donderdag 8 januari 2015

Engelen op school in de kerk

"Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods"
Efeze 3 : 10

Aandachtig luisterende engel


Een van die merkwaardige teksten in de Bijbel die iets specifieks zeggen over de engelen, is wel deze tekst uit Efeze 3. Daar is, laat ik het simpel zeggen, tijdens elke kerkdienst iets bijzonders aan de hand (al doe ik daarmee iets tekort aan de tekst, maar daarover later). Je zou zeggen: de engelen in de hemel zullen toch wel zo'n beetje alles weten over de HEERE? Zij leven, zo zagen we gisteren in het fragment van de preek van ds. Viervant, het dichts van alle schepselen bij God? Maar nu lezen we vandaag dat zij het moeten hebben van de Gemeente! Die vertelt hen juist iets over de veelvuldige wijsheid van God. Had jij dat gedacht?
Hoe zit dat dan? Moeten wij met engelen gaan praten? Luisteren zij naar de preken, zoals wij in de kerk zitten, en zie je ze als het waren schuin voor je in de kerkbank zitten en knikken, verrast overeind schieten en gebaren: "Ah! Zo zit dat dus!" Ja en nee. 

Het verlossingswerk, dat God de Vader en God de Zoon in de Raad des Vredes hebben uitgedacht, is voor ons mensen tamelijk verborgen. Wij zien er wel het een en ander van. We merken er iets van als mensen tot geloof komen. We weten, 2000 jaar later, veel over Christus' werk en motieven. Maar er leven nog tal van vragen en duisterheden. We moeten het doen met wat is geopenbaard. Maar… tóen Jezus rondwandelden, was niets daarvan nog geboekstaafd. Het is niet zo verwonderlijk dat de discipelen vol met vragen zaten. Jezus' woorden waren bij tijden zo mysterieus, dat ze het verband erin niet zagen. En toch was het terecht dat Jezus hen bestraffend toesprak: "O, onverstandigen en dwazen van hart, dat jullie nou toch de profeten zó slecht kennen!"
Wat nu de discipelen stukje bij beetje moesten leren – en met name Johannes refereert daar af en toe aan als hij zegt, zij verstonden nog niet dit of dat – dat moesten ook de engelen nog leren. Wel anders. Zij leggen veel sneller en beter verbanden, maar hoe God te werk zou gaan vanaf Jezus' komst in Bethlehem, ze wisten het niet. Elke stap die Jezus op aarde zette, was voor hen als het afrollen van een schitterend doek, waarop een tafereel staat geschilderd. Dag na dag werd helderder hóe wijs God was. 
En datzelfde geldt ook voor Gods werk vandaag de dag. De engelen volgen het nauwlettend hoe er over de HEERE in jouw gemeente wordt gesproken. Of er mensen tot geloof komen en hoe ze dan van Hem gaan getuigen. Hoe ze met elkaar delen wat God in hen heeft gedaan! Uit de bekering van elk mens, blijkt de wijsheid Gods, waarover de engelen zich verheugen en waarin zij zich verlustigen!

Tot slot nog een citaat van ds. Viervant over dit aspect:
"Vervolgens, hoe vermeerderde [zich] het inzicht van de engelen in onze verzoening en zaligmaking, toen Gods eniggeboren Zoon, de weergave van Zijn heerlijkheid, tot verheerlijking van de Naam van de Vader, aan het kruis de geest gaf, na het doorstaan van zoveel smart en smaad. Toen Jezus, als de overwinnaar van de dood, verrees uit het graf. Toen Hij ten hemel opvoer [en] als de Hogepriester van het Nieuwe Verbond voor de troon van de grote Koning naderde.
Maar de stem van de Goddelijke Majesteit klonk door de hemelse tempel: “Zit Gij, o Priester, in eeuwigheid! Zit aan Mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden zal hebben gezet tot een voetbank voor uw voeten!”

Twijfel er geen ogenblik aan, mijn vrienden, dat er bij deze verhoging van Jezus aan de rechterhand van Zijn Vader en de verandering van de toestand van de aardse en hemelse dingen daardoor bewerkstelligd, een glansrijker licht van kennis en vreugde is opgegaan in de hemel over de verzoening en zaligheid, [zowel aangaande] het gepasseerde als het toekomende, de vervulling en de verwachting.
Jazeker, Jezus Christus, de Gekruisigde, is als de wijsheid en kracht van God, de hoop van de heerlijkheid, in het hemelse Jeruzalem door de duizenden engelen en de geesten van de volmaakt rechtvaardigen, met lofzangen verheerlijkt, [nog] voordat Hij als zodanig op aarde naar behoren erkend werd en aan de mensen bekend gemaakt werd door de prediking van de apostelen van de Heiland.
En die prediking van de apostelen was nu juist [bedoeld] om mensen, Joden en heidenen, te verlichten in de kennis van de verborgen zaken, die sinds alle eeuwen al verborgen geweest zijn in God.
Maar tevens, zoals Paulus ons leert (Efeze 3 : 10), opdat nu door de gemeente bekend wordt gemaakt aan de overheden en machten in de hemel, de veelvoudige wijsheid van God. [Wat een] merkwaardige getuigenis van de apostel! Op die manier worden de engelen nader verlicht, ook door de bediening van het evangelie onder de volken. Maar dan zal hun begeerte, om in de dingen van de verlossing in te zien, ook steeds meer worden verzadigd, naarmate de tijd van het Nieuwe Verbond verstrijkt.

