote gemeente, een eigen kerk­gebouw en een ‘eigen’ dominee (voor zolang die in je gemeente blijft!) ook een zegen is in geestelijk opzicht. Is het niet zo dat het materialisme aan de rechtse kant van de kerk het grootst is? Om nog maar te zwijgen over collecteopbrengsten en rommelmarkten en verkopingen die abominabele bedragen opleveren; maar waar wordt dat geld aan besteed? Aan het orgelfonds? Of de vergroting van het kerkgebouw? Aan de kerkvoogdij? Of aan de diaconie? Of de evangelisatiecommissie die er mee aan het werk kan in de wijk buiten de kerkmuur?
Terwijl God naar de afronding van Zijn plan gaat en dichterbij de inwisseling van Zijn belofte komt, groeit de ­bevolking in Gosen explosief. Maar dat moest anders geduid worden dan ‘zie je wel: God is met ons’. Het had een andere reden! Er zou verdrukking komen en God zorgde voor steun, schouder aan schouder! En precies dáár richt de satan zijn pijlen op!

De bedreiging van Gods beeld
Het volk hield de traditie gaande. Vaders vertelden de verhalen van vroeger aan hun kinderen. De verhalen over oud-oom of oud-vader Joseph ben Jacob, die van slaaf tot onderkoning werd verheven! Jozef; zijn naam betekent ‘vermeerderen’. Hij werd geëerd met zijn Egyptische naam ‘Tsaphnat-Panéach’, Behouder des levens. En zo eerden zijn volksgenoten daar in Gosen hem, generatie na generatie.
In hem manifesteerde zich het beeld van Gods belofte: de Messiach! Jozef was het niet, want hij stierf, maar hij was er wel een voorbode van, een type!
Het volk groeide en boogde op een onaantastbare positie, omdat de HEERE met hen was. Ze vermenigvuldigden zeer. Was dat niet de vervulling van de belofte die in Jozefs naam zat? En werden ze hier in een ver en vreemd land niet door de God van het Verbond, de Eeuwige, rijk gezegend?
Maar terwijl zelfgenoegzaamheid post vat, gaat God er een andere weg mee. Hij kijkt niet tevreden naar dat volk dat lekker groeit en hun dingen veilig stelt, maar Hij gedenkt aan Zijn belofte aan Abraham. De belofte dat het volk in ernstige slavernij zou vallen, maar daarna, op Zijn bestemde tijd, zou worden bevrijd en terug zou keren naar het Beloofde Land. Gods klok tikte door en wees tien voor twaalf aan!
De vraag is dus: wie is er bezig om het beeld van God scheef te trekken onder het volk? Wie tekent nu een verkeerd beeld van Gods handelen? Is dat de ‘koning die Jozef niet heeft gekend’ en goddeloze besluiten neemt en het volk op een weg ‘van God los’ plaatst? Of is dat het volk dat verkeerde conclusies trekt uit de groei van het volk en het passief en conservatief bogen op een gezegende geschiedenis?

De vernietiging van Gods volk
Stefanus gaat deze vraag nog even uit de weg en lijkt bij zijn volksgenoten te blijven zitten en hen aan te stoten: “Weet je nog wat ons is aangedaan door die loeder van een Farao?” Maar je kunt niet om de vraag heen: waarom richt het oordeel zich dan juist op die grote ‘vermenigvuldiging van het volk’? Let er daarom goed op dat het volk juist dáárin wordt getroffen, waarop zij zich zo verhieven: hun groepsgrootte, het aantal leden van het volk.
Heel begrijpelijk is de redenering van Farao. Hij ziet dat volk groeien en zal een volkstelling hebben uitgevoerd, waaruit bleek dat er meer Hebreeuwse mannen waren dan Egyptische mannen. Daarbij waren die Hebreeën (dat heeft ook te maken met hun eetgewoonten en levensstijl) gezonder en sterker. De decadente dynastieën van de Farao’s, het aanzien van de Egyptische beschaving in de Oudheid, wereldwijd, heeft hen juist ondermijnd.
De Hebreeën daarentegen leefden sober, gezond en tevreden. Hoewel dat laatste ook een ‘zelfgenoegzaam’ karakter begon te krijgen. En was juist dat niet eenzelfde uitholling en ondermijning als bij de Egyptenaren?
Maar de Farao kon niet leven met deze denkbeeldige bedreiging van zijn macht. Hij zette een raar plan op: alle jongetjes moesten worden uitgeroeid. Waarom? Stefanus gaat aan deze vraag voorbij en zegt: “Opdat ze zich niet konden voortplanten.” Maar had de Farao er niet slimmer aan gedaan als hij de meisjes had uitgeroeid? Dan waren er geen jongetjes meer geboren ook! Had dat met zijn godsdienst te maken? Moesten jongetjes aan de goden van de Nijl worden geofferd en accepteerden die gode geen meisjes-offers? Dat zou kunnen. Want anders had die Farao een rare misrekening gemaakt. Mannen blijven veel langer vruchtbaar dan vrouwen en met het uitroeien van jongens zou hij pas op de heel lange termijn enig resultaat boeken. Wilde hij snel resultaat dan moest hij zorgen dat er geen baar­moeders meer waren. Satan, want hij is de genius achter dit plan, doet soms zeer domme dingen, door gebruik te maken van het beperkte mensenbrein!
Gods plan daarentegen ging onverwijld verder en zou tot zijn vervulling komen. Daar zagen de Hebreeën echter nog niets van. En dat is ook vandaag de dag nog precies zo! Als de kerken leeglopen zegt dat helemaal niet dat Gods plan zal mislukken. Sterker nog: als alle ‘kracht’ die wij menen te hebben – in het manifesteren van zuilen en fronten – wordt afgebroken, kon de HEERE weleens iets veel mooiers aan het voorbereiden zijn. Door lijden tot heerlijkheid. Het is een eeuwenlange repeterende waarheid. Let dus op de horizon, waar God een stip op heeft gezet. Die stip zal eenmaal een stad met paar’len poorten blijken te zijn. Het gaat er van komen. Wis en waarachtig!

