Posts tonen met het label Engel des HEEREN. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Engel des HEEREN. Alle posts tonen

woensdag 13 juni 2018

Afgoderij heeft iets zieligs


Hoofdstuk 13

Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte; zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want
wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is. En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
Handelingen 7 : 38-41
Afgoderij heeft iets zieligs, zoals Stefanus het op een haast conference-achtige manier beschrijft. Zoals John Piper eens zei tijdens zijn speech ‘Don’t waste your time’, over mensen en hun American Dream, die een leven lang druk waren met hun schelpenverzameling en op de Jongste Dag tegen de grote Schepper van het heelal zeiden: “Here it is, Lord, my shell collection. Look, Lord, my shell collection.” Aandoenlijk bijna!
Holle godsdienst
Stefanus blijft nog even bij Mozes stilstaan, maar eigenlijk schildert hij iets uit dat met het volk te maken heeft. Iets vervelends, wat ze liever niet meer hoorden. Hij haalt geen oude koeien uit de sloot, trouwens. Want zonden die bedekt zijn moeten we niet meer boven tafel trekken. Zo gaat God er ook niet mee om. Maar hier herhaalt zich de geschiedenis. Daarom snijdt Stefanus deze oude wond, met die open zenuw, weer open. Maar… we hebben hier toch niet te maken met een gouden kalf op zo iets? Maakt Stefanus niet een karikatuur van de hele situatie? Is hij wel fair bezig?
Hij gebruikt de geschiedenis van het gouden kalf – hoe merkwaardig is het dat juist dit symbool als prijs voor de beste film wordt gebruikt! – om iets aan te tonen in het handelen van het Joodse volk ten opzicht van … hemzelf? Nee, ten opzichte van Jezus! Hij neemt zijn luisteraars mee, bij de buitenkant van hun godsdienst vandaan, naar de binnenkant. De holle binnenkant. Ze volgen Gods geboden, maar hoe? Is dat voor ons misschien op voorhand al een les?

Ongehoorzaamheid
Wie was Mozes? In het voorgaande heeft hij Mozes uitgeschilderd als een profeet. Een speciale profeet zelfs. Want, zegt hij nu in vers 38, deze Mozes was in gesprek met de Engel des HEEREN (let op dat hij het hier niet heeft over ‘God’ in het -algemeen, maar over ‘God de Zoon’!).
Het volk had tegen Mozes gezegd dat die maar met God moest praten, want zij konden de aanwezigheid van God niet verdragen. Ze werden er doodsbang van. Onthoudt dat element: bang voor God!
Je zou dus verwachten dat het volk ontzag liet merken voor Mozes. Hij had wel eerbied voor God, maar was niet bang. Hij durfde bij God te zijn, zelfs veertig dagen lang! Terwijl zij met een paar minuten al niet meer wisten waar ze blijven moesten. Zij hebben dus heel duidelijk gevoeld (!) dat ze voor God niet konden bestaan. Van zo’n houding mag je toch goede vruchten verwachten? Wordt zo’n houding in onze kringen ook niet erg aangeprezen en bewierookt?
Wat zich daar op die berg Sinaï heeft afgespeeld wist het volk niet. Maar Mozes kwam wel met twee bewijsstukken naar beneden: de Stenen Tafelen, de platte stenen van het Verbond, zoals deze uitdrukking in de Basisbijbel wordt vertaald. Het woord ‘lu-ach’ betekent plank, tableau of plaat. Deze stenen waren niet zo groot als een grafzerk, want dan kon Mozes ze niet helemaal meenemen naar beneden. Waren ook geen grote granieten billboards met een heel verhaal erop. Het waren twee platte stenen, die draagbaar waren, en waarop aan de voor- en de achterkant Tien Woorden stonden gekerfd. Tweemaal dezelfde woorden: een kopie dus. Schilderijen en afbeeldingen van Mozes met twee enorme zerken met gebod 1-4 op de ene en 5-10 op de andere steen zijn puur fictie.