Trouwens, volgens de hiervoor beschreven bewijsgronden, merk ik ten derde op dat het verlossingswerk door alle eeuwen heen, ja eeuwig, het verstand van de engelen op de [meest] aangename manier, bezighoudt.
Het ontwerp van onze verlossing is en blijft een [zeer] grote verborgenheid, zowel voor engelen als [voor] mensen. Het is zó vol van Gods heerlijkheid, dat, hoe verstandig de engelen ook zijn, zij nooit helemaal aan het einde zullen komen van hun naspeuring van de talrijke wijsheid.
Bovendien was het in de tijd toen Petrus schreef – en [zelfs] heden ten dage – nog niet af. Men heeft veel gezien van de heerlijkheid van de Middelaar, vanaf de tijd van de apostelen tot nu [toe]. Via wat voor wonderlijke wegen is Gods Kerk overal geplant? [En] in de verdrukking bewaard [gebleven]. Tegen de verleidingen beschermd. En uit [een] diep verval [weer] heerlijk opgetrokken. [En] nog [steeds] rijdt de Middelaar in Zijn heerlijkheid, op het Woord van de waarheid. Nog [steeds] behaalt Hij Zijn overwinningen.
En hoeveel moet er nog gebeuren om alles wat ons door de profeten en apostelen is verkondigd, tot stand te brengen. Het verborgen lichaam van het verheerlijkte Hoofd wacht nog lijden, maar ook heerlijkheid. Er zal een tijd van verzoeking komen over de hele wereld. Maar men zal ook ongeloof en bijgeloof zien vallen voor Immanuël. Geheel Israël [zal] tot Hem bekeerd [worden]. [En] de volheid van de heidenen [zal] ingaan. Wat een heerlijke dingen over de Stad van God!
"

woensdag 7 januari 2015

De drive van de engelen

"Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen."
1 Korinthe 4 : 9

Christenvervolgingen worden in de tijd van de eerste christenen gekenmerkt door arena-spelen, waarin zij tegen de wilde dieren moesten vechten. Paulus gebruikt dit negatieve beeld, om er iets positiefs mee te laten zien. Weliswaar worden christenen zo als schouwspel gebruikt, waarover de kwade mensen en de kwade engelen zich verkneukelen. Maar de goede mensen en de goede engelen (lees de kanttekeningen), hebben niet alleen medelijden, maar ze zijn getuige. Ze zijn betrokken op het lijden van Gods kinderen; het raakt hen. 
Daaruit zien zij ook, wat in de hemel nooit plaatsvindt: dat het geloof in God Drieënig wordt aangevochten en bekocht met de dood. Maar… kostbaar is in Gods oog de dood van Zijn kinderen. Zo ook zijn de engelen op hen betrokken. En daaruit leren ze hoe kostbaar christenen op aarde het geloof in God vinden. Hoe kostbaar God voor hen is. Zullen de engelen dicht schouwspel niet vol spanning volgen? Ze zullen er stof tot aanbidding uit putten… ja ze zullen Gods kinderen aanmoedigen en… met hen de HEERE grootmaken; In de grootste smarten, blijven onze harten in den HEERE gerust!

Dat beeld van engelen als toeschouwers wilde ik gebruiken om er nog iets over te zeggen, met de woorden van ds. Viervant. Want wat is de drive, de beweegreden, voor de engelen, om meer van de HEERE en Zijn zaligmakend werk in Zijn kinderen te weten? Wat houdt hen daarin actief betrokken en betrokken toeschouwers?
"Om meer te begrijpen van de wetenschap van deze hemelse geesten, aangaande onze zaligheid door Jezus Christus, die van tijd tot tijd wordt uitgebreid door de verzadiging van hun verlangen, wil ik een en ander opmerken over hun volmaakte kennis van God, [van] Zijn volmaaktheden en werken.
Indien de engelen volkomen gelukkig zijn, dan weten ze alles volmaakt. Wat [weten ze dan]? Alles wat ze kunnen waarnemen en [alles] wat God hen openbaart. Maar waaruit bestaat hun volkomen kennis?

1. Ze bezitten het vermogen om alles dusdanig te kunnen doordenken en onderzoeken als nodig is om aan het doel van de goddelijke openbaring en hun bestemming te beantwoorden. En zodoende [dus] voluit gelukkig te zijn. Er is niet de minste verduistering in hun verstand en geen belemmering om alles tot dat heerlijke doel te kunnen weten.