dinsdag 13 februari 2018

Zegen, verbond en scheiding

De vriend van de gezalfde - VII

Toen zeide Jónathan tot David: Ga in vrede; hetgeen dat wij beiden in den Naam des HEEREN gezworen hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in der eeuwigheid. Daarna stond hij op en ging heen; en Jónathan kwam in de stad.
1 Samuël 20 : 42-43


Waar christenen vandaag de dag nogal door worden ‘bedwelmd’ is de hang naar rust en comfort. Het kerkelijk ‘huisje-boompje-beestje’ zou je kunnen dus vertalen met ‘kerkgebouwtje-orgeltje-predikantje’. Misschien nog hier en daar de wens van bloeiend jeugdwerk, kringwerk en ontmoeting. Als we al die dingen kunnen ‘afturven’ zou er volgens sommigen sprake zijn van een ‘geslaagde gemeente’. Mooi als de ­gemeente ook nog wat groeit; hoewel sommige gemeenteleden dat zien als een bedreiging van het moeizaam verworvene! Dus is het wel belangrijk dat de aanwas uit ‘een bepaalde hoek’ komt.
Misschien dat er op landelijk niveau nog de behoefte is aan wat zendingswerk, zodat we ook naar andere kerken kunnen laten zien dat we echt wel meetellen en aan de ‘Weg’ timmeren. Meestal blinken afgescheiden kerken uit in een mager tot ontbrekend evangelisatiewerk. Dat geeft te veel onrust; het kost doordenking en eigenlijk komt het dan opeens aan op een levend geloof. Als dooddoener wordt dan maar snel gezegd dat ‘God het moet doen’. Dat is mooi makkelijk!
Als Jonathan David laat gaan en hem vrede wenst, weet hij heel goed dat het leven na deze scheiding voor hen beiden allesbehalve vredig, rustig en comfortabel zal zijn. De vrienden en zwagers zullen elkaar geen dag uit hun gedachten verliezen; dat betekent dus ook dagelijks pijn ervaren! Bij David komt daar nog bij dat hij zijn vrouw, Jonathans zuster, zal moeten achterlaten. Zit ze soms al gevangen in Sauls kerker? Is hun woonvertrek beveiligd door Sauls trawanten? Of is ze misschien reeds uitgehuwelijkt aan Palti, zoon van Lais uit Gallim? De Kanttekeningen verwijten naast Saul en Palti ook Michal dat zij met deze ‘daad’ kwaad heeft gedaan. Het is maar zeer de vraag of de vrouw in deze tijd iets te willen had!

De afspraak die Jonathan en David hadden gemaakt en waar ze een verbond over hadden gesloten, wordt opnieuw herhaald. Voor Gods aangezicht laat Jonathan David beloven dat die zal zorgen voor Jonathans kinderen, wanneer David koning zal zijn. Tot de dood ons scheidt? Nee, hun vriendschap reikt ver daar voorbij! Is die belofte een verkapte vorm van verzekering, die bepaalde kerkelijke groeperingen zo afkeuren? Zeker niet. Hier bekrachten vrienden hun vriendschap en bevelen elkaar hun kinderen aan. Hoewel we dat niet lezen over David; simpel omdat die nog geen kinderen had. Sterker nog: David zegt tegen Jonathan ook niet: “Jonathan, mijn vriend, wil jij voor mijn Michal zorgen, nu ik moet vluchten? Bescherm haar en houd haar bij Saul weg!” Niets van dat al! Vond de HEERE het niet nodig dit in de Bijbel te vermelden? Of heeft David er echt niets over gezegd? Of ging hij er vanuit dat Jonathan zijn uiterste best wel voor haar zou doen?

Daarna maakten ze elkaar los uit hun emotionele omhelzing. De afstand tussen de vrienden groeide van millimeters naar centimeters, van decimeters naar meters. Weldra verdween David tussen de eerste bomen en struiken van het woud. Toen Jonathan tussen de bomen niets meer zag bewegen keerde hij terug naar de realiteit, zoals later de discipelen Jezus zagen heengaan naar de hemel en nog bleven kijken, hoewel een wolk Hem al uit het blikveld had gehaald. Langzaam keerde Jonathan zich om. Keek nog eenmaal naar de bomen waar­tussen David was verdwenen. Weg! Voor altijd? Wat zullen de ­gedachten zijn geweest die door zijn hoofd zijn gegaan? Wat zullen de gevoelens zijn geweest toen hij schoorvoetend terug liep naar het paleis? Hij kwam weer in de stad, maar je moest niet vragen hoe! De vrienden waren gescheiden en David vluchtte naar een veilige stek, weg van de levensbedreigende Saul.

