Posts tonen met het label Maria. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maria. Alle posts tonen

donderdag 21 januari 2016

Als twijfel de boventoon voert

Twijfel is een tegenhanger van Geloof


"En zeide tot Hem: Zijt Gij Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?"
Mattheüs 11 : 3

Het hoge woord is eruit. Je vraagt je af of Johannes zich deze vraag niet al eens eerder heeft gesteld. Is deze twijfel echt pas hier in de gevangenis ontstaan? Johannes had vol vuur gepreekt over de Messias van Wie hij zeker wist dat hij geboren was. Elisabeth en Maria zullen zeker contact gehouden hebben; wellicht elkaar nog eens bezocht hebben toen Jozef en Maria korte tijd in Bethlehem bivakkeerden. Dus concreet was Johannes op de hoogte van het bestaan van Jezus (met naam en toenaam!).

Elisabeths lofzang

Dat aspect wil ik nog wel even vasthouden. Het is niet bekend wanneer Zacharias en Elizabet zijn overleden. Gezien het feit dat ze al op leeftijd waren (tussen de 45 en de 65 jaar) is het goed mogelijk dat Johannes als 'nakomertje na niemand' vrij vroeg wees is geworden. Wellicht is hij bij neven of nichten opgegroeid, maar in die gezinnen altijd een buitenbeentje gebleven.
Echter, waar het mij vooral om gaat is de opvoeding die Elizabet en Zacharias hem hebben gegeven. Ik weet bijna zeker dat ze hem hebben kunnen opvoeden tot hij volwassen werd en zodoende alles wist over zijn goddelijke roeping. Met name Elizabet moet hem hebben verteld over Maria en de drie lofzangen die in hun huisje hebben geklonken. Goed mogelijk dat Johannes ooit een bezoek heeft gebracht aan Maria in Nazareth of Kapernaüm, om over Jezus te horen vertellen.
De woorden die Elizabet gebruikte bij de ontmoeting met de pril-zwangere Maria moeten ergens een plek hebben gekregen in de opvoeding van Johannes. "En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?" Of wat dacht je van de woorden van Maria: "Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid, (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid."
De woorden van de engel aan vader Zacharias zullen hem zeker bekend zijn gemaakt: "Hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk." Johannes heeft (via via) van zijn vader echt wel te horen gekregen wat zijn roeping precies inhield.
En juist nu, hier in de gevangenis wordt het voor Johannes moeilijker te leven bij de herinneringen aan de woorden van zijn ouders. Ze zijn niet meer bij hem en hun woorden (Gods beloften) staan niet meer zo tastbaar voor hem.

Johannes' treurzang

Het gevolg van deze kwetsbare situatie is een treurzang. Johannes uit zijn onzekerheid door vertwijfeld te vragen: "Bent U nu Degene die zou komen (de Messias) of moeten we toch naar Iemand anders uitkijken en bent U net als ik slechts een gezant en wegbereider voor Hem?" Immers, Johannes kon niet weten dat hij de enige wegbereider zou zijn. Hij kon het hooguit vermoed hebben; wij staan achter de zaken en kennen de verbanden van de geschiedenis.
Het contact met zijn leerlingen geeft geen bevredigend antwoord op zijn vragen. Hij heeft behoefte aan een antwoord van iemand die op zijn eigen niveau staat of op een hoger plan. Immers, Johannes was voor zijn leerlingen altijd de vraagbaak geweest; nu is hij zelf op zoek naar een Vraagbaak.
Ik heb een oudere ambtsdrager wel horen verzuchten dat 'ze' allemaal zijn weggevallen, bij wie hij om antwoorden en raad ging. Ik antwoordde hem dat hij nu volop zelf vraagbaak, steun en toeverlaat was geworden voor jongere ambtsdragers. Dat besef gaf een doorbraak in zijn denken.
Niettemin kun je soms uitzien naar broeders/zusters en ouderen met wie je op eenzelfde of hogere golflengte praat, in plaats van met omstanders die juist bij jou komen met hun vragen en problemen. Al meer begrijp ik die oudere ambtsdrager en broeder beter.
De verwarring in Johannes' denken – en dat moet toch ook worden gezegd – wordt niet alleen gewekt door een verschil van inzicht. Laten we beseffen dat satan ook niet stilzit. Johannes, die door Romeinen en farizeeën niet uit het veld te slaan was en soms onverschrokken tekeer ging, is geen halfgod. Hij is een mens van vlees en bloed, met wellicht een puike wapenrusting, maar ook daarin zitten zwakke plekken. Wat is hij daarom bij Jezus aan het goede Adres! Juist als twijfel de boventoon gaat voeren!

