Posts tonen met het label graf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label graf. Alle posts tonen

woensdag 2 mei 2018

Leven en sterven in het geloof

Hoofdstuk 6


En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.
Handelingen 7 : 14-16




‘Jozef zien’ was een wens die vader Jacob eigenlijk allang niet meer op zijn verlanglijstje had staan. Hij had zich verzoend met het gemis van zijn lieveling en manifesteerde zijn liefde voor Jozef vrijwel zeker in zijn liefde voor Benjamin. Hoe groot was de schok die Jacob moest incasseren, toen bleek dat zijn zoon Jozef tóch nog leefde. Opeens stond er weer een oude wens bovenaan zijn verlanglijstje!
 

Ontboden
 Je kunt zeggen van Stefanus wat je wilt, maar hij verliest zich niet in details. Hij is een prediker van de grote lijnen. En dat luistert soms heel prettig.
In een paar krachtige lijnen tekent hij de oude vader Jacob, die te horen krijgt dat zijn zoon Jozef nog leeft. Ja, wat meer is: hij is onderkoning in Egypte, het land waar nog koren te koop is en waar hoop nog bestaat! Het blijft niet bij een gerucht over het in leven zijn van zijn zoon. Nee, er komt een persoonlijke boodschap bij Jacob thuis, waarin hij wordt ‘ontboden’ in het paleis van Jozef, de grootvizier.
Henk Stoorvogel schrijft in ‘Onderweg met Jozef’: “In Genesis 45 : 8* vat Jozef de positie, die hij van farao heeft gekregen, samen in drie titels: 1. Belangrijkste raadsman van de farao, 2. Bestuurder van het hele hof en 3. Heerser over heel Egypte. De titel ‘Belangrijkste raadsman van de farao’, vaak (beter) weergegeven met ‘Vader van de farao’ betekent letterlijk ‘Vader van de god’. Aangezien farao als goed gold kreeg Jozef de titel ‘Vader van de god’. Deze eretitel wijst op zijn ­belangrijke adviesrol richting de farao in het algemeen en de interpretatie van de dromen en het voorstellen van het ­reddingsplan in het bijzonder. De titel’ Bestuurder van het gehele hof’, of ‘Heer over heel zijn huis’ houdt in dat Jozef het gezag kreeg over alle landerijen en graanopslagplaatsen van de koning. […] De derde titel die Jozef kreeg was de meest verstrekkende: ‘Heerser over heel Egypte’. Als ‘Heerser over heel Egypte’, of ‘Groot­vizier over Egypte’, gaf Jozef leiding aan de regering, was hij verantwoordelijk voor de be­noeming en het ontslag van ambte­naren, was hij verantwoordelijk voor alle financiën en goederen van Egypte, controleerde hij de toegang tot de farao en had hij de supervisie over alle bouwprojecten, industrie en landbouw in Egypte. Ook was een onderdeel van deze functie het behartigen van alle relaties met omliggende volken. Vandaar dat de broers uit Kanaän ook eerst langs Jozef moeten voor ze graan kunnen kopen. Normaal […] werden deze functies […] verdeeld over twee personen, om te voorkomen dat één persoon te veel macht kreeg. Vanaf de regering van farao Sesostris II komt het echter voor dat een en dezelfde persoon beide titels krijgt. Wellicht was Jozef de eerste die deze eer te beurt viel.”

