Posts tonen met het label Johannes de Doper. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Johannes de Doper. Alle posts tonen

zaterdag 5 maart 2016

De nodiging tot het heil roept altijd geweld op


Vooral het woord 'violence' suggereert dat het Koninkrijk der hemelen geweld heeft te verduren van vijanden;
echter niets is minder waar: het heeft geweld te verduren van vrienden en aspirant burgers van dit Koninkrijk.

"En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen
geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld."

Mattheüs 11 : 12

Lekkere tekst is dat, juist in een tijd van fundamentalisme, radicalisering en geweld. De verkondiging van het heil roept dus geweld op? Maar… is dat dan uitdagend, uitlokkend van karakter? Of moeten we het scharen in de categorie joden-haat? Worden christenen, evenals Joden, gehaat, omdat ze God stellen boven elke andere macht? En is dat de boodschap van deze tekst? Toen ik jaren geleden over deze tekst een bijbelstudie maakte voor de MannenBijbelstudieVereniging hier in Schoonhoven, las ik ergens dat dit de moeilijkste tekst uit de Bijbel was. Dat daagde me toen uit, maar achteraf vraag ik het met af. Hebben mensen niet veel meer moeite met teksten die gaan over Jezus' offer en plaatsvervangend lijden. Laten we eens kijken wat er nu werkelijk staat en zien of deze tekst ons een prikkelende boodschap te bieden heeft.

Geweld tegen

Onze eerste reactie bij deze tekst zou kunnen zijn: logisch, het evangelie roept weerstand en soms zelf geweld op. Maar als we met dat in ons achterhoofd goed kijken naar de tekst, dan zou het dus zo zijn dat het Koninkrijk der hemelen onder de voet wordt genomen. Echter, we belijden toch dat er geen afval der heiligen is? En dat het Koninkrijk niet slinkt, maar enkel toeneemt, omdat er alleen maar mensen bij komen?!
Het geweld waarover Jezus spreekt heeft dus ergens ander mee te maken. En lees nog eens goed: het is een proces dat blijkbaar is ingezet 'in de dagen van Johannes de Doper' en 'tot nu toe' voortduurt. Johannes is een trendsetter van iets. Wat? De prediking van het komende Koninkrijk, dat 'nabij' is gekomen. Johannes legde de klem meer dan zijn voorgangers in de prediking. Hij riep ze op om niet lijdelijk af te wachten, in een hoekje nog eens rustig te gaan zitten overwegen, maar in actie te komen. En Johannes' optreden goed beluisterend, zijn forse stem in gedachten horende en zijn woeste baard driftig te zien bewegen bij het herhaaldelijk openen van zijn mond, moet die prediking als 'geweld' op zich zijn geweest. Johannes pleegde geweld op zijn toehoorders. Duidelijk, want anders was alles bij het oude gebleven. Hij riep ze op om – als ze ook maar enigszins twijfelden aan hun behouden aankomst in de hemel – desnoods geweld te gebruiken. Het was een zaak van leven op dood! Wat zou je graag zo'n prediker in je gemeente hebben, niet waar? En als je zo'n prediker door genade mag hebben (voor een tijdje in bruikleen van de hemel), wat gun je die dan aan de hele kerk?!

Geweld plegen om tot Gods Koninkrijk te geraken. De kernvraag in mijn bijbelstudie van destijds was: "Wat merkt de hemel ervan dat u een christen bent?" Want dat geweld beperkt zich niet alleen tot het feit van 'zelf tot dat Koninkrijk geraken', maar ook tot het feit 'opdat anderen ertoe zullen geraken'! Iemand uit mijn eigen gemeente verweet mij eens dat ik haar bijna dwong te gaan geloven. Dat was geen prettig verwijt en toch een groot compliment. Weliswaar kunnen wij mensen niet een ander niet zaligmaken en toch worden we geroepen zó krachtig te werk te gaan alsof het van ons afhing (zonder uit het oog te verliezen dat het God is Die de wasdom geeft). Nou… ga maar aan de slag.

Geweld op

Hiervoor citeer ik uit mijn bijbelstudie van destijds:

In zijn boek 'Christenreize naar de eeuwigheid' beschreef John Bunyan het volgende voorval:
“Ik zag ook, dat UITLEGGER CHRISTEN weer bij de hand nam en in een zeer vermakelijke plaats bracht, waar een schoon paleis gebouwd was; en CHRISTEN was daar zeer mee ingenomen. Op de top van het paleis zag hij enige personen wandelen, die geheel in het goud waren gekleed. Hij vroeg dan aan UITLEGGER, of zij daar wel mochten binnengaan? UITLEGGER greep hem bij de hand en bracht hem opwaarts, tot aan de deur van het paleis; en zie, aan de deur stond een grote menigte mensen, allen, zo het scheen, zeer begerig om in te gaan, maar zij durfden niet. Daar zat ook, een eindje van de deur af, een man aan een tafel, met een boek en een inktkoker voor zich om de namen op te schrijven van hen, die ingingen; hij zag ook, dat in de ingang tot de deur vele gewapende mannen stonden, om die te bewaken, en wie er door wilden gaan, zoveel schade en leed te doen als zij maar konden. Hierover was CHRISTEN niet weinig verbaasd. Terwijl intussen iedereen terugging uit vrees voor de gewapenden, zag hij ten laatste ook een man van een zeer kloekmoedig voorkomen tot de schrijver naderen, en zeggen: “Mijnheer, schrijf mijn naam eens op.” Toen deze dat gedaan had, zag CHRISTEN, dat hij zijn zwaard aangordde, een helm op zijn hoofd zette en zich naar de deur wendde, recht op de gewapende mannen aan, die hem met een dodelijke woede weerstonden. Maar de man, hierdoor in het minst niet ontmoedigd, viel op hen aan, hakkende en snijdende zeer verwoed. Nadat hij nu vele wonden ontvangen en ook gegeven had aan hen, wier oogmerk het was hem buiten te houden, nam hij zijn weg recht tussen hen allen door en drong het paleis binnen waaruit hij de nodiging hoorde van hen die al binnen waren en op de top wandelden, zeggende:
Kom toch, ei, kom toch in:
En ’s hemels heerlijkheid
Wordt tot in eeuwigheid
Voorzeker uw gewin.
Toen ging hij naar binnen en werd gekleed in net zo’n gewaad als zij allen droegen. CHRISTEN begon wat te lachen en zei: “Mij dunkt, dat ik wel weet, wat dit betekent; laat mij nu ook daarheen gaan.”


In zijn boek ‘Blikken in Bunyan’s Pelgrimsreize’ merkt ds. J.H. Gunning JHzn – (ooit predikant in de Sint Jan van Gouda) neef en naamgenoot van de schoonhovense ds. J.H. Gunning EBzn – op:
 
“De bedoeling is duidelijk. Beslistheid is noodig. Dat was zoo in de zware dagen, waarin Bunyan zijn Pelgrimsreize schreef, toen duizend vijanden zich legerden rondom een man, die God naar Zijn Woord en volgens zijn geweten wilde dienen; en zoo is het nog in onze dagen, waar wereldzin en verflauwing der grenzen de kloeke, beginselvaste belijders o zoo zeldzaam doen zijn. Christen moet het leeren dat alleen wie volhardt tot het einde toe, de overwinningskroon behalen zal. … Ja, waarlijk, het is geen kleinen zaak het koninkrijk der hemelen of den hemel zelven binnen te gaan. Niemand wane, dat – al onderhoudt Christus het vuur tegen de waterstroomen des vijands – de geloovige niet zou hebben te kampen om het kleinood des geloofs te verwerven. Alleen wie volhardt, die bereid is moedig en beslist ’s Heeren zijde te kiezen, kan toegang verkrijgen. En daarom ook wordt de man, die hier optreedt, beschreven als iemand ‘van een zeer moedig voorkomen.’ Genade maakt niet laf en weifelend, maar kloek en beslist. De moeilijke plaats Matth. 11:12 wordt door prof. Van Leeuwen aldus vertaald en toegelicht: ‘Het koninkrijk der hemelen breekt zich met kracht baan en stoutmoedigen grijpen het; wie met kracht er naar grijpen, verwerven het.’ Laat ons het nimmer vergeten, lezers! Dat wij in deze gevaarlijken tijd, waarin alles er op uit is om ons met de stroom te doen àfvloeien, alleen door een eerlijke, welbewuste keuze onze roeping en verkiezing vast kunnen maken.”
Bijzonder valt de link op, die ds. Gunning legt met de Bijbeltekst van vanavond. Eveneens valt het op dat hij onderscheid maakt tussen ‘het koninkrijk der hemelen’ en ‘de hemel zelf’. Dat is namelijk niet helemaal precies hetzelfde. Reeds in dit leven moeten wij gaan behoren tot het Koninkrijk der hemelen, willen we de eigenlijk hemel ooit daadwerkelijke binnen kunnen gaan. Christen, uit Bunyans, was in dit deel van het verhaal ook nog lang niet in de hemel. Maar het liet hem wel zien, op welke manier hij er komen moest. Tot het Koninkrijk der hemelen behoren allen die eenmaal de hemel zullen binnengaan. Zij ervaren nu al iets van de heerlijkheid, die dán volkomen zal zijn.
Misschien vindt u dat wel een mooie gedachte: de hemel binnengaan. Toch zou dat erg tekort doen aan de zaligheid, als we alleen maar naar de hemel willen gaan. Die hemel is ten diepste – zo zei ds. Maas het bij de rouwdienst van Anton den Besten – leeg en doelloos als de drieënig God daarin ontbreekt. Met eerbied: die hemel is maar bijzaak. De zaligheid bestaat niet in het in de hemel zijn; en al helemaal niet in het díe of díe geliefde weerzien. Nee, de zaligheid bestaat uit het volmaakt, zondeloos, de HEERE behagen en bedoelen in alles. De zaligheid is niet, dat u en ik niet in de hel komen, maar dat de HEERE eindelijk en eindeloos de eer ontvangt die Hem sinds Genesis 3 is ontnomen door u en mij.
Wie dus als een strijder – om bij het beeld van Bunyan te blijven – slechts uit angst voor de hel strijdt, zal het vroeg of laat moeten afleggen. En wie uit een oppervlakkige bewogenheid naar de hemel verlangt, zal nooit dat geweld bezitten dat nodig is om te volharden. Nogmaals die vraag: “Wat merkt de hemel ervan dat u een christen bent?” Wat wordt er in de hemel gesignaleerd van uw en mijn geweld?

donderdag 3 maart 2016

Hoe goed kennen we Jezus nu eigenlijk?