Contrast
Wel, die stenen waren dus ook de bewijsstukken dat Mozes daar iets met God had gecommuniceerd; of eigenlijk: dat God iets concreet had opgedragen aan Mozes. Hij kwam daar niet naar beneden van een gezellig onderonsje, maar met een missie!
Hoe groot is dan het contrast, wanneer je Mozes met die heilige opdracht van de grote en barmhartige God van het Verbond (God de Zoon Zelf, die later díe Profeet zou worden, waarover Mozes zou spreken!) de berg ziet afkomen en beneden die janboel rondom dat gouden kalf ziet! Het is alsof je na een indringende en bewogen preek, de kerk uitloopt en keihard de radio aanzet met deathmetal- of hardcoremuziek. Het zout van de tranen nog op je wangen, maar je ogen klappen dicht en je headbangt op de satanische cadans van de beat.
Het is dit mega-contrast waarover Mozes zo fulmineert en woest de zo heilige stenen neersmijt in het dal. Ze barsten uiteen, maar het blust de toorn in Mozes niet. Er moet meer gebeuren. Ook Mozes vormt een contrast in zich. Zijn toorn explodeert tegen een heel volk. Heb je je wel eens afgevraagd waarom zo’n massa van duizenden mensen zo onder de indruk is van die ene man die daar dwars door hun feestje komt stuiven?
Nee, zijn gezicht glansde niet, zoals dat later wel gebeurde toen Mozes opnieuw op de berg bij God was en opnieuw twee stenen met de Tien Woorden kreeg. Nee, deze eerste keer is er aan Mozes niet zo iets te zien. Maar stiekum denk ik wel dat Stefanus deze geschiedenis als een hint gebruikt naar zijn eigen glanzende gezicht, dat ze nog maar enkele minuten geleden hebben kunnen zien!

Aversie
Ongehoorzaamheid is een naar woord. Maar dekt dat de lading van wat Israël hier onderaan de Sinaï deed? Is daarmee gezegd wát hun intentie was? Nee. Daarom zet Stefanus resoluut het mes in deze stinkende wond! “Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte…” Ze waren niet maar was wereldgelijkvormigheid aan het plegen. Ze kantten zich tegen Mozes (en daarmee tegen God Zelf) en verlangden weer terug naar Egypte (en uitten dus een aversie tegen Gods Beloofde Land)! En dat is desastreus!
Daarbij is het dus aandoenlijk om te zien dat ze hun goud bij Aäron komen brengen en dat hij er een beeld van gaat maken van een afgod die hij zich nog herinnert uit Egypte. Een stoer stierkalf.
Zo dan, daar heb je je god die lekker voor je uit gaat. Al hadden ze honderd jaar gewacht, dat kalf was nooit van zijn plek gekomen. Ze hadden het nota bene zelf in elkaar gesmolten. En kijk eens… ze vallen voor het beeld neer en dansen er als een stel bezetenen rond.
Zielig
Jeremia steekt er in hoofdstuk 10 al de gek mee – hoewel zijn profetie vooral bedoeld is als troost voor Gods volk dat wordt aangevallen – als hij kijkt naar wat de heidenen allemaal bedenken om maar niet in de HEERE te geloven. Ze zijn niet alleen van God los, maar ze willen dat ook koste wat het kost blijven. Daarom vullen ze die leegte zo krampachtig gedreven in met afgoderij: “Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan […] In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden. Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning […] Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.”
En hij zegt eigenlijk ongeveer hetzelfde als Jesaja in hoofdstuk 40 deed: “Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen? De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe. Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele. Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?”

En ook Daniël moet names God iets dergelijks zeggen tegen Belsazar, wanneer hij uitlegt wat er met die woorden ‘mene, mene, tekel, upharsin’ op de muur wordt bedoeld: “…de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.”

Stefanus vat de geschiedenis met het gouden kalf als volgt samen: “En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.”