Ontmoeten
In deze positie had Jozef zich gemakkelijk kunnen verheffen boven de familie die hem had uitgespuwd en die de oorzaak was van al die jaren vol misère. Maar nee, hij wendt zijn positie aan om hen zo snel mogelijk bij zich te krijgen! Hij maakt zijn broers (letterlijk vertaald uit het grieks) tot apostelen (apostelló) om zijn vader te gaan roepen (metakaleó). Typisch het werk van een gezondene: mensen roepen namens de ­Uitnodiger. Het komt ervan: Jacob ontmoet zijn doodgewaande zoon. En hoe! Hij roept het uit: “Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!” Jozef valt zijn vader om de hals en ‘weende lang aan zijn hals.’
Maar op dat alles, datgene wat zo ingrijpend en aangrijpend is in deze ­geschiedenis, gaat Stefanus niet verder in. “En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.” Hij snelt door naar de begrafenis van Jacob en eigenlijk ook direct naar de begrafenis van Jacobs zonen, ‘onze vaders’.
Wel spreekt Stefanus over het aantal waarmee de familie naar Egypte komt: ‘vijfenzeventig zielen’. In Genesis 46 daarentegen wordt een opsomming gegeven van alle mensen die Egypte binnenkomen: zeventig zielen. Het blijft wat vaag, maar in de Kanttekeningen staat: “Anderen menen dat Stefanus boven de zeventig nog zou gerekend hebben de vier huisvrouwen van Jakob, en de twee zonen van Juda in Kanaän gestorven, zonder Jakob zelven mede te rekenen.”

Ontslapen
Ten slotte spreekt Stefanus over het graf van Jacob en zijn zonen. En daarover bestaat nogal verwarring. Abraham kocht een grafspelonk bij Hebron, de spelonk van Machpéla. Maar kocht Jacob een graf bij Sichem, het later Sichar, van Hemor. Over dát graf spreekt Stefanus hier. En hij beweert dat ook de andere broers van Jozef daar begraven zijn. Ook hier geven de Kanttekeningen enig inzicht in: “…Abraham heeft te Hebron een spelonk gekocht van Efron, den zoon van Zohar, tot begraving zijner doden, Gen. 23:16, in welke ook Jakob heeft willen begraven zijn, Gen. 49:29, 30, en alwaar ook schijnt dat de gebeenten van enige andere voorvaders van Sichem overgebracht zijn. […] het graf, dat van deze zonen van Hemor, den vader van Sichem, namelijk door Jakob gekocht was, Gen. 33:19.”
Jacob heeft dus dat graf voor zichzelf gekocht, maar in Genesis 49 blijkt dat hij toch voor Machpéla heeft gekozen. Als later het volk Israël naar het Beloofde Land terugkeert, nemen ze wel eerst de grafkist van Jozef mee om zijn gebeente uiteindelijk in Sichem bij te zetten in de familiegrot. Alleen de beenderen van Jozef zijn in Egypte gebleven tot de Exodus. Zijn broers zijn wel direct in Kanaän – en dus waarschijnlijk in Sichem – begraven.
Jozefs grafkist was tijdens de slavernij-periode een teken van hoop op Gods belofte, dat Hij Zijn volk zou terugbrengen. En vóór die slavernij was, aldus ds. René van Loon, diezelfde kist een teken van waarschuwing om zich niet te zeer te settelen in Egypte. Want dat was maar een ‘tijdelijke woning’. Het Beloofde Land was hun eigenlijke thuis! Mooie lijn, niet? Dat heeft ons vandaag ook iets te zeggen, met het zicht op het Vaderland hierboven!

dinsdag 14 april 2015

Al was het ook dat ik een engel zou zien en ik had het geloof niet…

"En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd."
Markus 16 : 5

Zo angstaanjagend de duisternis op Golgotha was, zo angstaanjagend was ook het licht dat de engel op de eerste Paasdag meebracht uit de hemel. We lezen in het Evangelie dat, toen die engel neerdaalde bij het graf van Jezus, de stoere romeinse soldaten van angst met knikkende knieën (staat er letterlijk) het hazenpad namen. In de dagtekst lezen we dat het zien van deze zelfde engel, de vrouwen verbaast (met schrik vervuld), maar toch blijven ze staan. Maar goed ook!