Wat heeft de kennis in onze boekenkasten ons gebracht over Jezus Christus?
"Voorwaar zeg Ik u: Onder degenen die van vrouwen geboren zijn,
is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper;
doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij."

Mattheüs 11 : 11

Dat contrast tussen meerder en minder komen we wel vaker tegen in de Bijbel; evenals het contrast tussen de meeste en de minste willen zijn. Jezus spreekt hier tegen de schare – en niet tegen Johannes' discipelen – waarbij Hij Johannes de hoogste plaats in de rij van de profeten geeft en tegelijk maakt Hij Johannes weer heel klein in zijn twijfel.

Merkwaardige paradox

Dat Johannes de Doper de meest gezegende profeet van de oude bedeling was, zullen we wel kunnen beamen. Hij stond in een lange traditie en putte uit een grote bron aan profetieën. En van al die profeten was alleen hij degene die de voorzegde Messias met eigen ogen heeft mogen zien. Jezus zei al eens tegen Zijn discipelen dat Abraham had begeerd de dingen te zien die zij zagen. Abraham had Jezus' dag van verre gezien, maar nog niet in de vervulling zien gaan! Johannes wees als laatste heen en zag als eerste de vervulling van de eeuwenlange beloften voor zich: Jezus Christus, Gods Zoon.
Echter, hoe bevoorrecht Johannes ook was, Jezus stelt hem onder de minste in Zijn Koninkrijk. En de Kanttekeningen merken hier iets heel vreemds op. Als zou Johannes uiteindelijk toch niet zo'n breed zicht hebben gehad op de Messias, als de verst verwijderde profeet. De oude profeten hadden eigenlijk een veel bredere blik; Johannes zag Jezus van heel dichtbij en miste het totaaloverzicht. Het verwarde hem nu hij de beloften in vervulling zag gaan. Ze werden zo anders vervuld dan hij had verwacht. Met al die voorrechten lijkt hij haast achterin de rij te staan.
Maar daarmee is ook weer niet alles gezegd, want Jezus zegt dat Johannes niettemin de meeste is van allen die uit een vrouw zijn geboren. En dat zijn toch immers alle mensen? Heel specifiek doelde Hij natuurlijk op de profeten.
Het was maar goed dat Johannes déze woorden van Jezus niet zelf heeft gehoord; hij noch zijn discipelen. Het zou hen nog meer verwarring hebben gegeven.


Aangrijpende tegenstelling

Je zou de tekst van vandaag misschien kunnen wegschuiven als een wazige, vage tekst. Toch zit er voor ons vandaag een heel scherpe boodschap in. Naar mate de vervulling van de belofte dichterbij kwam, werd de profetie schaarser. Men verwees graag naar oude profetieën en citeerde dingen van eeuwen her. Men staafde eigen inzichten met woorden die uit zijn verband werden gerukt. Het beeld van de komende Messias was zo vertekend, dat niemand Hem meer kende toen Hij werkelijk kwam. Toen we Hem aanzagen had Hij niet de gestalte die wij begeerd zouden hebben. Wij hadden er een heel andere voorstelling van. Het viel eigenlijk wat tegen. Begrijpelijk dat er zoveel kritiek op Jezus was, want Hij voldeed niet aan het verwrongen beeld dat was ontstaan door de eeuwen heen.
Ook vandaag de dag wordt er veel geciteerd uit een onuitputtelijke bron oudvaders en oude schrijvers. Puzzelstukjes worden pasklaargeknipt en tot een passende puzzel gemodelleerd. Maar hij of zij die het dichtst bij het aanbod van genade staat, is er vaak het verst van verwijderd. De onwetende, de zondaren, de blinden… zij gaan menig degelijk kerklid voor. Zij kennen de ja-maars niet of nauwelijks. Zij luisteren onvoorwaardelijk en bepaald niet zelfingenomen. Zij hebben geen boekenkasten vol met kennis. Wij wel, maar wat heeft ons dat aan kennis over onze Heiland opgeleverd? Zijn we Hem beter gaan kennen?
De vraag aan ons als reformatorische kerkmensen is dan ook: Hoe goed kennen we Jezus nu eigenlijk? Of staan we achterin de rij? Of – erger nog – staan we met stapels boeken en massa's kennis gewoonweg buiten de rij?

woensdag 10 februari 2016

Als je Johannes een profeet noemt… wat dan?

De profeet Maleachi, geschilderd door Duccio di Buoninsegna; (1308-1311)


"Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.
Want deze is het van denwelken geschreven staat:
Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen."
Mattheüs 11 : 9-10

Jezus is Meester van allen. Zo is Hij ook meester in discussies. Elk woord is enorm wijs gekozen. Het lijkt alsof er zomaar een rijtje wordt afgeroepen: "heen en weer wuivend riet, mens met zachte klederen, profeet", maar elk van die is bewust gekozen. Zo ook het woord profeet. Dat was voor de omstanders en toehoorders een zwaarbeladen woord: profeet!

De derde van de trits

Als derde in het rijtje noemt Jezus 'profeet'. "Wat komen jullie hier doen? Een wervelde prediker beluisteren? Een erudiet prediker aanhoren? Een visionair prediker bewonderen?" Ja, als het die twee vorige opties niet waren, zijn jullie hier dan vanwege het feit dat Johannes een profeet is? Profeet. Dat was Johannes inderdaad; de laatste (als je Jezus even buiten beschouwing laat). Johannes was de grensfiguur, de overgangsambtsdrager van profeet tot prediker. De priesterzoon die het ambt van priester vaarwel zei en doper en prediker werd. Hij was de portier van het Nieuwe Testament. De mensen hebben dat niet goed beseft en toch… en toch zagen ze iets bijzonder in hem. En precies daar gaat Jezus nu op in.

De gewichtigste titel

Profeet is een gewichtige titel. Met een ferme streek tekent Jezus hem uit vanuit de reeds vier eeuwen zwijgende profetieën als Hij Maleachi citeert: "Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen." Door een gewichtig profeet te citeren hangt Hij gewicht aan Johannes' persoon en optreden. En met dit citaat plaatst Hij indirect Zichzelf in het midden. Immers, Johannes is degene die Iemand voor zal gaan, voor gegaan is zelfs! Want hij zit in de gevangenis. En Jezus sluit hier ook aan bij de profetie van Johannes' vader Zacharias, die bezong: "En gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heeren, om zijn wegen te bereiden, om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien, om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes."
Met het noemen van de titel 'profeet' vat Jezus Johannes' ambt samen. Hij voorzag dingen: de komst van de Messias (al was het beperkt). Hij was tegelijk ook prediker; dat is ook de betekenis van profeet. Hij is een vertolker van Gods wil of woord. Elk woord dat Johannes sprak wat niet uit zijn duim gezogen, maar door Gods Geest ingeblazen. Dat gaf hem ook zo'n gewicht in zijn oordeel. Dat besef mag bij ons best weer eens meer doordringen.

Het zwaarste oordeel

Welnu, er zal geknikt zijn misschien, toen Jezus Johannes een profeet noemde. Ja, hij droeg een kamelenharen mantel. Hij had een opzienbarende levensstijl, haaks op de elite in Jeruzalem. Zijn woorden waren scherp, hard en met macht. En hij had het aldoor maar over de Messias, de bijl, de wan en bekering. Maar wat nu, als Johannes ook echt een profeet was? Wat nu als hij juist die profeet was, die Maleachi voorzag? Jezus citeerde slechts de woorden waar hij engel wordt genoemd. Maar Maleachi noemde hem ook Elia. En dat sloeg in!
Als hij dus werkelijk een profeet was – zoals Jezus Zijn toehoorders wilde laten concluderen – waarom hebben ze hem dan niet geloofd? En als hij dan werkelijk die profeet was die Maleachi had voorspeld, waarom geloofden de mensen Jezus dan niet, voor Wiens aangezicht deze Johannes was heengegaan?
Een preek naast je neerleggen is altijd een mogelijkheid. Maar besef je ook wat je dan naast je neerlegt? Een preek bekritiseren is altijd een optie, maar besef je ook hoe je dat doet? En als die preek terecht bekritiseerd wordt, krijgt dat dan gevolgen? En als een prediker zijn roeping niet verstaat en een rommeltje maakt van zijn preek of een huis-tuin-en-keuken-praatje houdt, dan mag hij daar toch op worden aangesproken? Het is niet om het even hoe we luisteren, het is niet om het even hoe we preken. Het gaat erom: wat doen we met Hem, voor Wiens aangezicht predikers uitgaan… de weg bereidend!

zaterdag 30 januari 2016

Wat zoek je hier bij deze (s)preker?

John Knox preekt ten aanhore van de 'Lords of the Congregation', 10 juni 1559;
getekend door Sir David Wilkie, 1832


"Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? 
Ziet, die zachte klederen dragen, zijn in der koningen huizen."
Mattheüs 11 : 8

Wat is je motief om uit te gaan naar (s)prekers? Wat drijft je om juist hén uit te kiezen? En waarom blijf je niet thuis in je eigen gemeente? Volgens mij gaat het daar ook over op de komende MannenBijbelstudieVerenigingsavond in Schoonhoven. In ieder geval komt deze vraag bij me boven, als ik de tekstwoorden van vandaag lees. Ik ga er nu over nadenken, een rondje lopend buiten in de regen. En ik vraag me onderwijl af: Welke opbouw zit er in Jezus' woorden? Wat wilde Hij met deze vraag in die dagen uitlokken? Wat wil deze vraag vandaag zeggen?

Welke opbouw zit er in Jezus' woorden?