Wie is hier nu God?
Sprak hij eerst in de dagtekst nog over ‘onze vaderen’, nu zegt hij allen ‘zij maakten’, ‘zij brachten offers’ en ‘zij verheugden zich in het werk van hun handen’. Die cynische toon moet het volk niet zijn ontgaan. Het doet aandoenlijk aan. “Kijk dan, ze hakken, smeden en versieren een beeld alsof het een cupcake is! En dat selfmade ding zetten ze neer, gaan er in een kringetje omheen staan (er gebeurt niets) en opeens, als bij toverslag, is het het een god. Een machtig god nog wel, die voorop gaat en de hele meute loopt er achteraan richting … ja, richting Egypte zou je denken. Naar huis. Toch?
Gek genoeg maken ze nog geen aanstalten om op reis naar huis te gaan. Ze blijven daar onderaan die berg hangen. Het gaat niet erg hard met die god voorop. Of is het de levende God Die hen bij deze plek houdt, om ze te laten zien Wie Hij werkelijk is? Dat wordt geen fijne les, maar wel een heel leerzame. Hoe smaakt water moet goudpoeder? Dat is nog gevaarlijk ook! Inwendige besmetting. Metaaldeeltjes in je buik en vaten. Een langszame maar gestadige dood vermoedelijk. Niemand heeft het overleefd. Sterker nog, er waren er die diezelfde dag nog door de stam van Levi zijn gedood! Kon dat gouden kalf dat allemaal niet verhinderen? Flikkerde er geen bliksem uit de egyptische goden-hemel toen Mozes dat gouden kalf aan poeier sloeg? Nee, het bleef ademloos stil. En opnieuw is er tussen die duizenden niemand die Mozes een halt toe roept. Wie is hier nu God?
Een predikant zei eens: dat gouden kalf was geen afgod, maar de zichtbaar -gemaakte vertoning van God. Men had moeite met een onzichtbare God. En hoe actueel is dat? Maar mag God nog zijn zoals Hij wil zijn? Maakt dat eigenlijk iets uit? Moet Hij passen in ons voorstellingsvermogen? Of kan Hij even goed God zijn, als Hij onzichtbaar is? Het lijkt er in deze geschiedenis op dat ze Mozes als de belichaming van God zagen. Toen de zichtbare Mozes weg bleef waren ze God kwijt. Zit daar niet een lijn in die we vandaag de dag terugzien in de kerk? Zijn ook vandaag niet heel veel rechtzinnige mensen ‘godsdienstig’ bezig met een zichtbare God in ‘houdingen’, in ‘staten’, in  ‘ervaringen’, in ‘predikers’, in ‘oudvaders’, in ‘klanken’ en ‘tale Kanaäns’. “Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. […] Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.” Wat een God. De levende God! Onze God!

maandag 17 april 2017

Plaatsvervangende schaamte

"Toen hief Abraham zijn ogen op en zag om; en zie, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging en nam dien ram en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats."
Genesis 22 : 13



We spreken van 'plaatsvervangende schaamte' wanneer iemand anders zich zou moeten schamen, maar het niet doet. Wij generen ons dan voor zijn of haar gedrag en blozen soms zelfs. Wij schamen ons dan, in plaats van die betreffende persoon. Misschien nog wel het meest omdat die ander blijkbaar niet inziet dat híj of zíj zich had moeten schamen voor wat er gebeurde. Wat een merkwaardige reactie heeft de Schepper in ons innerlijk ingebouwd.

Eigenlijk kun je spreken na de zondeval van 'plaatsvervangende schaamte' bij God de Zoon, bij Jezus Christus, of, zoals Hij Zich in ons tekstgedeelte openbaart, de Engel des HEEREN. Wij mensen zondigden tegen God en braken met Hem in het Paradijs. En het lijkt wel alsof wij ons helemaal niet bewust zijn van de ernst van ons misdrijf! God de Zoon toonde zulk een diepe plaatsvervangende schaamte naar Zijn Vader toe, dat Hij ons de ogen opende met Zijn offer. En juist dit offer wordt al een beetje geschetst in deze geschiedenis. Wat kunnen we ervan ontdekken in dit vers?

De doornenkroon

Door de roep van de engel staakte Abraham zijn offeractiviteit. Of het de schrik is, of wellicht het gevoel van ongeloof "hoor ik het nou goed?", hij draait zich in ieder geval om, om te zien wie er achter hem staat. Waarschijnlijk werd, nog voor hij de engel zag, zijn blik getrokken naar iets dat aan het woelen was in het struikgewas. Gesnuif, gekraak en geschuur… een ram! De Kanttekeningen wijzen erop dat Abraham bijna direct begreep wat de bedoeling was. Ik kan me voorstellen dat hij het dier geknuffeld heeft… het was immers zijn ongedachte reddingsmiddel voor Izak!
Wat opvalt is de gedetailleerde beschrijving van de toestand, waarin hij de ram vond. Een ram, met zijn horens verstrikt in het struikgewas. Als je gaat kijken wat die woorden betekenen, dan kun je 'verwarde struiken' vrij vertalen met 'gevlochten takken' en 'hoornen' kun je ook vertalen met 'stralen' of 'stralenkrans' die zich rond het hoofd van een heilige bevinden. Als het ware doemt het beeld van Jezus op, de Heilige met de gevlochten takken met doorns op Zijn hoofd. Zou hierin een heenwijzing naar die bewuste doornenkroon zitten? Opmerkelijk is het in ieder geval dat de details zo aan ons worden vermeld.

