Posts tonen met het label afgoderij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label afgoderij. Alle posts tonen

maandag 18 juni 2018

Kunstenaar versus kunstenaar


Hoofdstuk 14
En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden,
gelijk geschreven is in het boek der profeten:
Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd,
veertig jaren in de woestijn, gij huis Israëls?
Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch,
en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen,
die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden;
en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn,
gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide,
dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Handelingen 7 : 42-44
Je eigengemaakte beeld aanbidden heeft iets aandoenlijks, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Het sterrenstelsel aanbidden, dat niet door jou is gemaakt, is nog wel wat anders! Het heelal heeft altijd al een -bijzondere aantrekkingskracht op mensen. Het is door God gemaakt… en toch vindt God die eigenzinnige godsdienst complete afgoderij!
Fake godsdienst
Wat hebben de Israëlieten die veertig jaar in de woestijn gedaan? Ik had er als kind toch altijd het beeld bij van: moeizaam door het zand sjokken, voor straf. Ook dacht ik dat het volk netjes de offerdienst uitvoeren die God had geboden aan Mozes. Maar hoe schokkend is het om te lezen dat God een vraag stelt: “Hebben jullie ook slachtoffers en allerlei opoffering aan Mij gebracht?” Alsof Hij wilde zeggen: “Heb je ooit wel eens wat laten zien aan Mij dat op -gehoorzaamheid leek? Praat me er niet van! Nooit!” Dat is toch wel een harde boodschap voor het volk. De vraag is: zegt Stefanus dit, doordat hij de historie zelf inkleurt, of omdat de Heilige Geest dit zegt? Dan zou dat dus terug te vinden moeten zijn in het Oude Testament.
Het zijn de onthutsende woorden aan het einde van Psalm 95: “Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!” Om zo maar één voorbeeld te noemen. Maar Stefanus spreekt niet over de Psalmen, maar over de Profeten! Eigenlijk legt hij hier een link naar Amos 5 : 21-23, waar Amos in een even venijnige woordenstroom moet zeggen namens de HEERE: “Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken. Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luiten spel niet horen.”
En die woorden kende de luisteraars van Stefanus. Dat waren vervelende woorden. Want je kunt wel zeggen dat dat allemaal vroeger is gebeurd en dat jij daar geen deel aan hebt. Maar zo denkt een Jood niet. Hij is één met zijn volk en één met zijn historie. Dit soort vervelende situaties zijn een zwarte bladzijde in het boek van toen én van vandaag!
Dat Stefanus juist dit element aanhaalt in zijn preek, steekt zijn hoorders. Want ze voelen perfect aan hoe hij dat bedoelt. Meer nog dan wij, vermoed ik. Want let er maar eens op dat hij hier niet spreekt in de wij-vorm, maar in de zij-vorm: “En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden…” Hij doet dus, alsof hij er ook even niet bijhoort en alsof het ook niet over zijn luisteraars gaat. Zou daar misschien juist de angel voor hen zitten? Luisterden zij tussen de regels?