'Het Boek' vertaalt onze tekst als volgt: "Of dacht u iemand met dure kleren te zullen zien, zoals aan het hof van een koning?" Dan zou Jezus voor mogelijk houden dat de mensen waren gekomen om een nieuw soort farizeeër of misschien wel een koninklijk gezant te zien. Dat laatste was Johannes zeker, maar niet in de betekenis van wat Jezus hier dan zou veronderstellen.
Toch denk ik dat Jezus met vers 7, 8 en 9 vooral een schakering aandraagt over de inhoud van Johannes' prediking. Wat is jullie motief om juist hier te komen en niet in Jeruzalem te blijven? Had je wervelende woorden of hoogdravende volzinnen verwacht? Kwam je om wat moois, wat nieuws, wat aan(s)prekends te horen? Kwam je voor de hype, de kick? Of kwam je om interessante betogen te horen, zoals je gewend bent van de schriftgeleerden en farizeeën in Jeruzalem? Haarkloverijen en spitsvondigheden? Of kwam je, vers 9, om een profeet te horen orakelen over de toekomst?
Nou op dat laatste gaat Jezus dieper in, maar dan wel op een andere manier dan de mensen zouden verwachten. En het is niet ondenkbaar dat Johannes' populariteit daarom ook afnam en zijn naam in vergetelheid geraakte (mede omdat hij reeds in de gevangenis zat). Alleen een figuur als Herodes zou hem nog lang herinneren!

Wat wilde Hij met deze vraag in die dagen uitlokken? 

Als de Heere Jezus Zijn hoorders bewust wilde maken van hun motieven om te komen luisteren, dan moet Hij er velen hebben teleurgesteld. En ik denk dat Hij dat vandaag de dag opnieuw zou doen.
Om bij de tekst te blijven: wat bedoelde Jezus met 'zachte klederen'? De Kanttekeningen omschrijven het als 'kostelijke en sierlijke' klederen. Johannes kleding (letterlijk dus) was van kamelenhaar. En een kleed van dierenhaar, dat je dag in dag uit draagt in de woestijnhitte, gaat rap stinken. Als de mensen, omwille van Johannes' uiterlijk waren gekomen – doordat ze de term 'kemelsharen mantel' hadden horen noemen door hun medeburgers uit Jeruzalem – dan waren we allerminst gekomen om iemand te ontmoeten met 'zachte klederen'. Dus dat kan Jezus' bedoeling met die woorden niet zijn geweest. Ze moeten hebben geweten dat daar een soort kluizenaar met niet fris ruikende kleding stond te preken. Een man uit de wildernis is namelijk geen paleisbewoner!
Het moet dus gegaan zijn over de inhoud van Johannes' woorden. Zacht, sierlijk, duur. Taal uit de high society. Johannes was immers een priesterzoon en zou een goede opvoeding en ontwikkeling moeten hebben gehad. Wat zou hij te zeggen hebben?
Wel, Jezus vraagt het: Jullie zijn toch niet gekomen met de illusie dat je strelende woorden zou horen? Je wist toch wat je zou kunnen verwachten? En uit Zijn andere woorden over Johannes blijkt dat Hij hen ook nog eens de vraag voorlegt: waarom heb je hem dan toch niet geloofd? Waarom heb je zijn woorden niet serieus genomen?

Wat wil deze vraag vandaag zeggen?

Nog even kort naar ons, vandaag. Waarom ga je naar de kerk? Wat verwacht je te horen? Of verwacht je niets? Waar leg je de lat tijdens de preek? Je verwacht toch geen schaap met vijf poten. En… waarom handel je daar dan niet naar? Waarom blijf je onbekeerd? Of waarom blijf je vol aversie? Of waarom irriteer je je aan terechte terechtwijzingen? Johannes preekte bepaald niet oorstrelend en bol-aaiend. Jezus ook niet trouwens. Ik vrees dat menig predikant vandaag de dag niet zo scherp meer durft te zijn… en tóch zoveel commentaar? Of kan het misschien tóch terecht commentaar zijn, omdat sommige predikers vandaag de dag liever 'wuivend riet' zijn en 'zachte klederen' dragen?

vrijdag 22 januari 2016

Met een vraag van je meester bij de Meester



"En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, 
hetgeen gij hoort en ziet: de blinden worden ziende,  en de kreupelen wandelen;
de melaatsen worden gereinigd,  en de doven horen; de doden worden opgewekt,
en den armen wordt het Evangelie verkondigd."
Mattheüs 11 : 4-5

Hoe voel je je als leerling, wanneer je met een prangende vraag van jouw meester naar een andere leraar wordt gestuurd. En hoe voel je je als leerling, als jouw meester twijfelt aan de missie van die leraar aan wie jij diens vraag moet stellen? Hoe voel je je als ambtsdrager als jouw predikant het zich op God kwijt is en jij namens hem aan de HEERE om geloofszekerheid moet vragen?

Jezus' houding

Nog voor ze bij Jezus waren, had Hij ze al zien komen. Hij wist van Johannes' vertwijfeling. En zou het niet heel goed zo moeten worden gezien, dat Jezus Zelf de discipelen gebruikte om Johannes te vertroosten. Soms kijken wij naar één kant van de werkelijkheid, maar houden geen rekening met de Almachtige. Middelijkerwijze… Zo werkt de HEERE doorgaans nog. Daar moet je oog voor krijgen. Juist als het moeilijk wordt helpt de HEERE vaak middelijkerwijze. Als we uiteindelijk Zijn hand er maar in blijven zien.
En hoe ontvangt Jezus het tweetal? Hij geeft hen gehoor, luistert naar hoe zij Johannes' probleem verwoorden. "Onze meester laat vragen: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?" Verwachtingsvol kijken ze Jezus aan. Of… zou het ook met enige schroom en schaamte zijn? Ik weet het niet.
Als deze discipelen van Johannes reeds kennis hadden gemaakt met Jezus, dan zal hun vraag heel vreemd hebben geklonken. Daarom zijn het waarschijnlijk discipelen die Jezus nog niet volgden. Als het echter tóch wel zo was dat ze Jezus reeds volgen, dan zullen ze waarschijnlijk hebben gevraagd: "Heere, vertel ons met welke woorden we onze meester kunnen bemoedigen?" Verlegen om woorden ter bemoediging. Dat kan gebeuren. Ook daarvoor zijn ze bij Jezus aan het goede adres.
Hoe het ook zij, ze krijgen antwoord, maar geen direct antwoord. Ze moeten leren om te luisteren, te kijken én juiste conclusies te trekken.

Jezus' antwoord

Het was voor Filippus ook tamelijk lastig geweest om een wetenschapper als Nathanaël te overtuigen van de waarheid de gekomen Messias. Je kunt nog zo overtuigd zijn en enthousiast klinken, woorden overtuigen lang niet altijd. En dat kan heel frustrerend zijn. Wat Jezus doet is misschien wel een goed advies voor ons vandaag: Hij gaat niet in discussie om met een omhaal van woorden en bewegelijke bewoordingen aan te tonen dat Hij het inderdaad is Die was voorzegd.
Zo ging Hij ook om met de Emmaüsgangers: Hij stelde vragen en liet hen antwoorden. Op die manier legde Hij hen de Schriften uit, opende die voor hen en liet hen zelf de conclusies trekken. Hoe heilzaam! Want daarmee gaf Hij hen direct voldoende tools in handen om er later nog eens op terug te komen. Om het zelf te zien en te ontdekken en te kunnen nalezen. Zeer waardevol.
Geloven is geen copy-paste actie, maar een weloverwogen en vast gefundeerd weten, op basis van Gods Eigen Woord. En zo kunnen we ook biddend tot God gaan: "HEERE hier staat het, U hebt toch beloofd …?"
Zei Filippus tegen Nathanaël, om een einde te maken aan wetenschappelijke discussies, "Kom en zie!", Jezus zegt tegen de twee discipelen van Johannes: "Luister en kijk goed, vertel dát aan Johannes en leg daar het Woord maar naast! En let dán maar eens op tot welk inzicht Johannes zal komen."
Het was dus zeer belangrijk hóe goed dit tweetal zou luisteren en kijken, zodat Johannes uiteindelijk nauwgezet zijn conclusies kon trekken en zekerheid terugkrijgen. In zekere zin luistert het dus nauw; tegelijk moeten we niet in een wettische kramp geraken.
Op deze manier maakt Jezus Johannes los van 'wat hij voelde, beleefde, dacht en vermoedde', en bracht Hij hem terug bij het Woord. Jezus' antwoord was geen spiritueel gebazel, maar het sneed hout! "Kijk zelf maar, daar staat het, in de profetieën!

Jezus' beproeving

Laten we eens goed opletten wát Jezus nu vanuit het Woord aanreikt:
1. de blinden worden ziende;
2. de kreupelen wandelen;
3. de melaatsen worden gereinigd;
4. de doven horen;
5. de doden worden opgewekt;
6. de armen wordt het Evangelie verkondigd.

De Kanttekeningen verwijzen ons terecht naar Jesaja 35 : 5-6, waar staat: "Alsdan zullen der blinden (1) ogen opengedaan worden, en der doven (4) oren zullen geopend worden. Alsdan zal de kreupele (2) springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen…"
Ook verwijzen ze naar Jesaja 29 : 18-19 waar we lezen: "En te dien dage zullen de doven (4) horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden (1), zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. En de zachtmoedigen (6) zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in den Heilige Israëls verheugen."
Vervolgens ligt er nog een link naar Jesaja 61 : 1 waar Jesaja mag uitroepen: "De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen (6); Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis…"
En in Jesaja 26 : 19 lezen we nog: "Uw doden (5) zullen leven…" Met name dit laatste hoofdstuk handelt over Gods oordeel en gramschap en hoe de verdrukten door Hem worden beschermd. Over de zekerheid dat niet alleen fysiek doden, maar ook geestelijk doden zullen opstaan op Gods stem en Hem zullen zien.
Zeker bij Jesaja 61 zou Johannes hebben doorgelezen: "De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods…"
 Die dag van wraak had hij gemeend te zullen zien komen bij de komst de Messias. En had Jezus niet Zelf in de synagoge deze tekst genomen en daarover gezegd: "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld"? Zou Johannes dat geweten hebben?
Juist dat 'jaar van het welbehagen des HEEREN' sprak Johannes zo aan en hij meende dat dát was aangebroken. Maar… wat zag je er van? En die dag van wraak? Kwam dat nog?