De plaatsvervanging

Ook is het wonderlijk, hoe die ram door de struiken werd klemgezet. Het heeft iets 'onvrijwilligs'. Ook deze ram was geen afdoend offer. Wel voor het moment, maar niet volkomen. God had toch net zo goed die ram kalm wachtend naast het altaar kunnen zetten? Die struiken, verwarde struiken, hebben daarom wel wat meer te zeggen, vermoed ik.
Maar… het allermeest springt in het oog dat deze ram voor dit moment plaatsvervangend is voor Izak. Ik lees in deze momenten niets over schaamte bij Abraham. Ook niets van deemoed of ootmoed. Eigenlijk lezen we alleen iets van Gods gedachten over Abrahams offer. Alles in ogenschouw nemend, zou je toch wel net zoveel schaamte verwachten, als Petrus toonde daar aan de Zee van Tiberias: "HEERE, Gij weet alle dingen… Gij weet dat ik U liefheb." Abraham zwijgt echter en handelt.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik, kijkend naar deze scene, plaatsvervangende schaamte ervaar. Als ik daar had moeten staan, zou ik het wel zover gehaald hebben, helemaal tot bovenop die berg? En als ik er had gestaan, vanwege welke schadepost tussen God en mijn ziel zou het dan geweest zijn, waarom Hij dit offer van mij zou vragen? En zou Zijn oordeel over mijn offer ook zo onomwonden positief hebben geklonken? Er doemt het beeld van tegengestelde plaatsvervangende schaamte op. Ik kan niet in de schaduw van Abraham staan.
Maar … die ram kan niet in de schaduw van het Lam staan. Het Lam dat nu zit aan 's Vaders rechterhand en tegelijk staat als geslacht. Het Lam regeert en zal Zijn almacht tonen. Daar was deze stoere, sterk gekruld gehoornde ram maar een kreupel paaslammetje bij. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood zou moeten ondergaan. Dat ik dat zo vaak zo onbewogen kan reciteren! Ik moet mij toch wel schamen, niet? Heb jij dat ook?

maandag 27 maart 2017

Passief en actief geloof

"En zij kwamen ter plaatse die hem God gezegd had, en Abraham bouwde aldaar een altaar; en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar boven op het hout."
Genesis 22 : 9





Gisteren in de dankzeggingsdienst op het Heilig Avondmaal vroeg de predikant zich af of de Heere Jezus iets zou hebben geuit van de pijn die Hij leed, toen Hij werd gekruisigd. Bebloed vanwege de geseling, was het geronnen bloed gaan vastzitten aan de purperen spotmantel. Deze werd Hem van de rug gerukt, waardoor de rug werd opengereten en zo werd de Heere Jezus naakt op het hout gespijkerd. Foltering ten top! Hij voor mij… hoe indringend juist op een Avondmaalszondag!

Als ik in deze tekst Izak beschouw, hoor ik hem evenmin geluid of protest maken. Het uiten van pijn is eigenlijk een protest tegen de foltering. Je maakt geluid om uiting te geven (een vocale uitweg te zoeken) voor de felle energiestoot die de pijn is, veroorzaakt door de verwonding die wordt aangebracht. Wie zou daar iets tegen hebben? Zou jij het iemand verwijten, als hij geluid maakt, wanneer er spijkers door de zenuwbanen in zijn polsen worden gejaagd?
Ik herinner me het moment waarop de drain uit mijn buik moest worden getrokken, na een galoperatie. "Dit is even niet leuk," zei de zuster. Ik moest een hap lucht nemen en op mijn tanden bijten; ik was op het ergste voorbereid, maar toen ze de drain in haar handen had vroeg ik verrast: "Was dat het?" Misschien was ik teveel op iets ergs voorbereid… kleinzerig als mannen kunnen zijn. Maar dat staat in zo'n onmetelijk contrast met de stilte op Golgotha als Jezus wordt gekruisigd. Laat staan dat ik verwacht dat Hij nog tot zevenmaal een woord van erbarmen en genade spreekt terwijl Hij aan eigen gewicht hangt aan de spijkers in het kruis.