Was daarmee het ‘probleem Saul’ nu opgelost? Had het plan van Jonathan ertoe geleid dat we met een happy end te maken hebben? Heeft Saul afgedaan voor zijn zoon en trekken de beide vrienden de wijde wereld in, na de vijand te hebben verslagen? Nee, aan de situatie is ten diepste niets veranderd. De een is ‘weggegaan’ omdat er geen toekomst meer was aan het hof. Hij ging de weg van een vluchteling met weliswaar een belofte van God op zak, maar de realisatie van die belofte was nog totaal niet zichtbaar; eerder het tegendeel. “Zou de HEER’ Zijn gunstgenoten,” dacht ik, “dan altoos verstoten? Niet goed­gunstig zijn voortaan? Nimmer ons meer gadeslaan? Zouden Zijn ­beloftenissen verder hun vervulling missen, vruchtloos worden afgewacht van geslachte tot geslacht?” (Psalm 77).
De ander, Jonathan, bleef op zijn post en was ervan overtuigd dat hij het daardoor enorm moeilijk zou krijgen. Zijn omstanders zouden het een wijs en historisch juist besluit noemen, maar hijzelf voelde elke dag de pijn van deze scheiding. David daarentegen zou in de loop van de tijd mensen om zich heen krijgen die maar wat blij met hem waren. Die waren Saul om allerlei andersoortige (duistere) redenen ontvlucht. Hun ­motieven waren heel verschillend, maar vaak wezensvreemd aan die van David. Dat zou hem later diverse keren in ­problemen en in verleiding brengen om de macht eerder te grijpen dan Gods tijd! Je kunt er dus niet je vinger op leggen wát nu de juiste beslissing is geweest. Er was eigenlijk ook geen ‘juiste beslissing’. En als je het enkel menselijk bekijkt, zou je denken dat het onverenigbare motieven waren van David en Jonathan. Maar wie dieper heeft leren zien, weet dat dat toch kan.

Blijft de vraag: waarom bleef Jonathan aan het hof? Waarom ging hij niet mee met David? Samen sterk, toch? Hoe kon hij nu toch met een oprecht gemoed zijn vader Saul dienen en diens bevelen uitvoeren? Hoe kun je je ten dienste stellen van leiders die een totaal andere visie op de gang van zaken hebben? Die de bouw, fundering en bloei van Gods gemeente niet werkelijk op het oog hebben, maar op de achtergrond eigen belangen behartigen? Hoe kun je omgaan in de gemeente met mensen die ideeën hebben die haaks op die van jou staan? Waarvan je misschien zelfs vermoed dat ze onoprecht zijn? Dat ze jou misschien wel van onzuiverheid beschuldigen, terwijl ze zich zelf verschuilen achter dode orthodoxie? Of achter ‘enthousiasme’ zonder inhoud’? Wat te doen als zulke figuren in e gemeente worden ­‘gevolgd’ en worden aangezien voor ‘waarheidsvrienden’.

Het gevaar is dat je op eenzelfde manier te werk gaat als zij; en voor je het weet denk je dat jíj het moet doen… Het is niet jóuw gemeente, maar die van Jezus Christus. Die psalm van daarnet zingt verder, nadat de dichter zich afvroeg of God Zijn genade had vergeten: Ik zei daarna; “Dit krenkt mij ’t leven; maar God zal verand’ring geven; d’Allerhoogste maakt het goed; na het zure geeft Hij ’t zoet.” Is dat een soort pep-talk? De dichter zei immers ook: “dit krenkt mij…”, dat is: als God écht zou zijn veranderd, dan is mijn geloof ijdel en dat is schade! Hij geeft een praktisch advies: ’k Zal gedenken, hoe voor dezen ons de HEER’ heeft gunst bewezen; ’k zal de wond’ren gadeslaan, die Gij hebt van ouds gedaan; ’k zal nauwkeurig op Uw werken en derzelver uitkomst merken; en, in plaats van bitt’re klacht, daarvan spreken dag en nacht.

Let erop dat de dichter, na tegen zichzelf te hebben gepraat, tot God gaat praten en Hem alles vertelt! Dat lost niet altijd de problemen op zoals die ook niet werden opgelost voor Jonathan, maar het laat de HEERE wel alle ruimte om aan te geven hoe we de weg, die Hij ons wijst, moeten vervolgen. Hij is namelijk de Enige Die Zijn doel nooit mist maar altijd uitkomt waar Hij zijn wil! Soli Deo Gloria.

woensdag 31 januari 2018

Vrienden voor het leven... en ver daar voorbij


De vriend van de gezalfde - II

Toen zeide Jónathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld. En die beiden gingen uit in het veld.
1 Samuël 20 : 11


Er volgen een aantal vreemde verzen, die wat merkwaardig op ons overkomen. Bijvoorbeeld dit vers. Waarom zegt Jonathan dit? David had een vraag gesteld, maar Jonathan lijkt die te ontwijken. “Ja, lekker! Hoe zal ik te weten komen dat je vader je wat dreigends als antwoord zal geven? Denk even na, Jonathan: je vader zal je beletten naar buiten te vluchten om het mij te verklappen! Nee, dat is geen complot­theorie, maar gewoon nuchter nadenken. Denk even na over de gevolgen en stel je plan bij!”
Jonathan geeft geen antwoord, maar trekt David aan zijn mouw. Even tussendoor: waar stonden ze op dát moment? Achter een schuurtje bij het paleis? Of in een donkere hoek van de paleisstal, met de deur op een kier, zodat David elk moment kon wegspurten? Geen idee, maar wellicht zo iets. Want nu stelt Jonathan voor om naar het veld te gaan. Het veld. Daar had David eerder verborgen gezeten, weet je nog? “…de plaats waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling…” (1 Sam. 20 : 19, met een verwijzing naar 1 Sam. 19 : 2).