Er is echter nóg iets dat hem zou hebben vervuld met verlangen: zou deze Jezus – conform deze profetie – hem, die een gevangene was, nu vrijheid komen geven? Zou Hij voor Johannes de gevangenisdeuren gaan openen? Het is merkwaardig dat juist deze woorden door Jezus verzwegen worden. Het moet Johannes aan het denken hebben gezet. Het heeft hem op de proef gesteld.
Als God Zijn beloften niet helemaal uitvoert… wat zou dat dan betekenen? Dat zijn belofte wellicht in delen vervuld zal worden? Dat Hij op de proef stelt en toerust om te vertrouwen.
De HEERE handelt niet op onze wenken, en ook niet op onze tijd. Toch vervult Hij al Zijn beloften. En juist in die context is het een aangevochten ziel soms even teveel. Evenwel is het kruis dat Hij oplegt te dragen, ook al vrees je te bezwijken. Hij is erbij, zelfs in de donkerste krochten van een gevangenis, in het paleis van Herodes!

donderdag 21 januari 2016

Als twijfel de boventoon voert

Twijfel is een tegenhanger van Geloof


"En zeide tot Hem: Zijt Gij Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?"
Mattheüs 11 : 3

Het hoge woord is eruit. Je vraagt je af of Johannes zich deze vraag niet al eens eerder heeft gesteld. Is deze twijfel echt pas hier in de gevangenis ontstaan? Johannes had vol vuur gepreekt over de Messias van Wie hij zeker wist dat hij geboren was. Elisabeth en Maria zullen zeker contact gehouden hebben; wellicht elkaar nog eens bezocht hebben toen Jozef en Maria korte tijd in Bethlehem bivakkeerden. Dus concreet was Johannes op de hoogte van het bestaan van Jezus (met naam en toenaam!).

Elisabeths lofzang

Dat aspect wil ik nog wel even vasthouden. Het is niet bekend wanneer Zacharias en Elizabet zijn overleden. Gezien het feit dat ze al op leeftijd waren (tussen de 45 en de 65 jaar) is het goed mogelijk dat Johannes als 'nakomertje na niemand' vrij vroeg wees is geworden. Wellicht is hij bij neven of nichten opgegroeid, maar in die gezinnen altijd een buitenbeentje gebleven.
Echter, waar het mij vooral om gaat is de opvoeding die Elizabet en Zacharias hem hebben gegeven. Ik weet bijna zeker dat ze hem hebben kunnen opvoeden tot hij volwassen werd en zodoende alles wist over zijn goddelijke roeping. Met name Elizabet moet hem hebben verteld over Maria en de drie lofzangen die in hun huisje hebben geklonken. Goed mogelijk dat Johannes ooit een bezoek heeft gebracht aan Maria in Nazareth of Kapernaüm, om over Jezus te horen vertellen.
De woorden die Elizabet gebruikte bij de ontmoeting met de pril-zwangere Maria moeten ergens een plek hebben gekregen in de opvoeding van Johannes. "En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?" Of wat dacht je van de woorden van Maria: "Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid, (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid."
De woorden van de engel aan vader Zacharias zullen hem zeker bekend zijn gemaakt: "Hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk." Johannes heeft (via via) van zijn vader echt wel te horen gekregen wat zijn roeping precies inhield.
En juist nu, hier in de gevangenis wordt het voor Johannes moeilijker te leven bij de herinneringen aan de woorden van zijn ouders. Ze zijn niet meer bij hem en hun woorden (Gods beloften) staan niet meer zo tastbaar voor hem.

Johannes' treurzang

Het gevolg van deze kwetsbare situatie is een treurzang. Johannes uit zijn onzekerheid door vertwijfeld te vragen: "Bent U nu Degene die zou komen (de Messias) of moeten we toch naar Iemand anders uitkijken en bent U net als ik slechts een gezant en wegbereider voor Hem?" Immers, Johannes kon niet weten dat hij de enige wegbereider zou zijn. Hij kon het hooguit vermoed hebben; wij staan achter de zaken en kennen de verbanden van de geschiedenis.
Het contact met zijn leerlingen geeft geen bevredigend antwoord op zijn vragen. Hij heeft behoefte aan een antwoord van iemand die op zijn eigen niveau staat of op een hoger plan. Immers, Johannes was voor zijn leerlingen altijd de vraagbaak geweest; nu is hij zelf op zoek naar een Vraagbaak.
Ik heb een oudere ambtsdrager wel horen verzuchten dat 'ze' allemaal zijn weggevallen, bij wie hij om antwoorden en raad ging. Ik antwoordde hem dat hij nu volop zelf vraagbaak, steun en toeverlaat was geworden voor jongere ambtsdragers. Dat besef gaf een doorbraak in zijn denken.
Niettemin kun je soms uitzien naar broeders/zusters en ouderen met wie je op eenzelfde of hogere golflengte praat, in plaats van met omstanders die juist bij jou komen met hun vragen en problemen. Al meer begrijp ik die oudere ambtsdrager en broeder beter.
De verwarring in Johannes' denken – en dat moet toch ook worden gezegd – wordt niet alleen gewekt door een verschil van inzicht. Laten we beseffen dat satan ook niet stilzit. Johannes, die door Romeinen en farizeeën niet uit het veld te slaan was en soms onverschrokken tekeer ging, is geen halfgod. Hij is een mens van vlees en bloed, met wellicht een puike wapenrusting, maar ook daarin zitten zwakke plekken. Wat is hij daarom bij Jezus aan het goede Adres! Juist als twijfel de boventoon gaat voeren!

woensdag 20 januari 2016

Jezus’ werken bemerken en toch twijfelen

Johannes in de gevangenis zit vol twijfels over Jezus


"En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus,
zond twee van zijn discipelen…"
Mattheüs 11 : 2

Johannes Uijtenbogaert, naamgenoot van de Doper en opvolger van Arminius als voorman der Remonstranten, heeft door de kerkelijke strijd van die dagen een sticker op zijn hoofd gekregen die theologisch juist was, maar die een zeer merkwaardige oorzaak had. De kwestie tussen Remonstranten en Contraremonstranten maakte dat Uijtenbogaert moest vluchten voor zijn leven. Hij was om zijn leer niet meer welkom. Maar wat lag er ten diepste ten grondslag aan deze verbanning? Uijtenbogaert was hofprediker en had Prins Maurits – die wij als held zo hoog hebben staan – gewezen op diens levenswandel. De prins hield er op sexueel gebied een tamelijk losbandig leven op na en had diversen bastaardkinderen in zijn omgeving rondlopen, terwijl hij nooit getrouwd is geweest! De grimmige haat over Uijtenbogaerts terechtwijzing uitte zich in een theologisch conflict, waardoor hij op theologische gronden verbannen werd. Eenzelfde lot wachtte Johannes de Doper. Evenals Jozef in het gevang (uit de film over zijn leven), heeft hij wellicht uitgeroepen: "Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?"

Bevelen geven

Gaf Jezus in het voorgaande hoofdstuk Zijn bevelen, Johannes geeft in onze dagtekst ook een bevel. Laten we nog even kort teruggaan naar het vorige hoofdstuk. Waar bestonden die bevelen uit?
  • Jezus stuurde Zijn jongeren heel specifiek naar de Joden en niet naar de Samaritanen of naar de heidenen (vers 5-6);
  • Omdat ze midden tussen de wolven werden uitgezonden (let op dat Hij juist de Joden wolven noemt!), moesten ze zo voorzichtig als de slangen zijn en zo oprecht als de duiven (vers 16);
  • Als ze zouden worden overgeleverd aan het kerkelijke of wereldlijke gericht, dan moesten ze zich niet druk maken over wat ze moesten zeggen, want de Heilige Geest zou hen woorden geven (vers 17-20);
  • Ze moesten beseffen dat ze niet méér waren dan hun Meester en om die reden zouden ze verdrukking moeten ondergaan: Jezus volgen brengt haat met zich mee (vers 24-25);
  • Ze moesten niet bang zijn voor de mensen die slechts het lichaam slechts konden te doden. Ze moesten God vrezen, Die zowel lichaam als ziel kan verderven. Tegelijk mochten Jezus' troostwoorden over Gods zorg voor musjes hen juist versterken in die dagen (vers 28-31);
  • Ze moesten leren dat het beeld dat door de eeuwen heen door toedoen van de dwaalleer der godsdienstige leiders over de Messias was geschapen, niet klopte met Wie Jezus werkelijk was: "Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard" (vers 34).
Met name de verwarring rond dit laatste punt zien we bij Johannes in de gevangenis post vatten. Daarom geeft ook hij zijn bevelen. Hij roept twee discipelen (waren het Johannes en Jacobus of twee andere van zijn discipelen die Jezus juist nog níet volgden?) en stuurt ze met deze brandende vraag naar Jezus. Hij brengt zijn vragen en twijfels aan het juiste adres. O, wat ben ik blij dat ik deze grote prediker hier zó aantref in de gevangenis. Ook hij kende momenten van twijfel en aanvechting. Wat is de satan juist ook in de afzondering listig en gemeen! Hoe goed is het om in tijden van aanvechting en twijfel contact te blijven houden met anderen die met je mee kunnen bidden en vechten. Hoe belangrijk is het dus échte geestelijke vrienden te hebben en niet alleen gezelligheidszoekers en lozepraatjesmakers als kring om je heen te hebben!