Die beiden gingen tezamen

Wat in de tekst allereerst opvalt is dat Izak en Abraham gezamenlijk aankomen op de precieze plek die God had uitgekozen en aan Abraham had gewezen. Tot zover kun je spreken dat ze samenop gingen. Van Izak lezen we op geen enkele manier dat hij met tegenzin kwam; hij wist tot dat moment nog niet wat hem te wachten stond. We zouden het eerder dan ook van zijn vader verwachten dat er tegenzin in hem opkomt. Toch lezen we ook dat niet.
Toen de wijzen uit het oosten naar Israël kwamen om de geboren Koning der Joden te aanbidden c.q. te verwelkomen, werden zij 'gaande gemaakt' door een ster en vlakbij Bethlehem bevestigd door een ster. We lezen dat ze verblijd werden toen ze die ster weer zagen, die ze herkenden uit het oosten. Een dergelijk teken moet er van de hemel zijn geweest, om Abraham duidelijk te maken waar de offerplaats precies was. Waarschijnlijk heeft Izak die engel niet gezien, maar Abraham wel. We lezen in vers 11: "Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel…", alsof het een bekende – weliswaar nog niet genoemde Aanwezige – was in de geschiedenis. En iets moet Abraham in die verschijning bemoedigd hebben. Als keek de engel toe hoe Abraham te werk ging en met hoeveel toegewijdheid aan God. Bedenk dat de Engel des HEEREN veelal wordt gebruikt voor God de Zoon! Hij kijkt toe, hoe Izak bijna de weg gaat die Hij Zelf eeuwen later tot het einde zal gaan afleggen!

Die beiden gingen alleen

En hier zal het moment zijn aangebroken dat Abraham openheid van zaken geeft aan Izak. Ik lees niet van geroep, gehuil of een rennende Izak, de berghelling af richting de beneden wachtende knechten: "Help! Help! Mijn vader is gek geworden! Hij wil me doden!" De Kanttekenaren schrijven hier een tere uitleg en attendering bij: "Merk hier de bijzondere lijdzaamheid en gehoorzaamheid van Izak, die zonder twijfel van zijn vader daartoe tevoren was overreed."
Ook Izak is gewillig gemaakt. Wie zou het hem nadoen? Genade! En dan gaat vader Abraham aan het werk. Zou Izak hem nog geholpen hebben bij het stapelen van de ruwe, ongelijke stenen? Bij het sorteren van het hout? Bij het aangeven van de touwen? In de tekstwoorden zie ik alleen een actieve Abraham. Izak is de passieve. We lezen dat Abraham zijn zoon vastbond. Opnieuw de Kanttekeningen: "Gelijk de beesten ter offerande aan hun vier voeten gebonden worden, alzo heeft Abraham zijn zoon Izak aan handen en voeten gebonden (zoals enigen menen), omdat het Hebreeuwse woord van de offeranden gebruikt zijnde zulks dikwijls betekent." Bedenk dat ook Jezus Christus aan handen en voeten bevestigd is geworden aan het hout van het kruis!

Lam Gods, dat zo onschuldig,
zo moedig en geduldig,
aan 't schand'lijk kruishout lijdt,
verdienen niet mijn zonden
die striemen en die wonden?
Ja 'k weet, dat Gij onschuldig zijt!

Niet Gij, neen ik moest sterven
en 's Vaders liefde derven
in eindeloze pijn!
Toen sloegt G' op mij uw ogen
in godd'lijk mededogen,
en wildet mijn Verlosser zijn.

Gun, dat 'k U dankbaar nader,
o Midd'laar bij de Vader.
Wat is uw liefde groot!
Gij wildet mij hergeven
het eeuwig, hemels leven,
en stierf daartoe die wrede dood.