Wat me ook opviel was die dubbeling: “Die beiden gingen uit…” Een tijd geleden maakte ik een bijbelstudie over Abraham en Izak die de berg opgingen voor het aanstaande offer: “en zij beiden gingen samen.” (Gen. 22). Het staat daar zelfs tweemaal in één hoofdstuk! Twee individuele geesten, die er geheel verschillend ‘in staan’, maar wel toelopen naar een moment van eenheid. Daar was het ‘beiden samen’, hier is het ‘die beiden’. Het lijkt een lading te hebben. Welke?
En dan het gegeven dat ze naar het veld gingen. Natuurlijk een bekende plek, die gemarkeerd wordt door een steen met de naam ‘Ezel’, waarover we laten nog verder zullen denken. Maar dat ‘in het veld gaan’ heeft ook iets geladens! In Genesis 4 zie ik eveneens twee mannen ‘in het veld’ gaan; met dodelijk afloop! Zal het niet door David zijn heengegaan? Mogelijk. Maar ook zie ik Izak in Genesis 24 in het veld: “…om te bidden in het veld.” En twee verzen verderop komt zijn toekomstige vrouw eraan en vraagt aan Eliëzer: “Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt?” ‘In het veld’ heeft iets intiems, maar altijd weer met een randje ‘verbond’ erbij. Daar komt het erop aan wat we doen met Gods verbond. Kaïn en Abel… Abraham en Izak… Izaäk en Rebekka… maar ook Jonathan en David.
Het veld. Ik houd ervan om over de velden buiten de stad het gewicht van de ruimte te ervaren. Het drukt als het ware op je en geeft je tegelijk een enorme vrijheid. Daar is er niets meer dat tussen jou en God in staat. Daar loop je voor Zijn aangezicht en ben je je bewust van Zijn blik op je. Hij weet het al lang, maar hij wil het van je horen. En rustig ook zonder woorden… maar open en eerlijk.

Terug naar Jonathan en David. Daar in het veld konden ze vrijuit spreken. Ik citeer even de Basisbijbel:
Toen vroeg David Jonatan: “Wie zal het me komen vertellen als je vader kwaad wordt?” 11 Jonatan antwoordde: “Kom mee naar buiten, het veld in.” Ze liepen samen het veld in. 12 Daar antwoordde Jonatan: “Ik zweer bij de Heer, de God van Israël: morgen of overmorgen zal ik rond deze tijd naar mijn vader gaan. Dan zal ik bij hem uitzoeken, hoe hij over je denkt. Als ik een goed bericht voor je heb, zal ik je een boodschap sturen en het je in het geheim laten weten. 13 De Heer mag mij straffen als ik me niet houd aan wat ik zeg. Als mijn vader van plan is je te doden, zal ik het je laten weten. Ik zal je laten gaan, zodat je veilig kan vertrekken. Ik wens je toe dat de Heer met je zal zijn, zoals Hij met mijn vader is geweest. 14 Ik weet dat jij met de Heer leeft. Daarom vertrouw ik er op dat je me niet zal doden als ik nog in leven ben als jij koning wordt. 15 En ook dat je goed zal zijn voor mijn kinderen wanneer de Heer al je vijanden heeft vernietigd.” 16 Toen sloot Jonatan een verbond met David en zei: “Ik hoop dat de Heer over je vijanden zal oordelen.” 17 En Jonatan liet David het opnieuw zweren. Want David was zijn allerbeste vriend en hij hield heel veel van hem.

“Als jij koning wordt…” Jonathan wist het! Had David het hem eerder toevertrouwd? Jonathan maakt gebruik van zijn verbond met David en vertrouwt erop dat hun vriendschap het gevreesde aanstaande dal kan doorstaan. Maar hij houdt er zelfs nog rekening mee dat hijzelf het niet zal overleven: “…als ik nog in leven ben…” Hij beveelt zelfs zijn kinderen aan de zorg van David aan. En dat aspect moeten we goed onthouden! Want David onthoudt dat ook goed!