Wonderen werken nog geen geloof

"Als ik nou eens een briefje uit de hemel kreeg, dan, ja dan zou ik wel geloven." Ik vraag het me werkelijk af. Wonderen hebben niet per definitie het effect van geloof en bekering. Johannes hoorde (!) van Jezus werken. Dit betreft "wondertekenen of mirakelen", aldus de Kanttekeningen. Maar het zijn juist deze tekenen die Johannes aan het twijfelen brengen. Ze kloppen niet met het plaatje dat hij op zijn geestelijk netvlies had zitten.
Hij had het aldoor gehad over de Messias met de wan in Zijn hand en de bijl bij de wortels van de boom. Johannes leefde in de vaste overtuiging dat de Messias kwam afrekenen. En dat Hij de vrede, de shalom, kwam herstellen in Israël. Dan kon het niet anders of de Romeinen moesten er finaal aan. Ze zouden door diezelfde bijl in stukken worden gehakt. En ze zouden met Gods wan worden weggezeefd uit het verbondsvolk. De dorsvloer zou worden gezuiverd. En laten we wel zijn, daar was geen woord van gelogen, alleen … Johannes vergiste zich was in de tijd, in het moment.
Dat was ook niet zo vreemd, want sinds enkele eeuwen hadden de geestelijke leiders van het volk zulke dingen verkondigd. Daarom konden de farizeeën zo slecht geloven dat Jezus de Messias was. Hij klopte niet in hun plaatje. Ook bij de profeten ligt een deel van Johannes probleem. De meeste profeten zagen Christus' eerste en tweede komst in één moment samenvallen. Hun woorden waren zeker door de Heilige Geest geïnspireerd, maar satan had in de daarop volgende tijd zijn verderfelijk zaad van vertekening gestrooid: "Is het niet zo dat God gezegd heeft dat de Messias dit of dat zou doen en die of die gedaante zou hebben? Nou, wat zie je daarvan?"
De profeten en de ouden uit het Oude Testament hadden gezegd dat de Messias vrede zou aanbrengen. Maar Jezus geeft nota bene aan dat Hij níet gekomen is om vrede te brengen op de aarde, maar veeleer verdeeldheid.

Echter… een vraag stellen aan Jezus kan zomaar licht laten vallen op duistere plaatsen in het Woord. Let maar eens op wat er in de komende teksten gaat gebeuren. En ook Johannes mocht in al zijn aanvechting weten en ervaren dat hij vele musje te boven ging. Ook zijn haren waren allen geteld en de Vader ging hem weldra thuishalen. Inderdaad door een bijl- of zwaardslag. Zo hij gepreekt had, kwam hij aan zijn eind. Maar hij mocht ingaan in de vreugde zijns Heeren: "Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld" (Mattheüs 25 : 34b). Met de val van de bijl viel tegelijk het kwartje voor Johannes!

maandag 21 september 2015

Kwijnen of ruimte geven?




Hij moet wassen, maar ik minder worden.
Johannes 3 : 30

Hoezo moet ik minder worden? Jezus kan toch ook wel gewoon de meeste aandacht krijgen zonder dat ik zo nodig minder moet worden? Wat zijn dit voor negatieve, denigrerende woorden? Behoren ze tot het soort theologie waarbij de mens, die toch vooral niets kan, actief zich moet verlagen tot diep in de modder? Hoe persé noodzakelijk is mijn minderworden? Moet ik mezelf psychisch helemaal afbreken? … Luister maar eens en lees vooral goed wat er staat; en zie wat er niet staat.

Jezus moet groeien

Groei is een gezond natuurprincipe dat God heeft ingesteld. Maar… wanneer? Na of voor de zondeval? Ik vermoed: erna. Groei omvat het principe van onvolmaaktheid, het worden wat je nog niet bent. Mijn eerste vraag is dan toch direct: was Jezus niet volmaakt? Zeker wel, maar we lezen in de evangeliën dat Hij opgroeide, dat Hij toenam in verstand en dat Hij eveneens toenam in genade/achting bij de mensen én bij God! Hoe goddelijk Hij ook was, Hij had helaas niet vanaf dag 1 in deze wereld alle aandacht en aanbidding, die Hij wel in de heerlijkheid van Zijn Vader had. Mag je best eens bij stilstaan.
En in de brieven van Paulus lezen we zelfs dat Hij gehoorzaamheid heeft geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft (Hebreeën 5:8), hoewel Hij de Zoon van God was! Ook daar mag je best je gedachten eens over breken en je eigen gehoorzaamheid ernaast leggen.

Los van de groei die Jezus Zelf heeft ondergaan is het ook zo dat het geloof in Jezus Christus in elke gelovige moet groeien. Christus is niet direct álles en gaandeweg het leven met Hem blijkt Hij nogal eens niet op de eerste plaats te staan. Telkens weer moet Jezus voor ons groeien naar die allereerste plek. Beschamend, niet?


Groei en afbraak

Het is goed even stil te staan bij de begrippen 'wassen' en 'minder worden'. Je mag ze ook vertalen als 'toenemen' en 'afnemen'. Het draait om de plaats die Jezus inneemt. Ouders en overheden, die God boven ons heeft gesteld, hebben een bepaalde positie, ten opzichte van ons. Daaraan hangt ook onze mate van gehoorzamen. Toch staan zij niet op de eerste plek. Zij moeten worden gehoorzaamd, voor zover dat geen afbreuk doet aan de gehoorzaamheid aan God Zelf.
De persoon en het werk van de Heere Jezus moet het allerkostbaarste voor ons zijn. Het moet in ons persoonlijk leven altijd weer helder en scherp in het zicht blijven. Dat we geen andere dingen op de eerste plek in ons leven zetten. En hoe gemakkelijk doen we dat helaas tóch?!
Maar in deze tekst gaat het niet alleen daarover. Dit is een uitspraak van Johannes in de context van het ambt dat hij bekleedt. Lange tijd had híj alle aandacht gehad en kwamen de mensen naar hém luisteren, lieten zich door hém dopen en volgende hém. Maar dat kon en mocht niet zo blijven. Ze moesten niet bij de vriend van de Bruidegom blijven steken, maar ze moesten verder, naar Jezus Zelf Ze moesten geen Doperianen worden, maar Christenen! Hem moesten ze dienen, liefhebben en alle eer in hun leven toebrengen. Alleen zo konden verloren levens weer doeltreffende levens worden.
En daaruit voortvloeiend mochten ze ook anderen oproepen om tot Christus te gaan. De jonge volgelingen mochten zaaiers worden, herders zelfs, als ze maar niet in de weg stonden naar Christus toe. Als ze maar niet op de plek van Jezus Zelf gingen staan.


Moet ik afgebroken worden?

Er is wat een vertekening in kerkelijk Nederland gegeven over de woorden 'jezelf mishagen' uit het Avondmaalsformulier. Alsof ik mijzelf moet haten, verachten en verwaarlozen. Een soort moderne zelfkastijding. Hoe verhoudt zich die houding met het feit dat elk mensenleven kostbaar is in Gods oog? Hoe verhoudt zich die houding met het feit dat Jezus Zijn leven wilde afleggen voor vijanden? Of is dit toch een soort tegenprestatie van onze kant, een eigen offertje om God tevreden te stellen of gunstig te stemmen? Ik vrees dat het dat in veel gevallen is geworden. Maar is niet de betekenis van die woorden. Wel is het zo dat je boos kunt worden op jezelf, als je weer, voor de zoveelste keer in zonden gevallen bent. Je kunt meer dan eens verzuchten: Wanneer houdt dat zondigen nou toch eens op?! Zoveel goeds van Gods kant… en dan dit!
Mishagen, ik heb daar al eens eerder op gewezen, is het tegenovergestelde van behagen. Ik behaag mijzelf niet langer… Ik verzaak het mijzelf behagen en schep geen genoegen meer in mijn eigen werken. Daarentegen is dat geen doel op zich. Daarvoor in de plaats mag ik een diep en intens behagen scheppen in Christus, Die mij vrijkocht met Zijn kostbaar bloed. En ik zal nooit woorden genoeg voor kunnen vinden om die rijkdom te beschrijven.

Het woord 'minder worden' in onze tekst is ook zo'n woord. Het betekent: 'onderschikt maken in waardigheid' of 'afnemen in gezag of populariteit'. Met name die laatste betekenis heeft het in onze tekst. Johannes moest steeds verder afnemen in populariteit. En ook afnemen in gezag. Zijn preken waren niet langer dé lijn die werd uitgezet. Jezus nam die lijn over en zette die voort. Johannes was slechts de wegbereider, de voorloper. Gaandeweg zou blijken uit Jezus' woorden dat Johannes het bij het rechte eind had. En te meer zal blijken dat Jezus de beloofde Messias is.

In het bedrijfsleven, waar haantjesgedrag en concurrentiebeding hoogtij viert, kan men zich de blijdschap van Johannes totaal niet indenken. Welk bedrijf is er blij over wanneer haar klanten naar de concurrent lopen? Maar in Gods Koninkrijk gaat het zo totaal anders. Daaraan zie je hoe verziekt onze maatschappij is geworden! En het lijkt wel of er geen weg terug is. Toch roep ik op tot die houding van Johannes. Laat die gestalte meer en meer worden gevonden in ons land, in de kerk en in onze gezindten.
Laten we blij zijn als ook door toedoen van anderen, mensen tot Christus worden geleid. Als mensen vanuit de goot of vanuit de kerkbank tot geloof komen! Want er is ook in de hemel blijdschap, als er een zondaar tot bekering komt. Dan speel ik daar toch geen prominente rol in? Dan hebben we het toch niet over 'ons toedoen' dat eraan heeft bijgedragen dat iemand tot geloof kwam? Dan spreken we over het wonder dat een ziel van de dood is gered.

In die zin moeten wij kerkmensen misschien ook wel wat meer worden afgebroken… Hmm een ongedachte doordenker in deze tekst, vrees ik.

vrijdag 18 september 2015

Glunderen over Jezus’ glorie

Fragment uit het bekende altaartstuk van Matthias Grünewald met in het latijns de tekst "Hij moet wassen, ik moet minder worden"

“Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms,
die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms.
Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.”

Johannes 3 : 29

Ik zou er wel bij hebben willen staan; wat zou ik graag het gezicht van Johannes hebben gezien, toen hij deze woorden uitsprak! In een preek van ds. C. den Boer las ik mooie dingen; deze zal ik hier en daar doorgeven omdat ze heel waardevol zijn om te overdenken.