donderdag 23 april 2015

Getuigen als ploegen op de rotsen




"En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden. En als dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet."
Markus 16 : 9-11

Vervolgens gaat Markus in een bepaalde volgorde de verschijningen van Jezus benoemen als bewijzen van Zijn opstanding. Straks zal hij de Emmaüsgangers noemen. Het merkwaardige aan dat tweetal is dat zij tegen Jezus spraken over een engelenverschijning, terwijl we vandaag lezen dat Maria Magdalena zelf de Heiland heeft ontmoet. En zij heeft dat nota bene ook geboodschapt aan 'degenen die met Hem waren geweest', dus de discipelen en – naar ik vermoed – ook aan Kleopas en zijn metgezel. Wat maken de verzen van vandaag duidelijk aan ons?

Persoonlijke geloof

Niet dat ik daar iets mee te maken heb, maar wat zou de HEERE hebben bewogen om juist aan Maria Magdalena als eerste te verschijnen? Bij de HEERE is geen aanneming des persoons, maar Hij doet ook niets zonder doel. Feit is dat Maria op de een of andere manier is teruggekeerd naar het graf, nadat ze de boodschap van de engelen aan de discipelen heeft doorgegeven. Daar bij het graf vind de ontmoeting tussen de Heere Jezus en Maria Magdalena plaats. De engelen zijn waarschijnlijk al teruggekeerd naar de hemel; Jezus neemt hun taak over en neemt de leiding weer na Pasen. Hij en de Vader zijn Eén, zeker in hun strijdt tegen satan. En juist een veelvuldige bezetting van satan was beëindigd in Maria's leven. Is dat wellicht de reden – haar bijzondere kwetsbaarheid wegens het eens bezeten zijn van satan, die zijn prooi levenslang probeert te blijven claimen – dat juist Maria het eerst wordt gerustgesteld en vastgemaakt in haar geloof?
De ontmoeting met de opgestane Heiland was voor haar als een schat in de akker, waarop zijn ongedacht stuitte. Satan, die haar eens had bezeten, richtte alles enkel richting de dood en het verderf. Maar hier voor haar stond de opgestane Paasvorst, Die de macht van de dood en de hel had verbroken. Is het wonder dat ze Hem wilde vastgrijpen en alles weer laten zijn zoals het was, vóór Goede Vrijdag? Echter, zij moest niet bij melk blijven, maar opgroeien naar vaste spijze. Geloven is een persoonlijke zaak. Je kunt het niet doen met het geloof van een ander, zelfs je aller liefste niet. De Heilige Geest werkt naar zelfstandige gelovigen, naar vastheid en zekerheid in het geloof. Wie dat probeert in twijfel te trekken, wie de zekerheid van het geloof als iets onbereikbaars afschildert, stelt zichzelf tegenover de ganse Schrift en daarmee tegenover de HEERE Zelf!