2. Hun kennis is volmaakt ten opzichte van de dingen zelf, die zich aan hun volmaakt verstand aandienen. [Want] zij hebben altijd al die dingen geweten en daarvan zóveel geweten als nodig was voor hen te weten, om ten volle te kunnen voldoen aan het doel van hun schepping en bevestiging of aan de bijzondere roeping van de Allerhoogste tot welke dienst of welk werk ook in Zijn wereld.

3. Deze volmaaktheid van verstand en kennis is begrensd binnen de kring van een eindige natuur. [Want] ze hebben geen verstand dat alles weet, alles begrijpt en alles in alle volmaaktheid direct kent en alles in één keer overziet. Nee, want dan zouden ze oneindig van verstand, alwetend en ongeschapen eeuwig moeten zijn. Er kan daarom, hoe volmaakt in kennis ze ook zijn, nog veel onbekend zijn voor hen. [Er kan] over veel dingen voor hen nog meer te weten zijn [dan ze reeds weten]. En omdat in hun verstand een opeenvolging van denkbeelden plaatsvindt, zo sluit de overdenking en het onderzoek van het ene, de betrachting van het andere op datzelfde ogenblik uit.

Dus de engelen kennen God in Zijn oneindig Wezen en volmaaktheid. [Want] ze kennen dat onbegrijpelijk Opperwezen volmaakt. Dat wil zeggen, zij kennen Hem, de in alles oneindig Volmaakte, zoveel als nodig is om Hem ieder ogenblik van hun bestaan te dienen met blijdschap en zich in Hem te verheugen, tot volledige verzadiging. Maar ze kunnen de -Almachtige niet volmaakt begrijpen. Er blijft veel over om eeuwig te -overpeinzen. En de volmaaktheden van God geven telkens weer verse stof tot nieuwe verwondering en genieting.


En nu iets over hun kennis van Gods werken. Ze kennen die volmaakt. Dat wil zeggen, zoveel als daarvan nodig is tot [hun] doel en geluk. Maar ze hebben Gods werk nooit ten volle doordacht. En terwijl ze bezig zijn met de overdenking van een of ander goddelijk werk, is er al weer een andere almachtige daad van God, die op een volgend tijdstip hun aandacht en verwondering vraagt. Zo kunnen ze nog steeds inzien in dat wat God heeft gedaan."
Wat ze weten, maakt hen volmaakt gelukkig; maar wat ze meer zullen gaan weten en inzien, zal hen nóg gelukkiger maken. Zo is er een beweging van toegewijdheid en aanbidding gaande die als een perpetuum mobile blijft voortgaan tot in eeuwigheid. De eeuwigheid is niet iets statisch, iets dat altijd hetzelfde is, maar een voorgaande gelukzaligheid. Woorden schieten te kort. Maar dat is best wel eens goed, om aan woorden tekort te schieten. Dan krijg je in ieder geval een indruk, hoe oneindig hoger God is… en hoe nietig wij zijn.
Maar denk nu niet dat dat alleen voor de engelen in de hemel geldt, of voor de situatie in de hemel. Hoe bevlekt het leven op aarde ook is, vanwege de zonde, dit wordt hier reeds in beginsel gesmaakt. Iets daarvan proef je toch tijdens een preek, tijdens het Avondmaal, of tijdens het zingen van een Psalm? Of heb je dat nooit? Ja toch? Wandelend hier op aarde, en tegelijk een wandel in de hemelen hebben… je komt ogen en oren te kort waar het de diepte en rijkdom in God gaat!

maandag 5 januari 2015

Engelen begeren steeds meer te weten van God

"…de zaligheid der zielen. […]  in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien."
1 Petrus 1 : 9b en 12b

De engelen begeren? Zijn ze dan niet volmaakt? En wat begeren ze? "In te zien". Niet uit nieuwsgierigheid, maar vanwege iets anders. Kijk maar eens in de Kanttekeningen:
"Namelijk vanwege de verwondering en het vermaak, dat zij hebben in het erkennen van Gods veelvoudige wijsheid, die Hij gebruikt in het werk onzer verlossing en in de uitdeling Zijner genade over de gemeente, gelijk Paulus verklaart Ef. 3:10; en de apostel schijnt hier te zien op het voorbeeld van de ark des verbonds, waarover twee cherubijnen met uitgestrekte vleugels en gebogen hoofden naar den genadestoel of het verzoendeksel gedurig zagen. Zie Exod. 25:20; Hebr. 9:5."
We zien ze daar staan, roerloos, goudovertrokken in de serene stilte van het Heilige der Heilige. Enerzijds zou je kunnen zeggen dat de gouden engelenfiguren geboren staan uit eerbied, maar Petrus buigt dat beeld om naar een andere inhoud: ze kijken heel concreet en geconcentreerd ergens naar; ergens in. Ze turen in een geheim, dat de bron is voor meer en nieuwe vreugde: de zaligmaking van mensen. Ze hebben, zo zagen we in de Kanttekeningen, een vermaak in en een verwondering over Gods onpeilbare en ondoorgrondelijke wijsheid. Nu, als God ondoorgrondelijk is voor Zijn schepselen, omdat Hij God is, dan is er voor Zijn schepselen altijd weer iets nieuws om te weten. De engelen gaan ons daarin voor.