Afgodendienst
Kijk, als je niet beter weet en je nooit anders gewend bent geweest, is het niet zo vreemd wanner je afgoden dient. Wie God nooit heeft gekend of persoonlijk ontmoet, weet niet beter. Als je opgroeit in een dorp of stam waar Moloch, of Remfan, wordt aanbeden, denk je dat dat allemaal klopt; je denkt zelfs dat jij de juiste god aanbidt!
Maar toen ik als kind een bijbelverhaal hoorde over het volk Israël dat de afgoden ging dienen, vond ik dat raar. Het zal het verhaal van Jerobeam zijn geweest, die zijn volk verbood naar Jeruzalem te gaan en gebood om God slechts in Dan en Bethel te dienen bij de gouden kalveren! Toen dacht ik: dat is raar! Al die mensen hebben God, de God van Abraham, Izak en Jacob, gekend en gediend en nu opeens komt er een koning die zegt dat die gouden kalveren God zijn.
Of die keer dat het verhaal ging over Achab die het volk verbood in de God van het Verbond te geloven en gebood om Baäl te dienen. Een god van vreemde volken, vijanden van Israël zelfs! Opeens moest het volk allemaal vergeten Wie God was en doen alsof… ja doen alsof Baäl nu God was. Ik snapte niet dat je nooit meer aan God dacht en dat je nooit eens dacht: “Wat doe ik eigenlijk? Wat doen we met zijn allen? Dit is toch allemaal nep?” Die mensen keken toch naar dat beeld van Baäl? Die wisten toch wel dat dat beeld nooit bewoog en nooit van zijn plek kwam? Die wisten toch gewoon dat het allemaal nep was?
Of, andere verhalen, die priesters of medicijnmannen of druïden van heidenstammen. Die zijn toch op een keer begonnen met die vreemde godsdienst? Want als je helemaal teruggaat in de tijd kom je bij Noach en zijn zonen, die allen precies wisten Wie God was. Ooit is er dus iemand begonnen om wat anders te gaan doen en geloven! Dat snapte ik dus als kind al niet. En ik vond het zo gaaf aan God dat Hij er al van eeuwigheid was! Al leverde mij dat weer andere vragen en raadsels op, waar ik niet zomaar een antwoord op wist. Dat wel. Maar toch…

Wie zijn die afgoden?
Stefanus heeft het over Moloch en Remfan. Of eigenlijk over ‘het gesternte van uw god Remfan’. God is in gesprek met Zijn volk en praat in de jij- en jullie-vorm: ‘uw god’, ‘die gij gemaakt heb’ en ‘die gij opgenomen hebt’. Misschien ben je nieuwsgierig wie die goden zijn. Op internet vind je tal van artikelen over wie die goden zijn en ik waag me daar toch niet aan. De schrijvers spreken elkaar nogal tegen en… het leidt ons af van de boodschap. Moloch komen we in de Bijbel tegen. Men beweert dat hij als een kalf-mens wordt afgebeeld. Dat element ‘kalf’ moet je goed onthouden. Vaak vertelt men dat het een groot beeld van koper was, met een enorme oven erin. Een beeld met uitgestoken armen waarin kinderen werden gelegd. En de priesters roffelden dan keihard op hun trommels om de ouders niet te laten horen hoe de kinderen krijsend verbrandden.
Remfan wordt hier eigenlijk genoemd als ‘het gesternte van Remfan’. Hoewel daar dus een beeld stond dat mensen hadden gemaakt, symboliseerde dat beeld iets van de zon. In die twee goden zelfs zou de zon worden aanbeden als een alles-verzengende oven. Het zou kunnen.
Ook kom ik op internet een aantal sites tegen die over symbolen schrijven. Met name christelijke symbolen die wij nu nog kennen en ‘aanbidden’. Bijvoorbeeld het kruis en de vis (ichthus), maar ook hebben wij speciale gevoelens bij de hexagon, de zogenaamde Davidsster. Sommige overgeestelijke evangelischen en ‘orthodoxen’ waarschuwen ons om zulke symbolen met een heidense origine te gebruiken. Het kruis is volgens hen niet een positief teken, maar het tegenovergestelde van het geloof. Het is het teken van de vloek! En de vis is een verwijzing naar de vis-god Dagon, die iets te maken zou hebben met Nimrod, de bouwer van Babel (Babylon). En dat is in het verband van onze tekst wel interessant. Ook de Davidsster is een occult teken. Maar toch… de HEERE leert ons niet in de symbolen te roemen, maar in de betekende zaak! Wij roemen niet in brood of wijn, maar wij heffen onze harten in de hemel om Hem te aanbidden Die in deze tekenen ons nabijkomt en laat zien en proeven Wie Hij is, Wie Zijn Zoon is en wat Hij voor ons heeft gedaan. We blijven dus niet hangen in symbolen, maar steken af naar de diepte: de betekende, eigenlijke, zaak!

