woensdag 13 juli 2016

Jozef regelt de begrafenis

"En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden;
en de medicijnmeesters balsemden Israël.
En veertig dagen werden aan hem vervuld;
want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden;
en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen."
Genesis 50 : 2-3

Mummies vertellen een verhaal. Je kunt met enig afgrijzen naar ze kijken; ik snap dat wel. Normaliter wekt een 'lijk' weerzin op en onwillekeurig borrelt de vraag boven: "Wat is een mens?" Of je nu bedelaar of wereldheerser bent geweest… allen worden tot stof. Maar… de Egyptische heersers werden na hun dood wel op een heel bijzondere wijze behandeld: gemummificeerd. Daarin ging men heel precies te werk. Zeker, het zal voortgekomen zijn uit het bijgeloof dat het lichaam intact moest blijven, vanwege het andere, eeuwige leven. En al die andere bijgelovigheden, zoals gereedschap, beelden, voorwerpen en schilderingen in de grafkamers, waren strikt genomen absurd. Maar eeuwen later vertelden ze nog heel wat over een verloren gegane grootse cultuur. Ik vind het nog altijd fascinerend. In heel die cultuur leefden ook de bijbelse Jozef en Mozes! En Jozefs vader, Jacob, krijgt er op zijn oude dag ook mee te maken. Vandaag lezen we over de mummificering van 'Ja'akow ben Jitschak', ofwel Jacob de zoon van Izak.

Een overzicht van hoe mummuficatie in zijn werk gaat


Nooit zo bij stilgestaan dat Jacob werd gemummificeerd. Er zijn ook nogal wat uitleggers die dit willen ontkennen (lees bijvoorbeeld de kanttekeningen bij de Statenvertaling). Toch krijg ik uit de tekst van vandaag stellig de indruk dat hier gewoon een mummificatie heeft plaatsgevonden. En daar zijn een paar redenen voor.

Jozef regelt de hele begrafenis

Opnieuw valt het op dat Jozef de enige is die in actie komt. We lezen niet van overleg met zijn broers, we lezen zelfs niet van broers die ook hun zegje over deze begrafenis willen doen. Wat er precies op de achtergrond speelde weet ik niet – het zou kunnen dat de broers het allemaal wel prima vonden – maar het treft mij dat juist Jozef zo daadkrachtig handelt. Hij heeft direct een plan klaar voor de begrafenis van zijn vader.
Natuurlijk hebben ze er allemaal naar toe geleefd; Jacob zal in dat onderonsje (Genesis 47) zeker wat instructies over zijn begrafenis hebben gegeven. Misschien is daar het plan wel geboren dat Jozef de begrafenis voor zijn rekening zou nemen. Blijkbaar had Jacob meer vertrouwen in Jozef dan in zijn andere zoons. Je komt dat wel vaker tegen. Maar daarbij blijkt wel dat Jozef al helemaal vergroeid is met het leven in Egypte. Hij is al vanaf zijn tienerjaar (wellicht toen hij 16 jaar was) in dit land en hij is ook al diverse jaren in functie aan het hof. Zodoende is hij met veel gebruiken vertrouwd geraakt, hoewel hij zijn opvoeding, door vader Jacob, niet zal zijn vergeten.
Ik hoor maar weinig theologen nadenken over hoe moeilijk Jozef het moet hebben gehad daar in Egypte. Hoeveel strijd het hem heeft gekost om trouw te blijven aan de HEERE en Zijn dienst. Zeker, hij geeft God de eer toen hij de dromen uitlegde en al eerder wilde hij gehoorzaam blijven aan de HEERE in het huis van Potifar en niet vreemdgaan met diens vrouw Potifera. Maar te midden van al dat heidendom zijn er wel veel invloeden die impact op je hebben. Daarom ook zal de begrafenis van vader Jacob 'op z'n Egyptisch' gaan, vermoed ik.

Jacob krijgt een Egyptische koninklijk begrafenis

Voortvarend gaat Jozef te werk. Althans zo lijkt het. Maar wellicht kende hij als Egyptenaar het protocol. Immers, het leven van de Egyptische vorsten stond vaak al vanaf het begin van hun regering in het teken van de dood en de begrafenis. Jozef wist hoe het draaiboek voor een mummificering eruit zag. En… hij had blijkbaar ook gezien hoe waardevol zo'n koninklijke begrafenis voor de nabestaanden was. Zo'n begrafenis begeer je voor de geliefden die een speciaal plekje in je hart hebben. Vader Jacob stond voor Jozef op een hoog plan. En hoewel Jacob niet in Egypte begraven wilde worden, wilde Jozef wel zo'n koninklijke begrafenis voor zijn vader.
Het hele balsem-procedé werd op vakkundige wijze uitgevoerd. Lees het maar in de tekst. Jozef gaf bevel aan de medicijnmeesters, zeg maar de 'geneeskundige dienst' in het paleis, om zijn vader volgens het bekende recept te balsemen. En … ze doen het gehoorzaam. Het is een proces van 40 dagen, keurig volgens het protocol van Egypte. Volgens wetenschappers was dat procedé nog helemaal niet zo heel lang in gebruik, op die manier. Het was uitgebreid en zorgvuldig. De beste en kundigste apothekers werden ingeschakeld om aartsvader Jacob deze waardige opbaring te geven. Want aan de begrafenis zelf kwamen geen Egyptenaars te pas, hoewel er straks wel een flink aantal getuige van zullen zijn, als het lichaam van Jacob in de grot van Machpéla zal worden bijgezet in het familiegraf.
Deze balseming was erop gericht dat het lichaam lang, heel lang, goed zou blijven. En dat was nodig met zo'n enorme reis door de woestijn in het vooruitzicht. De van balsem vergeven mummie zou al die tijd goed geconserveerd en blijven; stank zou wegblijven ondanks de warmte.
Tenslotte staat er nog iets bijzonders in vers 3: "…en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen." Niet 'Jacobs nageslacht' beweende… maar de Egyptenaars beweenden. Het hele volk rouwde met vizier Zafnath-Paäneah (Jozef). Daar is nog wat onduidelijkheid over, in de kanttekeningen bijvoorbeeld en in andere bronnen, die maar willen beweren dat Jacob niet volgens Egyptisch gebruik is gemummificeerd. Zij zeggen dat dat rouwproces al gelijk met de mummificering begon en dus utieindelijk nog 30 dagen langer duurde. Echter, het gebruik was 70 dagen nadat het lichaam klaar was en … dat was het ook bij Jacob. Voluit een koninklijke uitvaart, maar geen begrafenis in een piramide. Dat dan weer niet.