Persoonlijke getuigenis

De ontmoeting met de levende Jezus maakte Maria mededeelzaam. Dit wilde ze delen met haar geliefden. De boodschap van de engelen nam de vrees niet weg; de vorige keer zagen we immers dat de performance van deze getuigenissen niet echt doeltreffend was. Maar nu is het anders. Een vast tred, ja zij moet hebben gerend, alsof haar voeten vlogen en de straten van Jeruzalem amper beroerde.
Het persoonlijk getuigenis van Maria kwam recht uit haar hart en ze was er ten volle van verzekerd, immers de Heere Jezus had Zelf tegen haar gesproken.
Ze haast zich naar 'degenen die met Hem geweest waren'. Zaten ze toen ook al achter gesloten deuren? Dan heeft ze gebonsd op de deuren: "Doe open, doe open! De Heere leeft! Ik heb Hem zelf gezien!" Zou Rhodé ook hier de deur hebben opengemaakt? Men liet haar in ieder geval binnen. Wat een contrast vormt deze opgetogen, blije christen, met de sombere massa binnen! Wat een klein lampje in een stikdonkere kamer doet, zou haar blijde boodschap in deze opperzaal ook moeten doen: verlichten en verblijden. Als een zinderende vreugdegolf zou de kamer moeten schudden op haar grondvesten. Buiten zou het klinken als een geweldig gedreven wind. De tongen zouden losraken en in vlammende kleuren schetsen: "God heeft bij ons wat groots gedaan!"
Maar… een persoonlijk getuigenis is slechts een plaatje bij de boodschap. Het maakt niet dat mensen gaan geloven. Het onderstreept slechts en is daarom van het grootste belang. Maar het is niet per definitie doeltreffend en vrucht is niet altijd verzekerd. Niettemin heeft Maria Magdalena gedaan, wat ieder na haar zou moeten doen: goed spreken van de HEERE en groot getuigenis geven van Jezus Christus, Die dood was en ziet Hij leeft!

Persoonlijke keuze

Maar kijk nog eens goed naar de tekst, wat is het resultaat van Maria's persoonlijk getuigenis? De huisgemeenteleden treuren en wenen. Vanwege hun ongeloof? Vanwege hun zonden? Vanwege hun totale blackout jegens Christus' Eigen woorden? Nee, vanwege het gemis en de droeve gang van zaken en de sombere toekomst. Maar daar konden Maria's woorden toch wel verandering in brengen?
"En als dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet." Ha, daar hoor ik Kleopas, morrend inzichzelf: "Houd toch op, Maria, je raast. Dat kan immers niet?! Je bent zozeer door verdriet overmand dat je dingen hebt gezien die er niet waren. We weten wel dat je intens van de Heiland houdt, maar… stop maar, het is over. Echt!" Kleopas is in verwarring. En hij krijgt wat een metgezellen! Is het op dit moment geweest dat hij bruusk opstond en de zaal verliet, gevolgd door een van die metgezellen?
Nota bene op het horen van de blijde boodschap dat Jezus leeft, manifesteert satans kille greep zich in de vorm van klam ongeloof dat als een duffe deken over de samenvergaderden uitstrekt. Satans persoonlijk getuigenis lijkt meer doel te treffen dan die van Maria. Wat moet dat voor haar een aanvechting zijn geweest! Het zal immers nog tot de avond duren, eer Jezus Zich ook aan deze kring zal vertonen. Maar… daar komt nog een andere, zeer bijzondere getuigenis bij: die van Petrus. Daarover een andere keer.
Wat we leren kunnen is: wij kunnen anderen niet overtuigen. Persoonlijk geloof ik niet in het feit dat mensen zozeer somberen dat je ze maar moet laten in hun triestheid. Laat je niet remmen in het getuigen. Maar wees er op voorbereid dat satan niet stilzit en dat jij anderen niet kunt overtuigen. Zaai, spreek en getuig, zoals de Geest het je ingeeft, maar dwing geen vrucht af. Het moet de persoonlijke keuze van mensen worden, die wordt geplant en gewekt door de Heilige Geest.
En soms komt die vrucht uit een ongedachte hoek! We hebben dat zelf ervaren met iemand dit vast zat in een denkraam en levenspatroon, waaruit die iemand niet los kon komen. Hoe zou het geloof ooit kunnen doorbreken? We hebben van alles geprobeerd, maar het leek niet te lukken. Totdat die persoon iemand anders sprak en dat eerste beste gesprek resulteerde in een doorbraak. De dingen, die wellicht allang aan de oppervlakte lagen, maar niet werden gezien, braken door en het zicht op de HEERE was er! Wat hebben we een heerlijk God en wat werkt de Heilige Geest heerlijk en vrijmachtig! Onderwijl: laat ons niet nalaten te getuigen, als de kans gegeven wordt!

zaterdag 18 april 2015

Jezus van Nazareth of mijn Meester?

"Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden."
Markus 16 : 6

Soms helpt het om wat langer over een Bijbelvers na te denken. Als ik direct had opgeschreven, wat bij me opkwam, had ik iets merkwaardigs over het hoofd gezien, wellicht. Met de vrouwen meegaand in het graf, zien we een engel. Juist wát die engel zegt en hóe hij het verwoordt, bleef vragen oproepen bij me.

Geruststellende woorden

Zoals we al eerder zagen, werden de stoere soldaten met schrik bevangen en vluchtten weg van het graf. De vrouwen zijn aanvankelijk verontrust over het open graf, maar raken evenzeer verschrikt wanneer ze het graf binnengaan. Ze zien daar een (eigenlijk twee) engelen zitten in de gedaante van jongelingen die door licht omvangen zijn. De engelen laten zich hier kennen zal mensachtigen en communiceren met de vrouwen. Ze zagen de angst waarmee de soldaten werden vervuld en keken hen na, toen ze met al hun bravour de benen namen; wellicht hun schilden in de consternatie wegslingerend om maar zo snel mogelijk te kunnen rennen. Iets wat een romeins soldaat op de doodstraf kan komen te staan. Er moet later geld aan te pas komen om ze te vrijwaarden van een executiepeloton.
De engelen kwamen dan ook niet voor de soldaten, maar voor degenen die het om Jezus was te doen in positieve zin. Ik weet niet of ze de vrouwen verwachtten; God geeft ze niet altijd gedetailleerde bevelen, maar wát Hij hen opdraagt, voeren ze wel in volledige passie aan Hem uit. Daarom doorzien ze ook direct de gesteldheid van deze vrouwen. Ze beschouwen hen als Jezus' vrienden. Wanneer ze de schrik zien in de ogen van de vrouwen, begint een van de engelen verstaanbaar te spreken (niet in de talen der engelen, waarover Paulus schrijft): "Zijt niet verbaasd!" Mattheüs zegt het nog pastoraler: "Vreest gijlieden niet", waarmee hij de vrouwen stelt tegenover de romeinse soldaten.
De engel stelt de vrouwen gerust, zowel over zijn verschijning (en die van zijn geestgenoot) alsook over het lege graf. Met een armzwaai nodigt de engel de vrouwen binnen in deze dodengrot en laat de plaats zien waar Jozef en Nicodémus het lichaam met liefdevolle zorg hebben neergelegd. Op deze twee mannen doelt de engel als hij zegt: "…waar zíj Hem gelegd hebben." Zou de engel dit ook hebben gezien? Zou hij geweten hebben wie Nicodémus en Jozef waren en wat hun toewijding voor Jezus was? Hij zegt er niets over; zijn missie is de vrouwen geruststellen.
Ik kan me levendig voorstellen dat ze hier het geluid van Gods Vaderstem vertolken: "Mijn kind, kom maar, Ik weet ervan. Ik ken je angst, je verwarring; stil maar, alles komt goed, want Ik ben erbij!". Geen stem van de Roepende uit de woestijn, maar de stem (de geluidsvertolking) van de Roepende uit de hemel: "Wees gerust Mijn kind! Mij loopt niets uit de hand. En wat je ziet, is niet wat het werkelijk is. Het graf is wel leeg, maar dat betekend niet dat je nu niets meer hebt, maar juist dat je nu álles hebt!"

Vragenoproepende woorden

Hier had ik een punt kunnen zetten, enige dagen geleden. Maar iets in dit vers bleef bij me haken. De engel zegt: "Gij zoekt Jezus de Nazarener". Waarom zegt hij niet: "Ik weet dat jullie je Meester zoeken"? Waarom noemt de engel Hem niet 'Christus'? Of 'de Heiland'? Waarom zo afstandelijk 'Jezus van Nazareth"? Is het een probleem? Moet ik daar over nadenken? Ik weet het niet, maar het bleef haken.
Google-end op deze naam kwam ik het volgende tegen:
"Wanneer Petrus op Pinksteren preekt voor de mensen op het tempelplein in Jeruzalem en de gebeurtenissen uitlegt van de Pinksterdag, spreekt hij over Jezus de Nazarener.