O Godslam, nooit volprezen,
leer mij de zonde vrezen,
waarvoor Gij stierft aan 't kruis!
Deel mij uw zaal'ge vrede,
ja, deel m' uw hemel mede
en leid mij eens in 't Vaderhuis.
Tot slot nog een opmerking van de apostel Jacobus over dit gebeuren. In hoofdstuk 2 van zijn zendbrief schrijft hij in het 21e vers: "Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?" Daar staat een van de allerlangste Kanttekeningen bij; die moet je maar eens lezen. Hiermee wordt Abraham er een voorbeeld van dat het geloof zonder de werken dood is; maar hij is daarentegen geen bewijs dat de werken boven het geloof gaan! Tegelijk wordt ook deze geschiedenis niet als het enige bewijs voor Abrahams onvoorwaardelijk geloof gezien, maar in vers 23 zegt Jacobus dat Abraham al eerder van zijn geloof in de HEERE getuigde door God op Zijn woord te geloven over de aanstaande geboorte van Izak! En juist dit bewijs van Gods betrouwbaarheid moet Abraham nu gaan offeren!
Wij moeten maar geen bijzondere tekenen en momenten van God in ons leven koesteren als bewijzen dat het wel goed zit. We kunnen niet leven van 'eens bekeerd te zijn geweest', maar we worden geroepen tot een voortdurend vernieuwd geloof en een groeien in de genade. Daar zit geen enkel eindpunt in, geen gearriveerdheid, maar een verlangen naar het 'aanschouwen' waarin het geloven zal overgaan!

vrijdag 19 juni 2015

Doe een teken mij ten goede

"Toen zag Gideon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gideon zeide: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht."
Richteren 6 : 22

Al die tijd had Gideon bijna platvloers gesproken tegen de Man die tegenover hem stond. Weliswaar ging er wel een lampje bij hem branden, toen hij merkte dat er iets bijzonders aan deze ontmoeting was. Dit was niet zomaar een man. Wellicht iemand met een dubbele agenda, die met een omweg opeens bij een totaal ongedacht doel wilde komen. Om zeker te weten dat het God Zelf is die tegen hem spreekt, gaat Gideon een offer brengen; een offer van voor hem kostbare artikelen: een geitenbokje een paar koeken. Immers het was oorlog en er was honger?

Zekerheid zoeken

De Man voor hem is voor Gideon – zoveel is wel duidelijk – een profeet. Maar van wie komt de boodschap van deze profeet? Gideon wil zeker weten dat deze boodschap het bevel van God Zelf is. Merkwaardig is dat Gideon om een teken vraagt. Wat zou dat teken zijn? Zowel de Bijbel als de Kanttekeningen gaan daar niet op in. De Kanttekeningen schrijven wel bij teken: "Om mij te verzekeren dat gij van God hiertoe gezonden zijt, opdat ik deze beroeping met een goede conscientie moge aannemen." Maar als we lezen wát Gideon dan gaat doen, lezen we niet meer dan dat hij een gastvrije welkomstmaaltijd gaat maken, zoals ook Abraham deed, toen de drie mannen bij hem op bezoek kwamen, een jaar voordat Izaäk werd geboren en kort voordat Sodom en Gomorra werden verwoest (Gen. 18). Ook bij de aankondiging van Simsons geboorte komen we een dergelijk snel bereid maal tegen (Richt. 13). Het wordt daar een 'offer' genoemd, dat zij aanbieden aan de Man, Die een bijzondere boodschap brengt.
Offer of maaltijd en teken staan naar mijn overtuiging los van elkaar. Deze maaltijd is een betoon van eerbied. Manoach zegt in Richteren 13: "Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden." Gideon kende deze geschiedenis nog niet, want hij leefde heel wat jaren eerder. het lijkt erop dat dit een bepaald gebruik was. Maar het teken, waar Gideon om vraagt, wordt niet nader uitgelegd. Ergens las ik dat Gideon wel vermoedde dat de HEERE hem deze opdracht gaf, maar dat hij iets aan Hem wilde teruggeven: een offer van koeken met saus en een gekookt bokje. Dat offer voldeed nog wel niet helemaal aan de voorschriften die God aan Mozes had gegeven, maar de HEERE zou hem daarover niet hard vallen. De daad van Gideon echter, om wat voor de HEERE te doen werd echter in dat wat ik las bekritiseerd.
Hoe het ook zij, Gideon offert en vraag een teken dat hij echter niet nader specificeert. Misschien dat hij gewoon 'een teken' vroeg: "Laat me maar ergens door zien dat u inderdaad door God gezonden bent." Niet wetend waar hij aan moest denken bij dat teken, gaat Gideon en bereidt het offer. Hij wil met de bevestiging door een teken, zekerheid krijgen over de vraag: is dit echt Gods weg? Ik snap hem heel goed. Als je voor belangrijke keuzes staat en niet weet wat je moet doen, dan is het zo belangrijk zeker te weten dat het de weg van de HEERE is. Je zou een teken willen, een aanwijzing bij het lezen van Gods Woord. En soms gebeurt dat ook. Maar soms blijft het stil of duurt het langer. Blijft echter op de HEERE wachten. Neem in die zin een voorbeeld aan Gideon, die doet wat zijn hand en hart vinden om te doen, maar tegelijk wacht hij met ingehouden spanning op het teken van God.