Maar zijn ze dan ongelukkig? Het kan ons mensen soms ongelukkig maken dat we dingen niet doorzien, niet kennen, niet begrijpen. Is dat bij engelen ook zo? Welnee. Ze zijn volmaakt gelukkig en ze hebben echt wel genoeg genoegen in God om diep gelukkig te zijn. Maar in elk mensenleven werkt de HEERE weer anders; en die diversiteit in Zijn werk, levert een fontein aan vermaak en verlustiging op voor de engelen. Eigenlijk zou ik een punt moeten zetten. Want hier moeten we even stil bij staan: kennen wij dat ook? Engelen verlustigen zich in God, vanwege wat God aan mensen – niet aan engelen – doet! Het gaat over jouw en mijn zaligheid! Beseffen we dat wel? Zijn wij daarover ook zo verrukt? Levert de dagelijkse omgang met de HEERE ons ook zo'n vermaak op?

Toch ga ik nog even verder, om dat duidelijker neer te zetten, met woorden die ds. Viervant eenmaal gebruikte.

Over deze engelen wil ik nu [nog] niets zeggen, dan alleen dat zij zeer voortreffelijke wezens zijn, redelijke geesten:
  • uitnemend in wijsheid, boven de mensen: ze kennen God, in Wiens nabijheid ze verkeren, in grotere volmaaktheid;
  • volmaakt in heiligheid: ze zijn in hun stand bevestigd [na de val van satan]; ze kunnen niets anders dan God gehoorzamen en [zich] in alles met Zijn heilige wil verenigen;
  • zeer gelukzalig [zodat] ze de volkomen zaligheid genieten: omdat ze God kennen in volmaaktheid; en [ze] dienen [Hem] zonder gebrek, zodat er ook niets ontbreekt aan hun geluk. Ze scheppen genoegen in de Allerhoogste en verblijden zich [in Hem]. God geeft Zich aan hen om te genieten, zoals een schepsel van Hem kan genieten.
Met één woord: deze zuivere geesten komen, zover wij weten, van alle schepselen, het dichtst bij de Schepper [en] ze zijn Hem het meest gelijkvormig. En wie van de schepselen is gelukkiger dat zij?
Het woord ‘in te zien’ heeft hier de nadruk. Het betekent eigenlijk ‘zich naar beneden buigen om [iets] van dichtbij te bekijken’ (Lukas 24 : 12). En [het] wordt gebruikt om een nauwkeuriger wetenschap en overdenking van een [bepaalde] zaak – die men door aandacht, overdenking en onderzoek krijgt – aan te geven (Johannes 20 : 5 en 11; Jacobus 1 : 25).
Naar zo’n kennis van de dingen van onze zaligheid zijn de engelen begerig. Het is hun lust en vermaak om die dingen steeds meer op te ­merken en na te pluizen; om in de wetenschap daarvan te groeien.

Wel, leg er je leven en begeerten eens naast. Lijkt dat een beetje op dat van de engelen?

Ik sluit voor vandaag af met een laatste stukje citaat uit Viervants preek, om daar morgen op door te gaan, want hier neemt hij je mee naar dingen, waar je niet 1-2-3 zo bij stilstaat: Hoe kunnen ze toenemen in kennis (en daarvóór kenden ze dat dus nog niet), terwijl ze tóch volmaakt gelukkig zijn?
Deze begeerte van de engelen, om in het werk van de verlossing in te zien, zal voor velen van u enigszins moeilijk te begrijpen zijn. Niet ­iedereen zal direct begrijpen, hoe dat een toenemende kennis van de ­goddelijke dingen de volmaakte kennis en het volkomen geluk van de ­engelen niet uitsluit. En nog veel minder [is te begrijpen hoe die toe­nemende kennis] hun gelukzaligheid volmaakt en op welke manier en met welke middelen hun begeerte voluit wordt verzadigd.

zaterdag 3 januari 2015

Engelen zijn ook maar… schepselen

"Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou."
Hebreeën 2 : 9

De schepping van de engelen

De meester in de zesde klas vertelde eens over de engelen. Ik vermoed dat niemand van ons daar nog ooit over na had gedacht. Maar hij probeerde ons aan het denken te zetten: "Engelen zijn ook maar…" Hij wachtte af; al moet ik zeggen dat hij niet erg geduldig was, want hij verwachtte eigenlijk direct het juiste antwoord. Ik was direct geraakt door dit onderwerp – toen al – en ik dacht met mijn beetje bijbelkennis het antwoord wel te weten. Ik stak snel mijn vinger op. Hij knikte naar me: "Engelen zijn ook maar…" "… zondaren, meester", antwoordde ik, er vrijwel zeker van dat het antwoord goed was. "Nee! Natuurlijk niet; engelen zijn geen zondaren!" Hmm, dat nodigde niet erg uit om nog een keer je vinger op te steken. Maar wat was het goede antwoord? "… schepselen".
En dat klopt. Ze zijn geschapen. Het blijft altijd nog een raadsel wanneer ze dan geschapen zijn. De meesten houden het erbij dat ze op de eerste scheppingsdag zijn geschapen. Maar in ieder geval is zeker dát ze geschapen zijnk; dat blijkt wel uit de Schift. Waar? Laten we eens een paar teksten op een rijtje zetten:
Psalm 148 : 2-5 "Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen! Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren! Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt! Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen."