Dat Petrus over Jezus spreekt is al opmerkelijk. Pinksteren heeft toch alles te maken met de Heilige Geest? Toch kan het niet anders of hij spreekt over Jezus, want de Geest is daaraan te herkennen dat Hij de Heere Jezus verheerlijkt. Echt Geesteswerk is immers daaraan te herkennen dat het ons dichter bij Christus brengt.


Maar waarom spreekt Petrus dan over Jezus de Nazarener? Waarom geen verhevener Naam? Omdat deze naam een heel duidelijk aanknopingspunt is voor het volk in de preek van Petrus.

De mensen in Jeruzalem dachten dat het nu wel afgelopen was met die zaak van Jezus de Nazarener. Hij was gestorven en werd begraven. Weliswaar gingen er op Pasen allerlei geruchten over Hem dat Hij was opgestaan, maar dat zal wel niet waar geweest zijn.
Petrus maakt echter op Pinksteren duidelijk dat de ‘zaak Jezus’ nu pas echt begint.
Daarom gebruikt Petrus Zijn gewone Naam; zo stond Hij burgerlijk bekend; zo sprak de man in de straat over Hem. Die Naam zal geen enkel misverstand kunnen wekken. Zo stond het ook in het opschrift boven het kruis.
Petrus weet over wie hij het heeft en de mensen, die Petrus horen weten ook over Wie de spreker het heeft.

Met die Jezus de Nazarener hebben zij slecht gehandeld. Petrus wijst daar onomwonden naar. Deze Jezus was duidelijk een Goddelijke Afgezant. Voor het gevoel van de mensen was Hij de Man uit Nazareth.

Daarin hebben zij zich wel vergist. U hebt Hem aan het kruis geslagen en Hem gedood, U hebt Hem veracht en bespot. U hebt Zijn Goddelijke Afkomst en Zending niet willen erkennen."

De engel gebruikt dus ook Jezus' gewone, burgerlijke naam. Zou hij dat ook bewust hebben gedaan, net als Petrus? Zou hij daarmee aangeven dat zij nog steeds te menselijk over Jezus dachten? Dat ze het zicht op Zijn goddelijkheid kwijt waren? En dat ze het zicht op Zijn werkelijke missie totaal uit het oog verloren waren?
Al nadenkend over deze vraag, bemerkte ik dat er veel mensen tegenwoordig wel spreken over Jezus, maar heel menselijk over Hem denken. Zowel vanwege Zijn lijden, als vanwege de dingen die Hij tijdens Zijn leven deed en sprak. Ik geloof dat tegenwoordig best veel mensen geloven in de historische Jezus, zoals ze ook geloven in de historische Mohammed en de historische Saladin of Richard Leeuwenhart. Maar wij moeten niet blijven steken in de historische mens Jezus. Het moet ons verder brengen tot de eeuwige Zoon van God en… tot de Middelaar, de Messias, Die Zijn Vader genoegen verschaft door de zonde der wereld op Zich te nemen en Zijn volk te bevrijden. Het moet ons – al helemaal in de kerk! – brengen tot de woorden die Maria Magdalena even later zal uitroepen: "Rabbouni, dat is mijn lieve Meester". Of – en die woorden steken nog dieper – de woorden van die zogenaamde ongelovige Thomas: "Mijn HEERE en Mijn God!"

dinsdag 7 april 2015

Betrokken op Jezus?

"En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus,
en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden."
Markus 16 : 1

Het is Derde Paasdag… we hebben zeven weken stilgestaan bij het lijdensevangelie. Maar hoe lang staan we stil bij het opstandingsevangelie? Ja, misschien zeg je: daar staan we elke zondag bij stil. Inderdaad. Maar zullen we een aantal dagen achtereen stilstaan bij wat er na Pasen gebeurde, aan de hand van Markus 16? Het is een compact verhaal dat in een notendop de tijd tussen Pasen en Hemelvaart weergeeft.