Ootmoed leren

Maar hoe groot is de schrik als hij niet alleen een teken ter bevestiging krijgt, maar hij daarmee ook iets anders gaat zien. Gideon krijgt een teken. In een flits verdwijnt het offer. God verteert het offer dat op een rots ligt. Wat een bijzondere lijn naar hét offer, Jezus Christus, Die op een rots werd geofferd! Nota bene is deze Engel Christus Zelf! Gideon had de dood verdiend, door zijn twijfelen aan Gods waarachtigheid; het offer wordt echter verteerd en niet hij. Je zou denken: dat is het teken, nu weet je het zeker.
Er komt echter niet alleen zekerheid, maar ook angst en ootmoed. Hij heeft God gezien en zal moeten sterven. Hoe zal hij God onder ogen kunnen komen? De God, Die hij zo even nog voor zich zag? Een verootmoedigende les voor ons!
Gideon valt op de grond en vernedert zich voor de HEERE. Een Engel des HEEREN zien is sterven. Want, wie immers zal God zien en leven? Ook dat ervaarden Manoach en zijn vrouw enkele hoofdstukken verderop. Bij Abraham evenwel lezen we daar niets over. God praatte met Abraham en vroeg Zich hardop af: "Zou Ik iets voor Mijn vriend Abraham verbergen?" Abraham deinsde niet terug om de HEERE herhaaldelijk te smeken voor Sodom en Lot. Geen angst dus, hoewel Abraham spreekt over stof en as.
De HEERE bemoedigt Gideon echter: "Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven!" Nee, want God had een opdracht voor Gideon; zou Hij hem dan wegmaaien door de dood? Nee, Gideon mag vrede, diepe vrede ervaren. Dat neemt niet weg dat het even later tóch tot een dubbele vraag komt om een teken. En opnieuw zeg ik: ik snap Gideon zo goed. Verschillende dingen kunnen op hun plaats vallen, maar toch zoek je naar bevestiging. Niet alleen óf het wel de weg van de HEERE is, maar ook of je die weg wel op de juiste manier gaat. Snap je dat? Ik geloof dat we in die zin om tekenen mogen vragen. Laat het niet uit twijfel voortkomen, maar uit ootmoed, wetend wie je bent; hoe gemakkelijk je dwaalt en eigen wegen inslaat, die lijken op Gods weg.
Zeker, we moeten staan naar volstandig wandelen. Resoluut en dapper, vastberaden in Gods kracht. Maar als er die moment zijn waarop we door de vele bomen van vraagtekens het bos van Gods zekerheid en trouw niet meer goed zien, houdt dan aan in de gebeden aan Gods troon der genade én houdt aan in het lezen…

Heer', wijs mij Uw weg
en leid mij als een kind
dat heel de levensweg
slechts in U richting vindt.
Als mij de moed ontbreekt
om door te gaan,
troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.


Heer', leer mij Uw weg,
die zuiver is en goed.
Uw woord is onderweg
als een lamp voor mijn voet.
Als mij het zicht ontbreekt,
het donker is,
leid mij dan op Uw weg, de weg die eeuwig is.
 