Wat zijn die afgoden?
Toch noemt Stefanus deze goden om er iets mee te zeggen. Wat zijn die goden? Al de goden van de heidenen zijn ijdelheid, zingt Psalm 96:

Al d’ afgoon zijn slechts ijdelheden,
Maar God, Die van ons wordt beleden,
Is ‘t, Die de heemlen heeft gesticht
En voor Zijn Goddlijk Aangezicht,
Zet eer met majesteit haar treden.

Dat zegt de HEERE om Zijn volk gerust te stellen. Naast dat het de waarheid is, steekt Hij hen een hart onder de riem door hen te laten zien dat die goden helemaal niets kunnen doen! Wees maar gerust, ze stellen niets voor. Ze zijn van hout gemaakt, mooi versierd met goud, zilver en gekleurde stenen en verfstoffen. Maar iemand heeft ze ooit zelf bedacht, ontworpen en -gemaakt! God noemt ze in de tekst een afbeelding die jullie hebben gemaakt om te aanbidden. Men wilde iets tastbaars van God hebben. Daarom hebben ze kunstig ontworpen beelden gemaakt naar een eigen interpretatie, afbeelding en ontwerp.
Een vers verder gaat het over de tabernakel die Mozes moest laten maken. Ook daar noemt de HEERE een ‘ontwerp’; dat was de afbeelding die God liet zien aan Mozes, op de berg Sinaï. God maakte een werktekening: kijk zo moet je het laten maken. En Ik heb twee mannen met Mijn Heilige Geest vervuld; die kunnen dat precies zo uitvoeren: Bezaleël en Oholiab waren door God Zelf uitgekozen als uitvoerders. En zij hebben het ook keurig en perfect uitgevoerd. Mij lukt dat nooit, iets natekenen, precies volgens het voorbeeld. Mijn vrouw kan dat altijd wel heel goed. Bij mij wringt het meestal. Ik teken liever iets zelf uit mijn hoofd, zonder voorbeeld. Maar deze twee mannen maakten het dus wel precies zo, zoals God het bedoeld had! En God was er blij mee, want Hij liet merken dat Hij er Zelf in wilde wonen. Dus was het goed!

Kunstenaar versus kunstenaar
De HEERE stelt Zich dus als Kunstenaar tegenover die kunstenaars die die afgodsbeelden zelf hadden gemaakt. Hij is de grote Kunstenaar Die de hemel en de aarde heeft geschapen. Hij liet een tabernakel bouwen, maar nergens was een afbeelding van Hemzelf te zien!
Als iemand een portret van jou maakt dan ben je benieuwd hoe het is geworden. Klopt het schilderij of de tekening met het beeld dat jij van jezelf hebt? Lijkt het? Vaak valt het tegen, maar dat ligt niet altijd aan de kunstenaar.
Echter, nu gingen die menselijke, -heidense, -kunstenaars wel een beeld van God maken. God heeft gezien wat ze ervan gemaakt hadden. Wat ze accentueerden aan Hem of juist weg lieten. Wat ze scheef trokken of opblaasden. Zeker weten dat God Zich nooit heeft herkend in die beelden die er van Hem zijn gemaakt.
Is dat trouwens ook niet een puntje van aandacht bij het beeld dat wij verbaal van Hem maken? Zijn wij in staat een volledig en volmaakt beeld van Hem met woorden te schetsen? Schiet dat niet altijd tekort? Is Hij in woorden te vangen? Zou het kunnen zijn dat de HEERE Zich ook niet herkent in het beeld dat wij, dat predikers, leraars en ouders, van Hem maken? Moet Hij zeggen: “Dat beeld dat jij van Mij maakt is maar een eigengemaakt ontwerp en niet de werkelijkheid van Wie Ik ben! Je bent een eigengeschapen karikatuur van Mij aan het aanbidden! Maar Mij heb je geen offer en geen opoffering gegeven!”
Misschien is het geen Moloch- of Remfanbeeld, maar aanbid je een of andere oudvader, een theoloog, een voorganger of een ander ‘voorbeeldfiguur’.