Volgens de geboden

"Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt", klinkt het vierde gebod. In Lukas 23 : 56 lezen we: "En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod." De vrouwen viel niets te verwijten; ze hielden zich netjes aan het sabbatsgebod. Zouden ze met hun gedachten ook gerust hebben en zich helemaal gericht hebben op de God van de sabbat? Of waren hun gedachten (die volgens dit gebod enkel op de HEERE van de sabbat behoorden gericht te zijn), misschien toch vooral bij hun vermoorde Heere? Hem dienen… hoe zou dat nou ooit kunnen? Het enige dat ze voor Hem konden doen was Zijn lichaam balsemen. 

Over the top?

Toch blijf ik het vreemd vinden dat Jozef van Arimathea en Nicodemus voor een vermogen aan zalf hadden gekocht en Hem direct zalfden, terwijl de vrouwen óók zalf gingen bereiden? Wat konden zijn nog toevoegen aan die honderd pond zalf? "En Nicodemus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloe; omtrent honderd ponden gewichts." (Joh. 19:39) Dit hadden de vrouwen gezien: "En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad. En leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg. En aldaar was Maria Magdalena, en de andere Maria, zittende tegenover het graf." (Matth. 27:59-61).
Mattheüs beschrijft ons in het eerste vers van hoofdstuk 28 dat ze slechts kwamen om het graf te bezien. Toch denk ik niet dat Markus iets verzonnen heeft. Het lijkt op een overgevoelige actie, die het begraafritueel wat over the top maakte. En er is nog iets…

De tweede voorste rij?

Wie de drie vrouwen op een rijtje zet, ziet dat zij respectievelijk 0, 1 en 2 zonen onder Jezus' discipelen hadden: Maria Magdalene (geen), Maria (Jacobus) en Salome (Johannes en Jacobus). De moeders waren hier waar hun zonen hadden moeten zijn. Ze behoorden tot de vrouwen die worden genoemd als zij die Jezus waren gevolgd vanuit Galilea.
Ze waren het zorgzame niet afgeleerd. Hoewel hun zonen volwassen mannen waren, namen zij nog steeds de moedertaken waar. Ze beredderden en waren – vrees ik – zo vol van hun Martha-achtige zorgzaamheid, dat ze de zorg van Nicodémus en Jozef niet voldoende vonden. Hun actie was als de zoveelste overlijdensadvertentie in de krant, alsof de mensen nog niet voldoende wisten dat iemand overleden was; of om aan anderen te laten lezen dat zij toch ook tot een bepaalde belangrijke kring rondom de overledene behoorden. Lief bedoeld, maar onbedoeld een tweede voorste rij in de gelederen.

Als dan niemand het doet…

Of val ik nu de vrouwen te hard af? Waar vierden zij de sabbat? Ik vermoed bij Maria – de moeder van Johannes Markus – in haar opperzaal. Zij was de gastvrouw. En de weggelopen discipelen waren een voor een bij haar binnengedruppeld. Daar zaten ze verslagen voor zich uitstarend. Er werd weg gesproken, maar het waren matte stemmen. In die sfeer zou het plan kunnen zijn uitgewerkt om op de eerste dag van de week 's morgens vroeg naar het graf te gaan en het balsemwerk af te maken.
Zalfbereiden koste tijd en was typisch een vrouwenwerk. Nog vlak voor de sabbat waren ze gauw ergens langs gegaan om ingrediënten te kopen. Ik vermoed toch stiekum dat ze de sabbat niet helemaal hebben stilgezeten. Met het kopen van zalfingrediënten heb je nog geen zalf… 
Hoe het ook zij, in al die dingen wordt ons een actieve betrokkenheid op Jezus getekend. En het stelt ons voor de vraag: hoe sta ik tegenover Hem? Als ik niet actief betrokken ben op Hem, wie doet het dan wel? Jezus had over de stenen gezegd, dat die dan wel zouden spreken over Hem, als de mensen moesten zwijgen. Welnu, zo ver laat ik het toch niet komen?