Heer', leer mij Uw wil
aanvaarden als een kind
dat blindelings en stil
U vertrouwt, vrede vindt.
Als mij de wil ontbreekt
Uw weg te gaan,
spreek door Uw Woord en
Geest mijn hart en leven aan.


Heer' toon mij Uw plan;
maak door uw Geest bekend
hoe ik U dienen kan
en waarheen U mij zendt.
Als ik de weg niet weet,
de hoop opgeef,
toon mij dat Christus heel
mijn weg gelopen heeft.

Tekst: Sela

maandag 15 juni 2015

Jobhoppen of roeping?

"Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten."
Richteren 6:11

Hoe is het mogelijk dat wij mensen zo hardleers zijn! Tenminste, ik denk niet dat er ergens ter wereld betere mensen zijn dan die van het volk Israël. Zoveel uitredding en rust en toch weer, alsof er niets gebeurd is: afgodendienst. Het is helaas mogelijk na Genesis 3. Waar ik deze komende tijd hardop via deze bijbelstudies over na wil denken is de nieuwe job voor Gideon.

Een oudtestamentische discipel

Het gaat net als eeuwen later, wanneer de Heere Jezus langs de oever van het meer loopt en zegt tegen Andreas en Petrus: "Volg Mij!" Ze waren, evenals Johannes en Jacobus, vissers, maar worden weggeroepen uit hun vertrouwde job en krijgen een nieuwe missie. De zoon van herenboer Joas, Gideon, is helemaal vertrouwd met het boerenbedrijf. Zonder zelf bewust naar een jobwissel op zoek te zijn, staat hij aan de vooravond van een ingrijpende beroepswijziging. Gideon is geen jobhopper of carrièretijger. Maar de Engel des HEEREN komt langs, God de Zoon. Dezelfde als Die eeuwen later langs de oever van de Zee van Tiberias hetzelfde zal gaan doen: "Volg Mij!" En Gideon gaat…

Een sombere discipel

Van Gideon merken we dat hij God kent, maar zijn geloofsleven is – voor zover aanwezig – ingedut. Hij heeft, door de omstandigheden een sombere kijk op God gekregen. Dat is een kwalijke zaak. Want zo ziet hij de dingen niet meer in het juiste perspectief. Somber en balstorig antwoordt hij de Engel (hoewel hij nog niet weet dat het een engel is, laat staan dé Engel): "Ach meneer, als de HEERE met ons was, waarom overkomt ons dit allemaal?" Gideon moest toch wel beter weten; hij had toch geen oogkleppen voor? Nota bene vlak bij huis was er een bos voor Baäl, met een afgodenaltaar erin. Dan kun je toch prima aanvoelen dat daar straf op zal volgen. Gideon lijkt het niet te zien en is somber, maar ook vindingrijk. Hij probeert met het dorsen van de tarwe in de wijnpersbak de vijanden voor het lapje te houden. En het lukt. De vijanden vinden hem niet… maar de HEERE wel!

Een bescheiden discipel

Gideon; de naam גדעון betekent 'neerveller' of 'houwer' of 'vernietiger'. Het is niet zo vreemd dat de HEERE hem juist op de betekenis van zijn naam aanspreekt: "De HEERE is met u, gij, strijdbare held!" De HEERE is met u, bij neerveller. Hoewel zijn naam hoop zou moeten geven, is Gideon uiterst bescheiden over de stoere betekenis van zijn naam. Van zichzelf verwacht hij niets. Van de HEERE lijkt hij evenmin iets te verwachten. En toch wil de HEERE deze man in Zijn dienst: Volg Mij! Ik zal je geen visser der mensen maken, maar letterlijk 'neerveller'. Gideon laat nu nog zijn tarwe 'vluchten' voor de Midianieten, maar hij zal zeer binnenkort een andere job gaan vervullen, die hij nu nog niet voor mogelijk houdt. Hij zal Israël verlossen en de Midianieten laten vluchten. En de HEERE laat – zo blijkt verderop in dit gedeelte – de PR al flink draaien onder de Midianieten. Want nog voordat Gideon ten tonele verschijnt, kennen ze hem en beven. Ja, ze beven voor de God van Gideon, de God van Israël. Beschamend, niet? Dat de Midianieten meer geloven in de macht van God, dan Zijn Eigen verbondsvolk! Ken je dat?