Karikatuur en oordeel
God dreigt met een nieuwe ballingschap ‘op gene zijde van Babylonië’. De andere kant van Babel? De kant van de grote hoer uit Openbaringen? Het kamp van satan? Definitief? Ja, dat is het risico dat je loopt als je niet genoeg hebt aan het beeld dat God Zelf heeft uitgetekend in Zijn Woord en vooral in Zijn Zoon, daar aan het kruis!
Er komt een einde aan Gods geduld. De Geest bedroeven doet Hem terugtrekken. De Geest uitblussen doet Hem verdwijnen en naar elders vertrekken. Naar Noord-Korea, naar Kenia, naar Saoedi-Arabië, naar Ghana, naar China naar Afghanistan of naar Somalië. Dwars door de vervolgingen van Al-Shabaab, een of andere overheid, Kim Jong-un, Taliban of IS. Wie zal het zeggen? Welke kunstenaar volg jij?

woensdag 13 juni 2018

Afgoderij heeft iets zieligs


Hoofdstuk 13

Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte; zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want
wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is. En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
Handelingen 7 : 38-41
Afgoderij heeft iets zieligs, zoals Stefanus het op een haast conference-achtige manier beschrijft. Zoals John Piper eens zei tijdens zijn speech ‘Don’t waste your time’, over mensen en hun American Dream, die een leven lang druk waren met hun schelpenverzameling en op de Jongste Dag tegen de grote Schepper van het heelal zeiden: “Here it is, Lord, my shell collection. Look, Lord, my shell collection.” Aandoenlijk bijna!
Holle godsdienst
Stefanus blijft nog even bij Mozes stilstaan, maar eigenlijk schildert hij iets uit dat met het volk te maken heeft. Iets vervelends, wat ze liever niet meer hoorden. Hij haalt geen oude koeien uit de sloot, trouwens. Want zonden die bedekt zijn moeten we niet meer boven tafel trekken. Zo gaat God er ook niet mee om. Maar hier herhaalt zich de geschiedenis. Daarom snijdt Stefanus deze oude wond, met die open zenuw, weer open. Maar… we hebben hier toch niet te maken met een gouden kalf op zo iets? Maakt Stefanus niet een karikatuur van de hele situatie? Is hij wel fair bezig?
Hij gebruikt de geschiedenis van het gouden kalf – hoe merkwaardig is het dat juist dit symbool als prijs voor de beste film wordt gebruikt! – om iets aan te tonen in het handelen van het Joodse volk ten opzicht van … hemzelf? Nee, ten opzichte van Jezus! Hij neemt zijn luisteraars mee, bij de buitenkant van hun godsdienst vandaan, naar de binnenkant. De holle binnenkant. Ze volgen Gods geboden, maar hoe? Is dat voor ons misschien op voorhand al een les?