Zie je de omslag in vertrouwen? David wilde zekerheid bij zijn vriend, maar nu vraagt die vriend juist zekerheid bij David. Die laatste zin is wel lief, maar erg zwak. De SV vertaalt het met: “…want hij had hem lief met de liefde zijner ziel.” Zielsverbondenheid. Dat gaat diep. Later (vers 23) zal Jonathan zeggen: “En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken hebben, zie, de HEERE zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid!” Ze hadden een eeuwige beloften aan elkaar gegeven en de nakoming van die belofte is voor Gods aangezicht genomen. Dus zijn ze er beiden aan gehouden. Maar zou het ook niet zo zijn dat de HEERE voor eeuwig ‘het cement’ van hun vriendschap zal zijn? Wauw! Dat is me een vriendschap voor het leven… en ver daar voorbij!

dinsdag 30 januari 2018

Twee vrienden en het verbond met de HEERE

De vriend van de gezalfde - I

Doe dan barmhartigheid aan uw knecht, want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood gij mij; waarom zoudt gij mij toch tot uw vader brengen?
Toen zeide Jónathan: Dat zij verre van u. Maar indien ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou ­overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?
1 Samuël 20 : 8 en 9



De twee zwagers staan bij elkaar. De spanning hangt in de lucht boven het paleis. Althans, dat voorvoelt David. Jonathan wil er eigenlijk niet aan… Daarom maken ze een plan en proberen zo helder te krijgen hoe (schoon)vader Saul erin staat. Tot die tijd houdt David zich schuil. Je vraagt je wel even af: waar is Michal? Hoe zal zij deze onzekere tijden hebben doorleefd? Heeft haar vader haar gevangen gezet? Saul zal haar namelijk later uithuwelijken aan “Palti, den zoon van Lais, die van Gallim was” (1 Sam. 25 : 44).

Het is opmerkelijk dat deze twee hartsvrienden toch enige ongelijkheid laten zien. David is weliswaar gezalfd door de HEERE, maar hij beschouwt zijn vriend en zwager nog steeds als de kroonprins. Hij wist immers niet wanneer en hoe de HEERE hem het koninkrijk zou geven?! David beseft ook zijn kwetsbare positie en de broosheid van hun vriendschap. Nou, broosheid… de vriendschap staat onder druk, omdat David vermoedt dat Jonathans vader kwalijke plannen smeedt!
Dat is een risico voor elk soort vriendschap. Je kunt kwalijke en ongrijpbare tactieken vermoeden, maar als je je vinger er niet op kunt leggen, moet je maar afwachten of anderen je geloven. Of anderen het ook zo zien. En zo niet, wat dan? Moet je anderen dan gaan overtuigen of houdt het gebod van God (“Gij zult geen vals getuigenis geven…”) dan toch in dat je er niets over communiceert, omdat je anders niet het ‘voordeel van die (kwaadwillende) ander’ bevordert?
Eigenbelang is een lastig ding. Het beïnvloedt heel snel je reine visie op de zaak en het beoogde doel: de lof aan de HEERE. Kijk, David had alle reden om Saul uit de weg te ruimen, omdat Saul anders hém uit de weg zou ruimen. David is niet zo naïef dat hij gewoon naar het paleis gaat en zegt: “Als de HEERE wil dat ik koning wordt, dan zal Hij me ook wel beschermen.” Je moet ook je verstand gebruiken. Maar hoe krijgt hij Jonathan zover dat die het probleem óók doorziet?

David beroept zich tegenover Jonathan op het verbond met de HEERE. Sterker nog, hij attendeert Jonathan erop dat díe hem in het verbond met de HEERE heeft betrokken: “…want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht…” Voor Gods aangezicht weet David zich begrepen, veilig en oprecht. Daarom durft hij ook te zeggen tegen Jonathan: “Als ik een misdaad op mijn geweten heb (en hij laat in het midden wáár die misdaad, die zonden, dan uit zouden bestaan), doodt me dan hier ter plekke! Maar breng me niet bij die onrechtvaardige rechter Saul.” David klampt zich hier aan zijn vriend vast, want hij weet dat díe weet dat David oprecht en onschuldig is.
Dat laat Jonathan dan ook snel weten: “Dat nooit! Ik jou doden? Nee, daarvoor ben je mij te dierbaar, vriend en zwager! Ik ken je goed genoeg om te weten dat jij niets hebt misdaan.” Helaas zegt Jonathan er nog niet bij dat het probleem dan dus bij zijn vader ligt. Hij hoopt er nog steeds op dat David het mis heeft. Is dat ‘lief’-zijn? Is dat ‘het voordeel van de twijfel geven’? Is dat ‘tot het uiterste gaan om iemand tot redelijkheid te bewegen’? Of is dat toch zwakheid en ongeloof?

Want wees nu eerlijk! Jonathan kende zijn vader nu toch wel zo onderhand? Al die feiten die we hier in de voorgaande hoofdstukken de revue hebben laten passeren heeft Jonathan toch ook meegemaakt en kunnen beoordelen? Jonathan heeft toch al lang zijn conclusies kunnen trekken? Waarom kijkt hij weg? Waarom toont hij zich zo afwachtend, zo weinig de held die hij in het begin was? Zijn vader werd behekst door een boze geest van God, maar is de kracht van de Heilige Geest misschien ook van hem verdwenen? Is het vuur weg en mist hij de kracht en overredingskracht die hoort bij het werk van de Geest?