Het graf in de rots

Bij Mattheüs zit er een bepaalde vaart in zijn vertelling. We lezen in hoofdstuk 28: "En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven. En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden. Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet…" De wachter werden als doden, maar de vrouwen moesten vooral níet schrikken. Je krijgt de indruk dat de vrouwen de vluchtende soldaten zijn tegengekomen.
Kalm pakt de engel de grote steen en rolt die weg voor de ingang van het graf. Weet je nog dat de vrouwen zich afvroegen wie toch de steen zou kunnen afwentelen? Wel, de HEERE heeft er al voor gezorgd. "Uit een blinkend stromen, daalde d'engel af. Heeft de steen genomen van het overwonnen graf", zingt een bekend lied. Hij deed de deur open, maar Christus had dat graf reeds overwonnen en de dood teniet gedaan. Enerzijds zingt een ander lied "Hij steeg uit 't graf door Eigen kracht", anderzijds wekte de Vader Hem op. Die steen had Jezus ook Zelf wel kunnen wegrollen, maar de Vader stuurde Zijn dienaar om Jezus vrij te laten. En toen?
De Bijbel zwijgt over de verder details, hoe Christus opstond, waar Hij heenging. We lezen slechts dat de engel de staan wegrolde en erop ging zitten. En uit een ander Evangelie maken we op dat er nog een tweede engel, een tweede getuige, bij was, die in het graf ging.
In de beschrijving van Markus missen de vrouwen die eerste engel, althans zij merken hem niet direct op, omdat die andere engel, in het graf, tegen hen gaan spreken. Dat hemelse licht in die doodse grafruimte is zo'n contrast, dat de vrouwen verbaasd worden; schrik vervuld hen, maar ze blijven, misschien als aan de grond genageld, staan. Het is een merkwaardige kerkruimte en een nog merkwaardiger preekstoel. Morgen zullen we op de preek van de engel ingaan. Vandaag beperken we ons tot de engelenverschijning, daar in het graf in de rots.


De hemel op aarde

Wat de soldaten ervaren als de meest afschrikwekkende vertoning – en ze zijn heus wel wat gewend van de vele slagvelden – wordt voor de vrouwen de hemel op aarde. Het blijft niet bij een vertoning, maar er gaat gesproken worden.
De engel, die uittrok om de straf te voltrekken die David op zijn geweten had, werd duidelijk waargenomen. David ziet hem bij de dorsvloer van Arouna. Hij rent niet weg maar offert. De engel was uitgegaan om te verderven, vanwege de zonde. Datzelfde gebeurde ook eeuwen daarvoor in de nacht waarin Israël werd verlost uit Egypte. In beide gevallen moest er een offer worden gebracht om de engel tot stilstand te brengen. Hier had de engel in woede kunnen ontsteken, omdat de mensen hun Heiland hadden gedood. Maar hij deed het niet. God komt tot de wereld in de gedaante van een engel, een jongeling, en spreekt van vrede. Er is een offer gebracht; hét Offer! De engel wordt door God niet uitgezonden om te verderven, maar om van vrede te spreken.
Drieëndertig jaar eerder was de engel Gabriël tot tweemaal toe uitzonden om van vrede te spreken. Eerst bij Zacharias in de tempel: "Uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes. En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan. En hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot den Heere, hun God. En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk." Zacharias kon het niet geloven en verwekte de engel tot toorn: "Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen!" 
De tweede maal was het bij Maria: "Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn." 
In beide gevallen was de hemel even op aarde. En ook hier in Markus 16. Opnieuw een jongeling (zo was zijn gedaante het best te omschrijven) met een lange witte tabbaard van licht om zich heen. Schilders hebben door de eeuwen heen geprobeerd deze figuur te schilderen, maar bij al die platen zouden Maria Magdalena en haar vriendinnen hebben gezegd: "Nee, zo zag hij er niet uit. Dat heerlijke licht is niet uit te schilderen. De hemelse heerlijkheid is intenser dan de reinste witte olieverf."
Wij zouden misschien ook wel een engel willen zien, opdat we zouden geloven. Bij deze vrouwen werd duidelijk dat die engel er ten diepste niet toe deed. Zijn verschijning had eerder iets afschrikwekkends, dan iets bevestigends. Een bijzondere verschijning is niet zo geloofsbevestigend. Zelfs niet, ook al zit deze engel aan de rechterkant. Ze weten het plekje precies, maar dat helpt hen niet. Het zal blijken dat het om het Woord gaat, dat deze hemelbode mag spreken.