Kolossenzen 1 : 16 "Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen"
Job 38 : 4-7 "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
Job 2 : 1 "Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen."
Job 4 : 18 "Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft."
En het feit dát ze geschapen zijn, impliceert dat ze dus nooit aanbeden mogen worden. Ze staan onder God. Hoewel… Zong de psalmdichter van Psalm 8 nog over de mens, die een weinig minder gemaakt (geschapen) is dan de engelen, de Hebreeënbriefschrijver neemt die Psalm hier in vers 7 over en doet daar in onze tekst nog een schepje bovenop. Hij stelt in onze tekst dat Jezus een weinig minder dan de engelen geworden is. Daarmee verlaagde God Zich onder Zijn Eigen schepselen. Wat een diepte!

Nog even terug naar die laatste, geciteerde tekst: Job 4 :18. Lees eens wat de kanttekenaren daarbij aantekenen: 
Vertrouwen: "Dat is, Hij zou niet steunen op de kloekheid en de gaven, die in hen geschapen zijn, wanneer zij afgezonderd waren van de gedurige zorg en bewaring, waardoor Hij hen in hun staat onderhoudt. Gelijke manier van spreken is onder, Job 15:15."
Klaarheid: "Waardoor verstaan wordt de volmaaktheid der gaven en deugden, die God in de heilige engelen heeft geschapen. Want hoewel zij uitnemend zijn, zo zijn zij nochtans niet te vergelijken met de volmaaktheid des Scheppers, omdat zij zonder deze gedurige genade en kracht in zichzelven veranderlijk zijn. In welken zin Elifaz ook onder, Job 15:15, zegt dat de hemelen in de ogen des Heeren niet zuiver zijn; namelijk met zijn oneindige volmaaktheid vergeleken zijnde. Anders, en zijnen engelen zou Hij dwaasheid opleggen; dat is, Hij zou hen voor dwaas houden indien zij zich rechtvaardiger zouden houden dan God; gelijk Elifaz meende dat Job van zichzelven gezegd had. Of Hij zou hun dwaasheid kunnen toeschrijven, wanneer Hij van hen oordeelde naar hun natuur buiten zijn gave, waardoor Hij hen geduriglijk in hun staat onderhoudt; anders bevindt Hij dat zij wel tot zottigheid en onzinnigheid zouden kunnen vervallen; of, Hij zou hun dwaasheid kunnen toeschrijven in vergelijking van zijn oneindige wijsheid en majesteit."
Natuurlijk had ik geen gelijk met mijn antwoord: "Engelen zijn ook maar zondaren". Maar het 'schepsel-zijn' houdt dus toch een zekere beperktheid in. Niet dat ze zondig zijn, niet dat ze ontevreden zijn en zeker niet dat ze verderfelijk zijn. Nee, ze worden door God in hun staat gehouden. En juist daarin blijkt dat ze het van God moeten hebben. Maar let op: dat geldt voor ons mensen niet minder. En de engelen beseffen dat zó goed, dat zij God ongebreideld eer en majesteit toezingen. En ik? En jij? Immers, jij en ik zijn ook maar… schepselen?

Dit moest ik je eerst vertellen, voordat ik ga laten zien dat de engelen ook beperkt zijn qua kennis. Zij zijn niet alwetend, maar leren nog dagelijk. Daarover de volgende keer en dan zal ik weer wat citeren van ds. Viervant uit zijn preek over 'de begeerte der engelen' uit 1 Petrus 1 : 12.

vrijdag 2 januari 2015

Ten dienste van Gods kinderen

"En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaars een vlam des vuurs."
"Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?"
Hebreeën 1 : 7 en 14

Hoe ziet een engel eruit? Hier en daar in de Bijbel vinden we wel beschrijvingen, maar alles heel summier. Er zijn engelen die vleugels hebben. Er zijn er die zelfs zes vleugels hebben. Sommigen echter zien eruit als een man, een gewoon mens. Abraham bijvoorbeeld kreeg hoog bezoek van de HEERE en twee engelen. Alle drie zagen eruit als gewone mensen; maar gaandeweg kreeg Abraham door dat het de HEERE was. Opmerkelijk is dat Abraham niet als dood op de grond viel, toen hij God gezien had. Abraham communiceerde op een gewone menselijke wijze met deze drie; en vice versa!
En later zien de twee engelen Sodom binnenwandelen. Ze werden door de mannen van Sodom opgemerkt. Lot – en daar wil ik naartoe – werd tweemaal door deze engelen gegrepen tot zijn eigen behoud én dat van zijn gezin. Toen de engelen binnen waren, dromden de vieze sodomieten rond zijn huis om deze mannen sexueel te misbruiken. Lot wilde nog – hoe walgelijk – in onderhandeling gaan door ze zijn dochters (!) in hun plaats aan te bieden. Wat een vader! Was de actie van deze dochters, later in de bergen, dan zo heel verbazingwekkend? Er blijkt totaal geen liefde uit.