Dat kan vandaag de dag nog steeds zo gaan. Je komt in een situatie te staan, waarin je dacht medestanders te hebben voor de zaak van Christus, maar opeens blijken die zogenaamde ‘mede­standers’ verdwenen. Ze deinzen terug voor de conclusie en de consequenties. Ze zeggen wel stellige dingen, maar brengen die niet tot uitvoer. Op dát moment spelen er dingen op de achtergrond mee die onzichtbaar maar wel voelbaar. Niet iedereen is blijkbaar in staat om karakter te tonen. Hoewel je daar rekening mee moet houden is het wel fnuikend.
Te weinig mensen hebben een eigen en goed onderbouwde mening. Te veel mensen laten zich leiden door wat ze zien, horen en voelen en maken dán hun afwegingen. Vooral het gevoel: “Het zal toch niet zo zijn dat…” of “Ik kan me niet voorstellen dat…” Het moge duidelijk zijn dat ons voorstellingsvermogen een zeer onbetrouwbaar object is. Hierin is David voor Jonathan wel een confronterend ­voorbeeld. David herinnert zijn maatje aan het verbond dat ze samen voor Gods aangezicht sloten. Maar ook daar gaat Jonathan niet op in. Hij laat zich leiden door aantoonbare feiten en voorvallen. Hij ontkent niet, maar hij beaamt ook niet. Hij richt zich niet op de HEERE, maar komt slechts met een plan de campagne: ik ga mijn vader op de proef stellen, zodat duidelijk zal worden wat zijn motief is. Maar diep van binnen blijft hij hopen dat David ongelijk heeft. Daarom maakt het David ook niet gerust!

woensdag 27 december 2017

Het zielsverbond tussen ­Jonathan en David

De fan van de muzikant - VI

Jónathan nu en David maakten een verbond,
dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.
En Jónathan deed zijn mantel af, dien hij aanhad, en gaf hem David;
ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe en tot zijn boog toe
en tot zijn gordel toe.
1 Samuël 18 : 3-4


Het gebeuren rond de dood van Goliath heeft duidelijk sporen in het leven van Saul, David en Jonathan getrokken. Het feit dat David de reus wél heeft durven tegemoet treden moet voor Saul al een stukje aversie hebben opgeroepen. Maar misschien had hij nog gehoopt dat David het niet zou overleven, zodat hij zichzelf kon rechtvaardigen: “Zie je nou wel, het is ook geen doen tegenover zo’n overmacht en tegenover zo’n reusachtig persoon”. In Sauls beleving werd Goliath met zijn bijna drie meter lengte een monsterlijk groot wezen dat de toren van Babel in het niets deed verzinken. Maar in de beleving van Davids pure ziel was Goliath vooral een God-tergende kabouter. Vanuit God gezien was alles een stofje aan de weegschaal!
In die visie ontstond de verwijdering tussen Saul en David, maar ontstond een bijzondere verbondenheid tussen Jonathan en David! Had Jonathan zich geschaamd, omdat hij na die overwinning op de Filistijnen nu opeens de moed niet had om het volk te verlossen? Of heeft hij dat ontbreken aan moed als een vingerwijzing van God gezien? Is hem misschien opeens duidelijk geworden wat de reden was dat hij dit keer niet de moed had om voor Gods zaak te strijden? Kwamen die woorden van Samuël opeens kraakhelder bovendrijven in zijn herinnering: “De Heere heeft vandaag het koningschap van u ­afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan iemand die het meer waard is dan u.” Was het Jonathan gaan dagen, dat deze herder uit Bethlehem wellicht die ‘iemand die het meer waard is dan u’ was? Was het kwartje gevallen toen David het hoofd van Goliath afhakte, en werd Jonathan herinnert aan de hakkende Samuël die Agag evenzo bewerkte?

Wat doet dat bij Jonathan? Heeft hij een aardje naar zijn vaartje? Gistte de jaloezie vanuit zijn binnenste op en begon hij die David ook een vervelend kereltje te vinden? Zocht hij gelegenheid om van hem af te komen? Immers, David was zijn overduidelijke concurrent voor de troon! Niets van dat alles.
Jonathan wordt beheerst door een andere geest; de Geest des HEEREN, Die hem vervult met eerbied en aanbidding van Gods weg. Met David, dat is hem opeens heel duidelijk, krijgt het volk een goede, krachtige en godvrezende koning! Jonathan zou altijd geassocieerd blijven met zijn vader. De eenmansacties die hij ondernam, waren wel succesvol, maar werden niet gevolgd door het overige van het leger! En dat was een veeg teken. Op de actie van David was het hele leger in actie gekomen en hadden een verpletterende nederlaag toegebracht aan de Filistijnen.
David had geen woord teveel gezegd over hoe het met de Filistijnen zou aflopen, nadat hun kampvechter, de reus Goliath, zou zijn gevloerd. De woorden van de HEERE, die David mocht profeteren, waren uitgekomen; tot in detail!

Wat Jonathan nu doet verdient onze aandacht. De Basisbijbel beschrijft dat als volgt: “Jonatan sloot een verbond met David. En hij gaf hem zijn mantel en zijn wapenrusting. Zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.” Let er op dat David de uitrusting van Saul niet aan wilde trekken, maar nu de totale uitrusting van Jonathan als een offer van verbondenheid krijgt uitgereikt. Als David deze uitrusting wel heeft aangetrokken (en dat is zeer goed mogelijk), is dat direct ook duidelijk geworden in het leger van Saul. Ze moeten die uitrusting hebben herkend: de mantel van Jonathan, diens zwaard, boog en zelfs de prinselijke gordel van Jonathan…

Dat er niet bij nog meer mensen een kwartje is gevallen, toen ze daarna David zagen: de nieuwe kroonprins! Ook de nieuwe kleding van Jonathan moet vragen hebben opgeroepen: “Jonathan! Waar is je eigen mantel? Waar je gordel? En waar de boog, waar je zo perfect mee kon schieten? Jonathan, wat is er aan de hand?” Wat zou het antwoord zijn geweest? Een uitwendig, vaag antwoord? Of een mooi geestelijk antwoord over vriendschap en ontferming: de kroonprins en de herdersjongen? Of zouden man en paard zijn genoemd: “Luister mannen, ik doe een stapje terug, want onze God heeft David als de opvolger van mijn vader gezalfd! Hij zal jullie nieuwe koning zijn.”