Johannes en Johannes

Ds. den Boer zegt: “Het zijn maar enkele woorden, gemeente die ons bewaard zijn gebleven uit de geestelijke nalatenschap van Johannes de Doper. Maar die enkele woorden behoren zonder twijfel tot de geweldigste woorden van heel het Nieuwe Testament. Het woord van de tekst voor de preek van deze morgen is een van die indrukwekkende woorden, ons door de evangelist Johannes overgeleverd. Johannes de Doper brengt daarin zijn relatie met de Heere Jezus onder woorden.”
Deze gedachte deed mij realiseren dat de evangelist Johannes hier vrijwel zeker bij stond en zo kon hij deze emotionele en indrukwekkende woorden op de hem zo bekende manier verwoorden. Johannes was immers een discipel van zijn naamgenoot De Doper? En kort daarop is ook hij weggegaan en is Jezus gevolgd, samen met die andere discipel: Andréas.
De beide Johannessen hebben elkaar hoogstwaarschijnlijk goed aangevoeld. Ze hebben elkaar opgescherpt en deelden een puur, gevoelig en toch evenwichtig geloofsleven. De Doper was misschien wat ruw en recht voor zijn raap, terwijl de Evangelist wat meer een bedachtzame denker was. Zo verschillend kunnen kinderen van God zijn terwijl ze elkaar verstaan, aanvullen en opscherpen. Heerlijk, niet?

Johannes en vreugde

Maar wat maakt Johannes de Doper zo blij? Hij begon toch langzaamaan zijn toppositie te verliezen? Een stap terugdoen is niet gemakkelijk, zeker niet als je zoveel publiek hebt getrokken de afgelopen jaren. Zoveel mensen de waarheid aangezegd, zoveel verteld over het komende Koninkrijk en zoveel mensen mogen dopen. En nu moet hij gaan loslaten. En juist dat blijkt hem met vreugde te vervullen. Dit is waar hij voor had geleefd en gepreekt. Hij heeft dat niet gedaan om de mensen aan zichzelf te binden, maar om ze bij Jezus te krijgen, bij de hemelse Bruidegom. Hier, in deze tekst, noemt Johannes zich de vriend van de Bruidegom en hij is er bijzonder blij mee. Zo dichtbij Jezus… en al die mensen hun bestemming bij Jezus zien krijgen! Ja, dat vervult hem met diepe blijdschap. ‘Chara’, dat is de blijdschap die je in iemand ervaart. Dat gaat haast nog dieper dan ergens blij over zijn.
Dat Jezus aan Zijn eer komt, dat vervult Johannes met blijdschap; sterker nog, hij zegt dat zijn blijdschap vervuld is (verwezenlijkt, tot zijn bestemming is gekomen). Net zoals het Jezus met diepe blijdschap vervult wanneer Zijn Vader aan Zijn eer komt. Dat is toch een hele goede graadmeter voor predikanten, ambtsdragers en jeugdwerkers. Is het ons daarom te doen? En beleven we er ook zo’n vreugde aan, wanneer wij wegvallen en mensen, jongeren wellicht, hun bestemming bereiken bij de HEERE? We zijn slechts vriend van de Bruidegom, maar… dat gaat dieper dan ‘dienstknecht van de Bruidegom’. Immers, Jezus zei tegen Zijn discipelen: “Ik noem jullie niet langer dienaren, maar vrienden. Dienstknechten weten niet wat hun heer doet, maar vrienden des te meer!” Dat zijn diepe woorden!

Johannes en de Bruid

Maar… als Johannes zich de vriend van de Bruidegom noemt, die zich verheugt in het contact dat wordt gelegd tussen Bruidegom en Bruid, waar plaats je Johannes dan? Behoort hij niet tot de Bruid?
Zeker wel. Allereerst moet je letten op wat Johannes in onze tekst zegt: "de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms." Op het horen van Jezus' gerucht, wordt er bij Johannes van binnen iets losgemaakt. En dat kent hij als van voor zijn geboorte! Toen zijn moeder Elizabeth de Maria hoorde aankomen, spring de ongeboren Johannes al op in haar baarmoeder. Als het ware zie je dat hier zich herhalen. Geweldig! Zeg nou zelf, daar had je toch bij willen zijn? Dat zijn toch prachtige momenten?
Johannes behoorde zelfs van voor zijn geboorte tot de Bruid van Christus. Deze Bruid wordt door Christus geworven (om haar als Bruid te werven, kwam Hij ten hemel af!), maar Hij doet dat middelijk. Onder andere door Zijn wegbereider, Johannes, en tot op de huidige dat door al Zijn verkondigers van deze zeer blijde boodschap. De Bruid zelf is ook werven. De HEERE zet de geworvenen in om verder te werven. Wat heet een missionaire Kerk!

Tot slot nog een citaat uit de preek van ds. den Boer:


"De Heere God kan een mens geen hoger eer bewijzen dan hem te roepen tot de taak van bruidwerver van Jezus. Ooit bracht ik een bezoek bij een ernstig zieke man in het ziekenhuis. Hij kon niet zo goed meer denken. Maar toen ik hem vroeg, of hij wist, wie ik was, zei hij: ‘U bent de boodschappenjongen van God’. Ik vond het een erenaam. Maar wat te denken van de naam die in onze tekst gegeven wordt aan een die bemiddelen mag tussen de Heere Jezus en de mensen? U mag mij ontvangen, gemeente, als een bruidwerver van Christus.[…]
Het is een hoge eer dus: vriend van de Bruidegom Jezus te zijn. Als zodanig mag ook ik u alle goeds vertellen van Hem. Ik mag de liefde van deze Bruidegom breed uitmeten; alsmaar goed van Hem spreken.
Maar ik mag ook iets meer doen. Ik mag ook de bruid van Christus werven. Nu, ik denk, dat er onder mijn gehoor mensen zijn die de Heere Jezus niet kennen en niet liefhebben. De Bijbel vertelt ons, dat wij vijanden van God en van Zijn genade zijn. Van nature hebben we er geen flauw idee van, met hoeveel tegenzin we onze godsdienstige verplichtingen verrichten. Wij moeten van dood levend worden gemaakt.
Welnu, als ik een echte vriend van de Bruidegom Jezus Christus mag zijn, kan ik het niet hebben, dat er hier nog een mens zit die Hem niet liefheeft. Ik moet u uw ‘feilen’ tonen. Ik mag u niet met rust laten. Ik moet u zeggen, dat u tot de bruidsgemeente van Christus mag behoren. Maar als dat u tegenstaat, als u liever uw eigen weg gaat, dan gaat u niet alleen verloren, maar dan bent u ook verloren. Daarom roep ik u toe: ‘Laat u met God verzoenen’. Welnu, zo mag een dienaar van het Woord erbij staan."

zondag 13 september 2015

Concurrentie in de kerk van Christus?

"Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem."
Johannes 3 : 25-26

Hoe zit dat nou met Jezus? Hij lijkt wel een concurrent van Johannes te worden. En het ging juist zo goed met dat Koninkrijk van God?! Je merkt in deze verzen de verwarring die ontstaat nu Jezus hetzelfde lijkt te gaan doen dan Johannes en mensen dus gaan kiezen naar wie ze zullen gaan luisteren. Een soort shoppen in de kerk; welke prediker staat je het meest aan? Verwarring over wie het nu bij het rechte eind heeft. Dat had ook alles te maken met de dingen die Johannes over Jezus had gezegd. Hijzelf was de Messias niet; daar was hij helder over. Hoe zit het nu?

Doop of ceremoniën?

We vallen middenin een vraaggesprek binnen. Een discussie tussen de discipelen van Johannes en de Joodse overpriesters en leraren. Het is van alle eeuwen dat wie zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, commentaar krijgt. Zo ook Johannes. En wees eerlijk, hij was niet mals. Zijn donderpreken oogsten niet alleen bekering, maar ook haat. En de meest geniepige vorm van haat is die van verdachtmaking. Moeilijke vragen in de trant van: "Klopt dat wel, die doop? Moeten we ons niet houden aan de door God ingestelde wetten van Mozes? Gelden die wetten dan niet meer? Heeft God ooit verteld dat ze zijn afgeschaft? We horen alleen maar van bekeren, bekeren, bekeren. Allemaal mooi en aardig, maar waar blijft de wet? Predikers die het Woord aan de kant schuiven en eigenzinnige godsdiensten ontwikkelen dienen te worden uitgeroeid." 
Middenin die discussie, waarbij Johannes wellicht vele overtuigende argumenten heeft aangedragen en het 'kamp' van Johannes lijkt te groeien, wordt een ander discussiepunt ingebracht. "Zeg, als dat nou allemaal waar is wat je daar zegt, Johannes, hoe zit dat dan met die rabbi die jij korte tijd geleden zelf hebt gedoopt? Hij staat daar een stukje verderop ook te dopen… vind je dat nou niet heel vreemd, Johannes? Hij lijkt wel je concurrent geworden te zijn; is Hij nu ook al zieltjes aan het winnen voor die zogenaamde nieuwe leer?"
Dat nieuwe discussiepunt brengt de discipelen van Johannes ook in verwarring en dat is precies wat satan wil. Johannes is, zo blijkt uit het verdere van deze geschiedenis, totaal niet uit het veld geslagen, maar de discipelen van Johannes wel. Johannes, hoe zit het nou eigenlijk? Even tussen twee haakjes, die discussie over de reinigingswetten lijkt helemaal vergeten te worden; of is het een listig plan om het totaalplaatje 'Johannes' belachelijk en verwerpelijk te maken?

Doop 1.0 of Doop 1.1?