Ongehoorzaamheid
Wie was Mozes? In het voorgaande heeft hij Mozes uitgeschilderd als een profeet. Een speciale profeet zelfs. Want, zegt hij nu in vers 38, deze Mozes was in gesprek met de Engel des HEEREN (let op dat hij het hier niet heeft over ‘God’ in het -algemeen, maar over ‘God de Zoon’!).
Het volk had tegen Mozes gezegd dat die maar met God moest praten, want zij konden de aanwezigheid van God niet verdragen. Ze werden er doodsbang van. Onthoudt dat element: bang voor God!
Je zou dus verwachten dat het volk ontzag liet merken voor Mozes. Hij had wel eerbied voor God, maar was niet bang. Hij durfde bij God te zijn, zelfs veertig dagen lang! Terwijl zij met een paar minuten al niet meer wisten waar ze blijven moesten. Zij hebben dus heel duidelijk gevoeld (!) dat ze voor God niet konden bestaan. Van zo’n houding mag je toch goede vruchten verwachten? Wordt zo’n houding in onze kringen ook niet erg aangeprezen en bewierookt?
Wat zich daar op die berg Sinaï heeft afgespeeld wist het volk niet. Maar Mozes kwam wel met twee bewijsstukken naar beneden: de Stenen Tafelen, de platte stenen van het Verbond, zoals deze uitdrukking in de Basisbijbel wordt vertaald. Het woord ‘lu-ach’ betekent plank, tableau of plaat. Deze stenen waren niet zo groot als een grafzerk, want dan kon Mozes ze niet helemaal meenemen naar beneden. Waren ook geen grote granieten billboards met een heel verhaal erop. Het waren twee platte stenen, die draagbaar waren, en waarop aan de voor- en de achterkant Tien Woorden stonden gekerfd. Tweemaal dezelfde woorden: een kopie dus. Schilderijen en afbeeldingen van Mozes met twee enorme zerken met gebod 1-4 op de ene en 5-10 op de andere steen zijn puur fictie.

Contrast
Wel, die stenen waren dus ook de bewijsstukken dat Mozes daar iets met God had gecommuniceerd; of eigenlijk: dat God iets concreet had opgedragen aan Mozes. Hij kwam daar niet naar beneden van een gezellig onderonsje, maar met een missie!
Hoe groot is dan het contrast, wanneer je Mozes met die heilige opdracht van de grote en barmhartige God van het Verbond (God de Zoon Zelf, die later díe Profeet zou worden, waarover Mozes zou spreken!) de berg ziet afkomen en beneden die janboel rondom dat gouden kalf ziet! Het is alsof je na een indringende en bewogen preek, de kerk uitloopt en keihard de radio aanzet met deathmetal- of hardcoremuziek. Het zout van de tranen nog op je wangen, maar je ogen klappen dicht en je headbangt op de satanische cadans van de beat.
Het is dit mega-contrast waarover Mozes zo fulmineert en woest de zo heilige stenen neersmijt in het dal. Ze barsten uiteen, maar het blust de toorn in Mozes niet. Er moet meer gebeuren. Ook Mozes vormt een contrast in zich. Zijn toorn explodeert tegen een heel volk. Heb je je wel eens afgevraagd waarom zo’n massa van duizenden mensen zo onder de indruk is van die ene man die daar dwars door hun feestje komt stuiven?
Nee, zijn gezicht glansde niet, zoals dat later wel gebeurde toen Mozes opnieuw op de berg bij God was en opnieuw twee stenen met de Tien Woorden kreeg. Nee, deze eerste keer is er aan Mozes niet zo iets te zien. Maar stiekum denk ik wel dat Stefanus deze geschiedenis als een hint gebruikt naar zijn eigen glanzende gezicht, dat ze nog maar enkele minuten geleden hebben kunnen zien!

Aversie
Ongehoorzaamheid is een naar woord. Maar dekt dat de lading van wat Israël hier onderaan de Sinaï deed? Is daarmee gezegd wát hun intentie was? Nee. Daarom zet Stefanus resoluut het mes in deze stinkende wond! “Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte…” Ze waren niet maar was wereldgelijkvormigheid aan het plegen. Ze kantten zich tegen Mozes (en daarmee tegen God Zelf) en verlangden weer terug naar Egypte (en uitten dus een aversie tegen Gods Beloofde Land)! En dat is desastreus!
Daarbij is het dus aandoenlijk om te zien dat ze hun goud bij Aäron komen brengen en dat hij er een beeld van gaat maken van een afgod die hij zich nog herinnert uit Egypte. Een stoer stierkalf.
Zo dan, daar heb je je god die lekker voor je uit gaat. Al hadden ze honderd jaar gewacht, dat kalf was nooit van zijn plek gekomen. Ze hadden het nota bene zelf in elkaar gesmolten. En kijk eens… ze vallen voor het beeld neer en dansen er als een stel bezetenen rond.
Zielig
Jeremia steekt er in hoofdstuk 10 al de gek mee – hoewel zijn profetie vooral bedoeld is als troost voor Gods volk dat wordt aangevallen – als hij kijkt naar wat de heidenen allemaal bedenken om maar niet in de HEERE te geloven. Ze zijn niet alleen van God los, maar ze willen dat ook koste wat het kost blijven. Daarom vullen ze die leegte zo krampachtig gedreven in met afgoderij: “Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan […] In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden. Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning […] Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.”
En hij zegt eigenlijk ongeveer hetzelfde als Jesaja in hoofdstuk 40 deed: “Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen? De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe. Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele. Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?”