In het vervolg zullen we Jonathan vooral als Davids schaduw zien. Al in het volgende vers lezen we dat David voortaan meestreed in het leger van Saul. Daarbij was hij wijs en verstandig. Daarom maakte Saul hem aanvoerder van het leger. Het hele volk en alle dienaren van Saul mochten hem graag. Ja… maar de Statenvertaling gebruikt een opmerkelijk woord: David gedroeg zich voorzichtiglijk. Dat kan inderdaad ‘verstandig’ betekenen, maar dat voorzichtige kan ook duiden op het feit dat David begon door te krijgen dat Saul hem in gevaarvolle situaties probeerde te brengen, zodat hij op een veilige manier van hem af kon komen. Want ja, het volk hield hem in ere, maar onderwijl spinde Saul op wraak, zonder dat zijn persoon er schade van zou oplopen. Het net begon zich om David te sluiten. Langzaam… heel langzaam. En juist het volk zou daarin jegens Saul een aanjagende factor zijn! Weliswaar rekende Saul niet met God. Jonathan daarentegen beschermde David als zijn eigen ziel.

zaterdag 30 april 2016

Jouw naam en Gods naam verbonden

Ismaël, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis

Waarom laat je je kind dopen? Wat is jouw motivatie daarbij? God heeft een stellige motivatie bij de Heilige Doop. Het is een bedenksel van Zijn genadige zondaarsliefde. Laat dat maar eens duizelen in je hart. Maar… wat beweegt jou als vader of moeder, om je kind te laten dopen? Het is goed om dat helder te hebben. Ik ga geen verhandeling houden over de doop, maar ik leg die motivatie van ons 21e eeuwers naast die van vader Abraham, toen hij zichzelf en zijn dertienjarige zoon Ismaël liet besnijden. En trek de lijn ook door naar zijn kleinzoons Jacob en… Ezau!

Het moment van de eerste besnijdenis wijkt wat af van alle navolgende besnijdenissen. Er werden bijna alleen volwassenen en 13-plussers besneden. Merkwaardig trouwens dat God het moment uitkoos, waarop Ismaël 13 was en naar de geldende norm verantwoordelijk voor zijn daden. De latere joodse jongens werden dan 'bar mitswa'. Toen Izaäk werd besneden kreeg hij zijn naam; hetzelfde geldt voor Jacob en Ezau. Dat was een moment waarop de ouders ook emotioneel iets van hun innerlijk deelden jegens dit 8 dagen oude kind!


"En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed;
daarom noemden zij zijn naam Ezau.
En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield;
daarom noemde men zijn naam Jakob."
Genesis 25 : 25-26a

De opdracht aan opa Abraham

Toen God in Genesis 17 Zijn verbond met Abram bevestigde en dat van het teken en zegel van de Besnijdenis vergezelde, gaf Hij Abram en Saraï een nieuwe naam. Hij veranderde hun namen respectievelijk in AbraHam en SaraH. Hij voegde er Zijn eigen letter H aan toe. Letterlijk verbond Hij Zijn naam aan die van deze twee mensenkinderen.
Inmiddels was Ismaël 13 jaar en groeide op in een godsdienstig, maar gistend gezin. Dat kwam omdat Abraham 'eigen wegen' had bewandeld en God een handje wilde helpen. Hij bracht daarmee Hagar in problemen (gaf haar een slecht beeld van God en maakte haar blij met een 'dode mus', waar het Gods belofte van de Messias betrof!). Maar hij was ook schuldig aan het bestaan van een jongen, Ismaël, die een fout beeld van de dienst aan de HEERE kreeg. Ik snap het zo, dat Abraham gaat pleiten bij God, voor zijn eerstgeborene Ismaël. En… de HEERE laat Zich verbidden.
De besnijdenis wordt een bevel! Geen discussiepunt over de vraag of je volwassenen zou moeten besnijden of jonge kinderen. Geen discussiepunt over de vraag of je er wel geestelijk aan toe bent en of jij als niet-wedergeboren ouder nu wel of niet mag laten besnijden (lees bij dit alles ook de Heilige Doop!). God geeft een bevel. En wie niet besneden is hoort niet meer bij de 'club'. Die jongen of man moet worden uitgestoten. Heftig, nietwaar? God neemt het Verbond bloedserieus.