Maar waar het mij om gaat is dit: "Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden." (Genesis 19 : 10-11). Ze redden Lot – en daarmee ook zijn dochters – van het verderfelijk geweld der sodomieten. Deze engelen waren gedienstige geesten, uitgezonden om wille van degenen die de zaligheid beërven zullen. Dat laatste is ook op Lot van toepassing, hoe ook zijn levensstijl is af te keuren. Later lezen we dat Lot daar zijn ziel kwelde. Tegelijk waren ze ook uitgezonden tot verderf van deze goddeloze sodomieten.
Er zit nog iets opmerkelijks in deze geschiedenis waar ik later op terug zal komen: dat de engelen niet weten wie van Lots familie zich allemaal in Sodom bevinden. Zij zijn dus niet alwetend; maar daarover een volgende keer.
Het volgende moment waarop we de engelen in actie zien komen is toen Lot uit Sodom wegvluchtte. "Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad. En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt." (vers 16-17).

Engelen zijn, zo zegt de dagtekst, geesten. Eigenlijk niet waarneembaar met het blote oog: 'pneuma' staat er in de grondtekst. Niet gevangen in een lichaam van stoffelijke materie. Niettemin begrensd binnen hun eigen wezen. In vers 7 lezen we dat God ze maakte. Bij dat vers tekenen de kanttekenaren aan: "maakt geesten: Dat is, als geesten of winden om Hem snel te gehoorzamen" en "een vlam des vuurs: Dat is, gelijk een vlam des vuurs, om als een vuur en bliksem Zijn bevelen krachtig uit te voeren". Ze zijn zó snel van begrip en zó voortvarend in hun activiteit en toewijding voor God! Dat moet voor Gods kinderen toch wel een veilig gevoel geven?

En dan die gister geciteerde tekst uit Psalm 91: "Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot" (vers 11 en 12). Wat een zorg, bemoeienis en bescherming biedt God door deze hemelboden. Zelfs de engelen die naar Sodom worden gezonden als verderfengelen volvoeren tegelijk Gods zorgbevel over Lot en zijn gezin. Niet dat wij beschermengelen hebben, zoals de roomse kerk dat leert. Maar wel dat zij dienstbaar en defensief worden opgesteld. 
En satan weet maar al te goed dat hij het moet afleggen tegen deze hemelse heirlegers. Heirleger: heir = massa of grote hoeveelheid; leger = afdeling soldaten, bewapend tot de strijd. Jezus noemt ze legioenen. Psalm 68 bezingt ze als 'Gods wagens, Gods ruiterij, die tweemaal tienduizend zijn, de duizenden verdubbeld'.
Heb je er ooit weleens over nagedacht hoeveel macht God hier op aarde fysiek heeft? Wel eens goed om je te realiseren dat satans 'terrein' eigenlijk overal al is geïnfiltreerd met deze hem vijandige hemelwachters. En ze zijn er tot zijn verderf, maar… ook omwille van Gods kinderen én hun zaligheid. Zo'n zorg heeft Hij voor hen. Daar wordt je stil van, niet?

woensdag 31 december 2014

In dienst van Koning Jezus

"Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem."
Mattheüs 4 : 11

De satan weggestuurd; de engelen staan klaar om Jezus te dienen.
"Spring naar beneden en U zult door de engelen zachtjes naar de grond worden gedragen", falsificeert satan de tekst uit Psalm 91, waar staat: "Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot."
Jezus' antwoord is doeltreffend en terechtwijzend. Zou Hij Zijn Vader verzoeken? Nooit. Is het dan niet waar, wat daar staat? Zeker. En het zal in onze dagtekst waarheid worden! De engelen worden door God uitgezonden om Zijn kinderen – en dus zeker Zijn Eigen Zoon – te dienen en te beschermen. Er staat namelijk "van u bevelen, dat zij u bewaren…", dat betekent "ten dienste van u opdracht geven u bij te staan…".

Een opmerkelijk woordje in onze tekst is 'toegekomen'. Het plaatje hierboven toont, op een menselijke wijze evenwel, dat de engelen er reeds staan, als de satan wordt weggestuurd. Het woordje 'toegekomen' doet dat inderdaad vermoeden. Het woord betekent "dichterbij komen" of "naderen tot iemand of iets". Dat betekent: je staat er al en je doet een of meer stappen naar voren.
En weer zie ik daarmee de hemel de adem inhouden. De engelen volgen met opperste concentratie wat Jezus doet, spreekt en terechtwijst richting satan. Satan… hij was ooit een van hen. Daar staan ze in de nabijheid van hun eeuwige tegenstander. Kwam hij in de geschiedenis van Job tot voor de troon van God om Job verdacht te maken, hier komt de Zoon van God in 'zijn' territorium om satan te ontmaskeren. Het is inderdaad satan, die aanklager is in het rechtsgeding tegen Gods kinderen. Maar hier treed er Eén in het territorium van satan, Die hem aan ons toont in zijn valsheid.