Ja, de nieuwe discussie richt zich op de vraag hoe die twee dopers, Johannes de Doper en Jezus de Doper, zich tot elkaar verhouden? Als we terugbladeren in het evangelie van Johannes dan zien we dat Johannes de Doper vooral benadrukte dat hij de Messias niet was. Die na hem zou komen, Die was de langbeloofde Profeet! Johannes had er nog iets merkwaardigs bij gezegd en je moet goed lezen wat hij zegt in Johannes 1:26-27: "Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent; Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden." Je zou verwachten dat Johannes ging vertellen: "Ik doop wel met water, maar Hij doopt met de Heilige Geest" of zo iets. Maar hij lijkt halverwege die zin te stoppen en blijft steken in de vergelijking tussen hem en Jezus. Kijk maar niet te hoog tegen mij op. Ik ben nog niet waardig om Jezus' schoenriem los te maken! Jezus zou dus duidelijk iets anders gaan doen dan Johannes. 
De Joden hadden toen ook al gevraagd: "Johannes, waarom doop je dan, als je de Messias niet bent?" Blijkbaar zat er een link tussen dopen en de Messias. Vreemd, want ik dacht toch heus dat proselieten zich lieten dopen als ze tot het Joodse geloof overgingen. Dat dopen was dus helemaal niet zo bijzonder verbonden met de komende Messias. Toch vragen de Joden dit. Ze vragen eigenlijk  lees de Kanttekeningen – naar de missie, de zendingsopdracht van Johannes. Wie heeft je gestuurd? En wie heeft je opgedragen te gaan dopen?
Als Johannes verteld heeft dat hij wegbereider mag zijn van de Messias, lijkt de discussie te luwen. Maar… nu Jezus ook doopt laait die vraag weer op: Is Hij dan ook een wegbereider? Of is Hij wat anders? Waarom gaat er nu nóg iemand dopen? Of is er verschil tussen deze Dopers? Ze hadden inmiddels toch al wel het nodige over die Jezus van Nazareth gehoord. Maar nu Hij ook 'gewoon' doopt, stelt Hij zich op één lijn met Johannes, lijkt het wel. Zeer verwarrend. Is er onderscheid in die twee dopen? Een soort 'update' van de doop van Johannes? Ze hadden wel gehoord dat Jezus niet Zelf doopte, maar Zijn discipelen. En ze hadden ook vernomen dat Jezus eveneens opriep tot bekering, net als Johannes. Dus was dit wel echt een update? Of gewoon meer van hetzelfde? Wellicht hadden ze een en ander vernomen via Andreas of zelfs via Johannes de Evangelist?

Johannes of Jezus?

Ja, als ik al die dingen zo op een rijtje zet snap ik best dat dit verwarring gaf. Ook als je Johannes de Doper serieus neemt blijft het vreemd dat Jezus nu ook gaat dopen. Deed Johannes het niet goed? Had Hij het Zijn wegbereider niet gewoon kunnen blijven laten doen? En nog wel zo dichtbij! Als Jezus nu in Galilea, waar Hij vandaan kwam, ging dopen dan hadden we het nog wel kunnen plaatsen. Maar hier zo vlakbij Enon, zo dichtbij Johannes!
Voordat ik hier een uitspraak over doe – in een van de komende bijbelstudies – leg ik toch even de vinger bij een probleem of valkuil die predikers kan aankleven. Ik denk dat Johannes' prediking erin hakte en dat veel mensen onder zijn preken tot bekering zijn gekomen. En hoewel Johannes in zijn preken van zich afwees, bleef de vervulling van die komende Messias maar uit. Tot dit moment moesten de mensen het toch van Johannes hebben. Hij preekte zo anders, zo puur en recht voor zijn raap. Heel anders dan de overpriesters en schriftgeleerden. Het gevaar lijkt levensgroot dat men Johannes als een soort preektijger is gaan zien. Hij was hun voorman en aanvoerder tegen de ingezakte godsdienst der overpriesters. Hij nam geen blad voor zijn mond en dat doet het soms goed. Maar het gevaar is dat je dan een gevierde prediker wordt. En dan… dan komt opeens Jezus. Je ziet de mensen opeens verward kijken? Ja maar, hoe zit dat dan? Het hoeft nog helemaal niet zo te zijn dat Johannes zich op een voetstuk stelde. Ik betwijfel ook of dat zo is geweest. Meer geloof ik dat de mensen Johannes op een voetstuk hebben gezet. En nu is het tijd dat Jezus optreedt. De wegbereider is klaar met zijn werk. Hij plaveidde slechts de wegen, maar is allerminst een concurrent van Jezus. Daar is Johannes in het vervolg wel heel duidelijk over.
Laten we op dit punt allert zijn dat we predikers niet over het paard tillen en hun preken adoreren. Bid en werk eraan mee dat ze gewoon met twee voeten op de grond blijven staan. Zichzelf kunnen blijven en trouw kunnen blijven arbeiden in de taak die God op hun schouders heeft gelegd. Mag je dan niet genieten van preken? Zeker. En het is een zegen als je genieten kunt. Maar als God andere dienstknechten stuurt, die minder begaafd zijn maar evenzeer geroepen en gedreven, neem ook hun woord aan en geef ze de gelegenheid ook te groeien in de gave van het Woord. Stap niet in de valkuil predikers met elkaar te vergelijken om ze zodoende af te serveren. Luister scherp of het Woord recht wordt gepreekt en, jawel, of Jezus de volle aandacht krijgt! En in Hem natuurlijk de Vader! Als dat aan de orde is, heb je een punt. En predikers behoren zich bewust te zijn van de steken die ze laten vallen. Wanneer ze in liefde worden aangesproken op mankementen, laten ze dan niet hun hakken in het zand zetten, maar doen als Johannes.

maandag 31 augustus 2015

Als Jezus voor jouw deur staat


"Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben;
en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan."
Johannes 3 : 11

Soms zit je een tijdlang naar een Bijbeltekst te kijken en opeens gaat er een deur open. In dit geval zag ik opeens dat er een deur dichtbleef. In deze week van voorbereiding op het Heilig Avondmaal was ik zeer dankbaar voor deze link die opeens oplichtte en ik geef het graag door aan ieder die het wil lezen.

Wie zijn die 'Wij'?

In eerste instantie las ik de tekst toch zo, dat Jezus hier zegt dat Hij en de Vader weten waarover ze spreken en getuigen wat Ze hebben gezien. Vooral omdat de woorden 'Wij' en 'Onze' met hoofdletters staan geschreven. Maar dat is misschien ook de oorzaak van de verwarring. Het gaat hier namelijk om Jezus en Johannes de Doper. Lees de Kanttekeningen maar en sla er ook maar diverse Bijbelverklaringen op na. Meer dan eens legt Jezus de link tussen Hem en Johannes. Denk maar aan die gelijkenis van de fluitspelende en begrafenisje-spelende kinderen op de markt.
Het zijn nogal indrukwekkende en scherpe woorden die Jezus hier tegen nota bene een zoekende ziel zegt. Wat je ook van Nicodémus mag zeggen, hij was in ieder geval zoekende. Hij zocht Jezus, intenser haast nog dan Zacheüs.
Jezus geeft hier een groot getuigenis van Johannes. Hij confronteert Nicodémus met het feit dat Johannes wél wist waar hij over sprak. Johannes getuigde écht van de dingen die hij gezien had. En dat kon niet worden gezegd van al die schriftgeleerden en farizeeën die er zo prat op gingen dat ze volgelingen van Mozes waren! Die zeiden de wet te kennen, maar ze kenden de God van die wet niet. Wat moet dat met Nicodémus hebben gedaan? Je zou toch verwachten dat hij er wrevelig van werd. Zo van: "Nou, maar wij weten toch ook wel wat?" of "Maar op Johannes was toch ook wel wat af te dingen?" of "Wij staan toch in de juiste traditie en zijn toch niet helemaal ten onrechte verbondskinderen?" Ik weet niet wat het met hem deed op dat moment, maar het heeft een prachtige uitwerking op termijn gekregen. Wij… daar stond Nicodémus met al zijn schriftgeleerde vrienden dus buiten. De vraag is: als jou in de prediking de waarheid wordt aangezegd – en die is niet bepaald strelend – wat doe je dan? Niet onbelangrijk in het licht van het Avondmaal, wel?

Zie Ik sta aan de deur…

Het scherpe verwijt dat Jezus maakt is: "Jullie nemen die getuigenis van Ons niet aan!" Dat woord 'aannemen' kun je ook vertalen met 'toegang verlenen'. Je laat de deur dicht, terwijl er zo op wordt geklopt, ja gehamerd!
Dat bracht mij als vanzelf bij die diepe tekst uit Openbaringen 3 vers 21, waar Christus vol innerlijke ontferming roept tot nota bene de lauwe gemeente Laodicéa (!): "Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij." Het probleem is niet dat het niet voor jou bestemd was, omdat je zo graag aan de uitverkiezing díe invuling wilde geven en daarmee aan God Zelf. Nee, Gods roep was indringend en welmenend. Maar 'gij hebt niet gewild…"
En let erop, daar staat geen punt. Het is een vlijmscherp verwijt, maar het is tegelijk een levensgrote komma. De vraag is: wat doe je. Natuurlijk… je kunt niets, je wilt niets, maar toch: wat doe je? Want Jezus staat aan de deur van je hart en Zijn roep is duidelijk hoorbaar. De preek van gisteren over de nodiging tot de Koninklijke Bruiloft (als voorbereiding op het Heilig Avondmaal) was daarover ernstig, helder en scherp. Wat doe je met die roep en met jouw onwilligheid en onvermogen? Daar moet je toch iets mee? Want we bereiden ons niet alleen voor op het Heilig Avondmaal, maar hoog daarbovenuit bereiden we ons voor op de Bruiloft van het Lam. Of niet soms?

zaterdag 21 februari 2015

Veni, vidi, vici of Yalak, matsa, shalak

"Zo ging hij van daar, en vond Elisa, den zoon van Safat; dezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich henen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem."
1 Koningen 19 : 19a


Johannes de Doper in zijn kamelenharen mantel, geschilderd ca. 1515 door Matthias Grunewald


Caesar bezigde in 47 voor Christus de slogan 'ik kwam, ik zag en ik overwon'. Het is de kretologie van een arrogant personage, dat niet bedenkt dat zijn koninkrijk altijd eindig is. Hoe goed een winkelketen, een multinational of een dictator ook lijkt te zijn, er zit een einde aan je macht en machtsgebied. Zelfs als anderen dat over je zeggen: 'hij kwam, hij zag en hij overwon'. Toch hebben slogans de kracht iets kort en bondig en daarmee onuitwisbaar te zeggen. Kenmerkend. In onze tekst zou je ook zo'n kreet kunnen zien: Yalak, Matsa, Shalak, 'hij ging, hij vond en hij…" Ja wat? Overwon? Nee, hij wierp weg.