De belofte aan oom Ismaël

Met in mijn achterhoofd Ezau, zoom ik hier in op Ismaël, omdat deze oom best veel overeenkomsten vertoont met zijn neefje Ezau. Hoe stellig de HEERE ook aangeeft dat Hij Zijn speciale belofte aan Izak voorbehoudt (let erop dat hier al Izaks naam wordt genoemd!), Hij belooft de spottende Ismaël een forse zegen en voorspoed.
Maar eerst stap ik één hoofdstuk terug. Want toen ontmoette de HEERE Hagar en vertelde haar dat ze een zoon met de naam Ismaël zou baren. "En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen." Hagar geeft God een naam (hij wordt persoonlijk concreet voor haar!!!): 'Lachai-roi', dat is 'Gij, God des aanziens'. In de kanttekening wordt duidelijk gemaakt dat Hager met de naam van de put haar eigen naam met die van God vermengde (belangrijk element van een verbond).
Het gaat mij vooral om wat de engel over Ismaël zegt: 'een mens die lijkt op een wilde ezel'. Een bepaald ruw persoon, zo niet een olifant in een porceleinkast. Een ruziezoeker met iedereen en iedereen heeft ruzie met hem. En toch… toch zal hij 'wonen' recht tegenover zijn broeders. Hij zal ze uitdagen, tarten zelfs, maar men zal hem niet kunnen wegvagen. Eenzelfde belofte zal ook over Izaäk worden uitgesproken, zodat iets gaat oplichten van het eeuwigdurend conflict tussen de Joden en de Arabieren. Ga daar als westerling maar nooit tussenzitten. Echter, als we Genesis 25 lezen zien we dat hij ook tegenover andere 'broederen' woont: "tegenover Egypte", het land waar zijn moeder prinses was, aldus een apocrief boek.
Een hoofdstuk verder dus, maakt de HEERE zijn zegen aangaande Ismaël concreter: "En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen." Dankzij de voorbede van zijn vader zal de HEERE Ismaël zegenen, vermenigvuldigen en 12 vorsten geven, net als de 12 stammen van Israël! Hij zal eveneens tot een groot volk zijn. Maar… ja, het is niet anders godezijdank: ook deze meerdere zal de mindere dienen. De vraag is: wil Ismaël dat? Hoe zal hij hiermee omgaan? Nou, het woord is allereerst aan God: "En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. En hij woonde in de woestijn Paran." Hij laat zien dat Hij verder wil met Ismaël. En Ismaël laat de band met Abraham niet helemaal los, want als Abraham overlijdt is Ismaël erbij bij de begrafenis, samen met Izaäk. Gezamenlijk geven ze hun vader de laatste eer. Maar daarna…?
Het is opmerkelijk dat we na de zegening van Jacob door Izaäk, Ezau verbolgen het kampement van zijn ouders zien verlaten. Waar gaat hij heen? We lezen in Genesis 28:9: "Zo ging Ezau tot Ismaël"! Die twee zullen elkaar helaas goed hebben verstaan, denk je niet?

De zegen aan vader Izaäk

"Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal." Dat zijn de woorden van God aan Abraham. Het was duidelijk dat de HEERE met Izaäk een speciale weg ging. De weg die Hij met Abraham was begonnen… de weg die Hij met Eva en Adam reeds was begonnen: het Vrouwenzaad moest geboren worden! En daarom zouden in die lijn bij uitstek alle geslachten der aarde worden gezegend. Kijk nog één keer naar Ismaël, als voorbeeld hierbij. Als er een feestje wordt gegeven voor Izaäk, wanneer hij gespeend is, lezen we in Genesis 21 dat hij het spotten al geleerd heeft. En dat steekt Sara. Abraham brengt dit probleem bij God en deze antwoordt: "Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is."
Als Izaäk wordt besneden, krijgt ook hij een naam. Een naam die God hem al had gegeven: Izak. Yitschaq betekent 'hij lacht'. Sara uit een stuk ongeloof, Abraham met tranen van dankbaarheid in zijn ogen. Zou Sara het aan Izak hebben uitgelegd, waar zijn naam vandaan kwam? Dat moet me een gesprek zijn geweest! Ik kan me voorstellen dat Izaäk een moederskindje is geworden.
Hoewel, zijn vader is ook een groot voorbeeld van geloofsstandvastigheid geweest! Wat dacht je?! Als Abraham de opdracht krijgt om zijn zoon te offeren, lijkt de weg ten ene male dood te lopen. Maar door de onmogelijkheden heen gebruikt God hem als type van Christus. "God zal Zich een Lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon!" En zo geschiedde. En Izaäk mocht Diens verre voorvader zijn, een drager van de belofte. Een belofte met Toekomst!

donderdag 28 april 2016

Ezau - een kind van het Verbond

Fotograaf James C. Lewis maakte een serie artistieke foto's, de 'Black Bible Characters', waaronder 'Esau'


Afgelopen zondag hield ik een vertelling op de zondagsschool over Jacob en Ezau. En prompt ging zondagavond de preek over exact hetzelfde gedeelte: Genesis 25 : 19-34! De week ervoor werd ik bijzonder getroffen door de figuur en houding van Ezau. Ezau, een kind van het Verbond. Hoe is het mogelijk dat hij de waarde van dat Verbond niet zag, zijn eigen weg door het leven ging en God niet nodig leek te hebben. Je komt er niet zomaar uit, wanneer je in zijn opvoeding de aanleiding probeert te zoeken; hoewel… Je komt er al helemaal niet uit, als je het probeert te verklaren vanuit de uitverkiezing; hoewel… Ik heb me voorgenomen een serie overdenkingen te gaan maken over 'Ezau - een kind van het Verbond'. Misschien dat ik de serie t.z.t. ga bundelen in een ebook. Om zo de serie extra dienstbaar te maken aan mensen die zo'n Ezau in hun directe omgeving hebben of… zich herkennen in deze man met een autonome drive en hang naar ongebondenheid.