Die engelen waren er al sinds Genesis 3; immers de weg naar de boom des levens moest worden afgesloten. Maar hier komt de Tweede Adam, om de weg naar de Boom des Levens te openen. Daarmee zal Hij óf satan óf de engelen tegen Zich hebben.
Nauwgezet volgen de engelen verzoeking na verzoeking. En uit alles blijkt dat Jezus hier op aarde de volmaakte Tweede Adam is. Ze zijn niet enkel in de hemel de gedienstige geesten van God, maar ze zijn het ook hier op aarde. Want zie maar: ze treden toe en dienen de Heere Jezus.
En niet maar voor één momentje… ze zijn er voortdurend ten dienste van Hem. Het was niet zo'n raar antwoord dat Jezus aan Pilatus gaf: "Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?" (Matth. 26:53). Jezus had maar te wenken en ze zouden toesnellen. Maar zo was Zijn eeuwige afspraak met de Vader niet. En Gode zij dank, zo wilde Jezus het ook niet. Stel je voor!

Die engelen zijn er ook in de Hof van Gethsémané: "En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte" (Lukas 22:43). Wat een bijzondere diepten zitten er in die tekst. Later zou Christus de gemirrede wijn niet drinken, maar Hij laat Zich hier wel versterken door deze engel, die de laatste lijn met Zijn Vader uitbeeldt. Daarom lees je in het volgende vers dat Hij "des te ernstiger bad". De strijd nam toe, maar de kracht die de engel kwam brengen, sterkt Hem in deze strijd.
Dan is het niet zo verwonderlijk dat er op die Eerste Paasmorgen weer een engel aanwezig is, gedienstig tot Jezus' dienst bereid. Deze engel wentelt de steen af; niet omdat Jezus er niet toe in staat zou zijn geweest, maar om Hem daarin ook ten dienste te zijn. Het woordje 'dienen' in onze tekst is 'diako'neo', waarin je ons woord 'diaken' hoort.

Opmerkelijk contrast vormt onze tekst met die uitdaging van satan, even daarvoor: "Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden" (vers 9). Daarin vraagt satan of Jezus voor hem wil neerknielen. Om satan definitief in het ongelijk te stellen, knielen nu hier die engelen (en hoeveel zullen het er wel niet geweest zijn?) voor Jezus neer. Zij mogen de goedkeuring van de Vader onderstrepen, die Hij in de geschiedenis hiervoor uitsprak: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!" En als de HEERE een welbehagen heeft in Zijn Zoon, hoeveel te meer deze engelen. Wat een dienst nemen zij hier op zich! Nee, laat ik het beter zeggen: wat een heerlijkheid om deze Koning te dienen… voor Zijn troon… en hier beneden!
Dat mogen wij wel van deze engelen leren en ons leven er naast leggen. Hoe gedienstig zijn wij voor Koning Jezus?

De engelen zijn er echter niet alleen voor Jezus, maar ook voor de Zijnen. De komende keer gaan we – naar aanleiding van Hebreeën 1:14 – zien hoe deze gedienstige geesten er ten dienste van Gods kinderen zijn: "Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?"

dinsdag 30 december 2014

Het effect van de kerstpreek

"En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd."
Lukas 2 : 15

De inhoud van wat de engelen zingen sla ik over; daar zegt ds. Viervant zulke diepe en brede dingen over, die je eigenlijk zo zou moeten lezen. Wellicht zet ik nog een keer de hele preek in deze blogs (die heb ik in 2006 reeds hertaald). Waar het me vandaag om gaat is dit: wat gebeurt er, als de engelen teruggaan naar de hemel? Het woordje teruggaan suggereert overigens dat zij dus inderdaad beneden, op de aarde waren. En die gedachte uit de preek van ds. Viervant – die ik daarnet in de Bijbelstudie van gisteren heb toegevoegd – wordt daarmee ondersteund. Herhaaldelijk bepaalt deze predikant ons erbij dat engelen zo zeer betrokken zijn op het gebeuren op aarde; en specifiek in de harten van mensen. In wat God doet aan mensen, putten zij stof om Hem nog groter te maken.
Maar nu onze tekst: "…als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel…". Je bent geneigd om dan nu dus naar de herders te gaan kijken. Maar wacht even… let nog eens op de engelen! Wat zullen ze nu doen? Zullen ze zeggen: "Zo, we hebben de boodschap gebracht; onze taak is keurig uitgevoerd en de herders moeten maar zien wat ze ermee doen?" Nee, zeker niet. Dat zou tot oneer van God zijn. Ooit preekte een dominee bij ons en die zijn (doop)preek afsloot met ongeveer deze woorden: "Wat ik moest zeggen heb ik gezegd." Een andere predikant zei eens tegen me: "We hebben slechts te zaaien en God moet de wasdom geven." Maar zou dat de juiste betrokkenheid op het effect van de prediking zijn? En het 'Ere zij God' is immers ook een preek met alle erop en er aan in een notendop?!