Hij ging

Daar gaat Elia. God kijkt hem na, vanaf de Horeb. Voetje voor voetje daalt Elia het slingerpad af, langs de woeste berg. Enige tijd later ziet Hij een kleine profeet gaan in de diepte. Steeds verder gaat Elia, de weg die hij enige tijd geleden was gekomen, tot hij slechts een stipje is. Maar God laat hem niet alleen gaan; Hij gaat mee en is erbij! Dwars door de woestijn, op weg naar een andere woestijn, die van Damascus. Immers, dat was Gods opdracht. God stuurde Elia naar Damascus om daar Hazaël, het eerste wapen van Zijn wraak, te zalven (om daarmee Zijn plan de activeren).
Maar zoals het gaat met iemand die de afvoer van zijn gootsteen wil repareren en er eerst een of meer opvangbakken onder zet, zo begint Elia met de tweede opvangbak: Elisa. Of zo je wilt, een achtervang. Immers, wie van het zwaard van Hazaël ontkwam, zou door Jehu worden gevangen; en wie bij Jehu door de vingers glipte, zou Elisa tegenkomen.
De weg die Elia hier gaat, gaat hij ongetwijfeld niet op eigen houtje. Dit moet hebben gepast in Gods zondaarslievend plan: het oordeel wordt nog uitgesteld. Elia gaat, maar… zou hij de reikwijdte van zijn opdracht hebben beseft? Ging hij werkelijk met het doel om zo wraak te kunnen realiseren over Achab (en meer nog over Izébel)?
Elia is geen lieverdje; wie met 21e-eeuwse ogen naar zijn slachting bij de Karmel kijkt, zal wellicht beelden van ISIS op zijn netvlies krijgen. Echter wie zo kijkt, vergist zich. Elia is geen wraakgierig despoot, maar met heilige toorn vervuld over het breken van Gods verbond. De straf die hij had uit te voeren, was Gods oordeel. Maar dat betekent niet dat hij erbij heeft staan lachen. Nee, Elia is in díe zin geen lieverdje, dat hij over het algemeen een onverschrokken geest heeft (behalve in deze episode). Straks zal hij onverschrokken naar Achab (en Izébel) gaan en hen aankondigen dat en hoe zij zullen sterven. Echter, in de beschrijving van Achabs laatste dagen blijkt dat Elia voor Achab toch een zeker gevoel van barmhartigheid overhield. Hij waarschuwde hem dus uit bewogenheid. En dat gevoel werd gevoed door God, Die – zo zal blijken aan het einde van 1 Koningen 21 – nog genadetijd geeft aan Achab, na diens zonde tegen Naboth.

Hij vond

Hoe verder Elia naar het noorden trok, hoe meer hij zich bewust werd weer in het schootsveld van Achab te komen. Dat vervulde hem echter niet met angst, maar met moed. Hij had niet zomaar een opdracht op zak! Het was een opdracht van de Allerhoogste. Hoe Elia zal hebben gedacht weet ik niet; ook niet of God nog een niet in de Bijbel vermelde nuance aanbracht in Zijn opdracht; feit is echter wel dat Elia regelrecht naar Abel-mehola ging.
Ook liep hij Elisa niet stomtoevallig tegen het lijf. Er staat 'hij vond Elisa'. Hoewel dat woord ook 'ontmoeten', 'tegenkomen' of zelfs 'toevallig vinden' kan betekenen, heeft het hier toch de lading van 'het gezochte verkrijgen of vinden'. Ook kan het nog de betekenis hebben van 'leren' of 'ontwerpen' of 'voldoen aan een voorwaarde'. Er zal bij die ontmoeting zeker een stuk uitleg zijn gegeven, hoewel we dat niet lezen. Het lijkt ook een hele rare handeling: Elia liep op Elisa toe – terwijl die ingespannen aan het ploegen was met een serie ploegende ossen – en wierp hem zomaar zijn mantel om.
Wat Elisa betreft zal deze ontmoeting plots en onverwacht zijn geweest. Elisa wordt vaak als een kleine jongen afgeschilderd, maar hij is een manager, die het in zich heeft om met twaalf juk ossen tegelijk te ploegen, weliswaar geholpen door zijn onderhorige knechten. Die bedrijvigheid stagneert plots als daar de profeet Elia opduikt. Iedereen weet dat Elia opnieuw gezocht wordt. Als aan de grond genageld staren ze naar de man met zijn ruige haardos en woeste baard, die gekleed gaat in een ruwe kamelenharen mantel, bijelkaargehouden door een leren gordel. En die loopt op gesandaalde voeten.
Ik stel me zo voor dat Elia over een pad liep, dat dwars door de akker van Elisa's vader ging. Plots verlaat hij het pad, baant zich een weg over de harde kluiten van de losgewoelde aarde. En terwijl de koeien zwetend wachten tot ze met een zweep in beweging worden gezet, kijken ze loom naar die markante figuur, die hen daar zomaar passeert. Achter hen blijft hij staan. De koeien horen het geluid van Elia's stem; ze zullen achteromkijkend het tafereel niet begrijpend hebben staan aankijken. Blij met een moment rust bij dit zware werk. De een snuffelt wat langs de grond, voor zich: niets eetbaars. De ander zwiept met haar staart, om de lastige steekvliegen weg te jagen en schudt even wild met haar kop. Een derde loeit vermoeid, om wat contact met de andere ossen te maken. Verder blijft het ijzig stil. Wat de koeien echter niet weten, is dat Elia gevonden heeft wat hij zocht: zijn door God gekozen opvolger. Dit is hem: Elisa.
Zullen ze elkaar ooit eerder hebben gezien? Uit de woorden van Gods opdracht op Horeb zou je kunnen concluderen dat Elia wist wie Elisa was, zoals hij wist wie Jehu was (Achabs generaal) en wie Hazaël was (Benhadads (of Hadadezers) generaal). Wat die laatste betreft: de zieke Benhadad stuurde zijn dienaar Hazaël met geschenken naar Elisa, toen hij had gehoord dat die Elia's opvolger was (2 Koningen 8) en sprak hem met dezelfde achting aan.


Hij wierp weg

Achter de koeien gebeurt plots iets wonderlijks. De ruige zonderling maakt zijn riem los, trekt de mantel ertussenuit en laat hem van zijn schouders glijden. Niet omdat hij het zo heet heeft; de koeien zouden er wat voor over hebben gehad om zo ook de warmte van zich af te werpen. Nee, Elia neemt zijn mantel en gooit hem om de schouders van de verwonderd, enigszins wantrouwend kijkende Elisa.
En dan legt Elia rustig uit waarom hij dit doet en wat er nu eigenlijk gebeurt. Nee, ik lees het niet. Zoals er zo veel niet te lezen is in deze geschiedenis. Maar hier zal vrijwel zeker niets verder gezegd zijn. Dit gebaar is zo symbolisch voor een oosterling, dat de boodschap direct duidelijk is. Met dit gebaar werpt Elia niet alleen zijn mantel van zich, maar ook zijn roeping. Die mantel is symbool van zijn roeping.
Een mantel van kamelenhaar is tegenwoordig een abominable duur kledingstuk (www.elegance-paris.nl/group/0/product/8131429/Damesmode-Detail.4397.0.html). Nou, zo chique zal Elia hem niet gehad hebben. Het was die mantel, waarmee hij zich omwond, toen God aan hem verscheen. En die mantel, die later, bij Elia's hemelvaart definitief van zijn schouders zal vallen, waarna Elisa hem voorgoed gaat dragen.
Over Johannes de Doper staat dat hij zal gaan in de geest van Elia. Ook hij zal in de woestijn verblijven, sprinkhanen en wilde honing eten en… een mantel dragen van kamelenhaar. Die mantel droeg hij als allerlaatste profeet. Wellicht werd die door Herodes' handlanger verachtelijk in de prullenbak gegooid. Daarna kwam de opperste Profeet, Die een linnen lijfrok droeg, die uit één stuk was geweven. En Hij verwierf het heil en de zaligheid, waardoor Hij reine, witte klederen kan omwerpen om de schouders van zondaren: de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid.
De overeenkomst tussen Elia en Johannes de Doper is deze (lees het op www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/P/Profetenmantel/1303/ ): Elia moest het volk Israël terugroepen van de afschuwelijke afgoderij van de Baäldienst. Johannes de Doper moest eeuwen later het volk terugroepen van het vereren en dienen van de goden van de Kanaänieten.


Later, op de berg der verheerlijking zal Elia opnieuw zijn te herkennen aan zijn mantel. Maar hier in onze tekst legt hij hem op symbolische wijze van zich en om de schouders van Elisa. Hij ging, hij vond en hij wierp weg. Niet achteloos, maar met een verrukt en gelukkig gevoel dat de HEERE doorgaat en Elia's taak zal worden voortgezet. Er is toekomst voor het volk, wanneer er weer nieuwe profeten worden geroepen. En wees eerlijk, krijgen wij als christenen eigenlijk niet allen de profetenmantel omgeworpen. Niet om predikant te worden zo zeer, maar om onze roeping naar de wereld en naar de kerk te verstaan. Onverschrokken!


Gezang 121 vers 1, 2 en 3

God roept ons, broeders, tot de daad,
Zijn werk wacht; treedt dan aan,
en weest gereed om elke weg,
die Hij u wijst, te gaan.
Wij weten dat, wat komen mag,
toch hij slechts wint, die waagt,
en, wie zichzelve geven wil,
door 't donker vlammen draagt.

God roept, en in Hem is de kracht,
die onze zwakheid staalt.
Dit is de vreugd, dat Hij het doel
en onze vaart bepaalt.
Dat Hij ons over grenzen heen
laat zien het groot gezicht
van aller mensen broederschap
in 't ene, godd'lijk licht.

God roept, en wat de mensen scheidt,
dat zij geen scheiding meer;
Zijn liefde houd' ons allen saâm
en samen met de Heer'.
Want wat er in de wereld woed',
toch is het God, Die wint,
en in een elk die Hem behoort,
het nieuwe rijk begint.