En ook Daniël moet names God iets dergelijks zeggen tegen Belsazar, wanneer hij uitlegt wat er met die woorden ‘mene, mene, tekel, upharsin’ op de muur wordt bedoeld: “…de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.”

Stefanus vat de geschiedenis met het gouden kalf als volgt samen: “En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.”

Wie is hier nu God?
Sprak hij eerst in de dagtekst nog over ‘onze vaderen’, nu zegt hij allen ‘zij maakten’, ‘zij brachten offers’ en ‘zij verheugden zich in het werk van hun handen’. Die cynische toon moet het volk niet zijn ontgaan. Het doet aandoenlijk aan. “Kijk dan, ze hakken, smeden en versieren een beeld alsof het een cupcake is! En dat selfmade ding zetten ze neer, gaan er in een kringetje omheen staan (er gebeurt niets) en opeens, als bij toverslag, is het het een god. Een machtig god nog wel, die voorop gaat en de hele meute loopt er achteraan richting … ja, richting Egypte zou je denken. Naar huis. Toch?
Gek genoeg maken ze nog geen aanstalten om op reis naar huis te gaan. Ze blijven daar onderaan die berg hangen. Het gaat niet erg hard met die god voorop. Of is het de levende God Die hen bij deze plek houdt, om ze te laten zien Wie Hij werkelijk is? Dat wordt geen fijne les, maar wel een heel leerzame. Hoe smaakt water moet goudpoeder? Dat is nog gevaarlijk ook! Inwendige besmetting. Metaaldeeltjes in je buik en vaten. Een langszame maar gestadige dood vermoedelijk. Niemand heeft het overleefd. Sterker nog, er waren er die diezelfde dag nog door de stam van Levi zijn gedood! Kon dat gouden kalf dat allemaal niet verhinderen? Flikkerde er geen bliksem uit de egyptische goden-hemel toen Mozes dat gouden kalf aan poeier sloeg? Nee, het bleef ademloos stil. En opnieuw is er tussen die duizenden niemand die Mozes een halt toe roept. Wie is hier nu God?
Een predikant zei eens: dat gouden kalf was geen afgod, maar de zichtbaar -gemaakte vertoning van God. Men had moeite met een onzichtbare God. En hoe actueel is dat? Maar mag God nog zijn zoals Hij wil zijn? Maakt dat eigenlijk iets uit? Moet Hij passen in ons voorstellingsvermogen? Of kan Hij even goed God zijn, als Hij onzichtbaar is? Het lijkt er in deze geschiedenis op dat ze Mozes als de belichaming van God zagen. Toen de zichtbare Mozes weg bleef waren ze God kwijt. Zit daar niet een lijn in die we vandaag de dag terugzien in de kerk? Zijn ook vandaag niet heel veel rechtzinnige mensen ‘godsdienstig’ bezig met een zichtbare God in ‘houdingen’, in ‘staten’, in  ‘ervaringen’, in ‘predikers’, in ‘oudvaders’, in ‘klanken’ en ‘tale Kanaäns’. “Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. […] Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.” Wat een God. De levende God! Onze God!