Laten we ietsje afstand nemen van de herders. De engelen zijn teruggegaan naar de hemel. De boodschappers keerden terug naar Hem Die deze majestueuze boodschap aan de mensen bekend liet maken. Maar her en der in de Schrift lezen we toch over een grote betrokkenheid van de hemel op de aarde?! Zo staat er in Lukas 15 : 10 "Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert." En op andere plaatsen wordt er gesproken over blijdschap in de hemel. Heb je daar wel eens bij stilgestaan? Dat engelen van vreugde opspringen als er slechts eentje zich bekeert; laat staan als een heel volk zich bekeert! Dat getuigt van een grote betrokkenheid van deze heilige troongeesten. En als Petrus in zijn eerste zendbrief schrijft dat de engelen begerig zijn in te zien in het verlossingswerk van de mens, terwijl het hen zelf niet betreft (!), dan geeft ook dát aan dat de engelen zeer betrokken op, ja zelfs met verlangen vervuld worden, om te zien hoe God te werk gaat; om Hem er nog dieper door te kennen en heerlijker om te verhogen en aanbidden. Woorden schieten te kort als je daarover nadenkt! En wat een les voor ons mensen, die het juist wél betreft!

Er is dus blijkbaar ook zicht op wat er op aarde gebeurt; hoe, dat weet ik niet, maar dit stel ik me erbij voor, op basis van wat ik lees in de Bijbel. Er zijn altijd engelen op aarde. En bij tijden worden zij door God zichtbaar gemaakt. We lezen bijvoorbeeld bij die dromende Jacob dat hij een ladder zag en de engelen klommen óp en neer! Ze waren er dus en klommen op naar de hemel terug en daalden weer af. En Jezus Zelf zegt in Johannes 1 tegen Nathanaël: "Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen." Ook weer die volgorde 'op' en 'neer'.
Wat doen zij? Brengen zij soms bericht van de aarde tot voor de troon van God? Zoals ook in de visoenen van Zacharia bijvoorbeeld engelen worden uitgezonden om de aarde te doorzoeken? En zeggen wij in onze kringen ook niet vaak dat in de kerkdiensten de engelen aanwezig zijn (en dat zij de lege plaatsten met graagte opvullen om zo Gods huis te vervullen)? Die neerdalende engelen hebben God gezien en horen spreken en neergedaald checken zij wat zij daarvan zien op aarde. En andersom zien de opklimmende engelen zaken gebeuren en gezegd worden op aarde en brengen die voor Gods troon en daar te zien en te horen hoe God daarop reageert.
Het is niet toevallig dat we juist in deze geschiedenissen lezen over Maria die al die dingen bewaart en die overlegt in haar hart. Zij laat daar iets zien van wat de engelen en al Gods kinderen doen. Niet alles snappen ze direct. De engelen – hoe volmaakt – ook niet, omdat ze ten diepste de verlossing niet kennen, zoals mensen die kennen. Dat is mediteren, dat is gemeenschap oefenen met de HEERE en dat is Zijn Woord overdenken en overwegen.

En nu onze tekst… de engelen zijn teruggegaan en voor de herders onzichtbaar geworden, even plots als ze verschenen. Maar razend betrokken kijken ze met spanning toe wat Gods boodschap bij de herders teweeg zal brengen. Wat zal dit in die herderharten gaan doen? Met eerbied beschrijf ik het op menselijke wijze. Ze hebben elkaar in heilige verrukking aangestoten toen ze de herders hoorden zeggen "Laten we gaan…". Ze zijn vol vreugde overeind gekomen toen zij hen hoorden zeggen: "…en laten we gaan zien…" En wat zal het hen geraakt hebben dat de herders als stimulans noemden "het woord dat er geschied is en dat de Heere ons heeft laten verkondigen". Wat een vreugde kan dat voor een predikant zijn, als hij merkt dat de preek iets uitwerkt bij de toehoorders. Zo ook hier!
En toen de herders uiteindelijk ook daadwerkelijk gingen, zijn ze vast in een nieuw 'Ere zij God' uitgebarsten; immers God, voor Wie zij mogen staan en werken, heeft behagen in mensen! Welbehagen! Wát een God! Vreugde in de hemel over herders die gehoorzaamden, geraakt door het woord, getrokken door Gods Geest en verlangend naar de geboren Koning.

De hemel looft, o HEER, Uw wond'ren dag en nacht;
Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht,
Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;
Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?
En, welke vorsten ooit het aard'rijk moog' bevatten,
Wie hunner is, o HEER, met U gelijk te schatten? 
En jij? Wat brachten de kerstpreken in jouw hart teweeg?