Een pijnlijke herinnering voor Jozef

Dat hele balsem-procedé bracht Jozef echter iets pijnlijks in herinnering: de verkoop door zijn broers aan de karavaan van balsem-handelaren uit Gilead. De Bijbel spreekt over balsem uit Gilead. Dat was een van de plekken waar dure balsem werd gemaakt en over de toenmalige wereld werd verkocht. Die handelaren trokken bijvoorbeeld via de karavaanweg naar het zuiden richting Egypte en verkochten hun dure koopwaren, in ruil voor graan of andere producten. In het kielzog van zo'n handelsdelegatie was Jozef tegen wil en dank afgevoerd naar Egypte. Dat bleef een pijnlijke wond in zijn ziel, hoewel de HEERE veel had vergoed in de geboorte van zijn en Asnaths oudste twee zonen Efraïm ('God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land mijner ellende') en Manasse (God heeft mij al mijn ellende en het gemis van mijn familie doen vergeten').
Het tweede dat Jozef moet hebben geraakt is de wetenschap dat vader Jacob bij zijn ouders (Izak en Rebekka) en zijn grootouders (Abraham en Sara) zou worden begraven, terwijl vader Jacob aan Jozef een erfbegrafenis gaf (een stuk land waarop hij zou worden begraven) bij Sichem. Daar, bij Nabloes, is tot op de huidige dag nog een tombe waarvan wordt gezegd dat het Jozefs graf is. We kunnen daar iets over lezen in Johannes 4, in het gesprek van Jezus en de Samaritaanse vrouw. In hun graf zullen Jacob en Jozef dus opnieuw niet bij elkaar zijn; Jozef zal noch bij zijn vader, noch bij zijn moeder worden begraven. Maar hij mag verder zien dan dood en graf.
Ten slotte dringt het tot Jozef vast en zeker door dat hoe duurzaam en prachtig de begrafenis van zijn vader ook zal zijn, de dood een laatste vijand is. De mens gaat naar zijn eeuwig huis, nietwaar? En afscheid nemen doet pijn. Wij zien op Jezus, Die de dood heeft overwonnen, maar ook de aartsvaders kenden iets van Gods macht om hen over de dood heen te tillen. Ze verwachtten een beter vaderland, een stad die fundamenten heeft (Hebreeën 11). Jij ook?
  1. Jozef kon zijn vader nog compleet balsemen. De Heere Jezus zou ook worden gebalsemd voor een koninklijke begrafenis. Is dat ook gebeurd? (Bedenk of je iets leest rond Zijn begrafenis over 'zalf').
  2. Jozef werd 'Behouder des levens' genoemd. Toch moest hij het verliezen van de dood, toen zijn vader (en later ook hijzelf) overleed. Waar was die titel voor Jozef wél op gericht?
  3. Jozef was aardig aangepast aan het Egyptische leven. Vind je dat goed of fout? Waarin zie jij vandaag de dag de kerk of individuele christenen zich 'aanpassen' aan de leefomstandigheden vandaag? Welke gevaren zijn er? Biedt dat ook kansen?

dinsdag 12 juli 2016

Jozef sluit de ogen van zijn vader

"Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem."
Genesis 50 : 1

Toen ik gisteravond onze jongste voorlas uit de kinderbijbel, was de geschiedenis aan de beurt die in dit hoofdstuk beschreven staat. Na de dood van vader Jacob schieten de broers in de stress, omdat ze bang zijn voor Jozefs wraak. Er gebeuren bijzondere, zelfs onbekende dingen in dit hoofdstuk. Er komen nogal wat lijnen uit de voorgaande hoofdstukken samen. En… er zitten nogal wat beelden in die herkenning oproepen, wanneer we naast Jozef aan de Heere Jezus denken. Jozef is voor mij iemand die me al jong interesseerde. Ik vond namelijk de geschiedenis van Egypte enorm interessant en Jozef maakte van die geschiedenis korte tijd deel uit! Boeiend, maar ook aangrijpend. Later leerde ik ook zien hoe diep het leven van Jozef is gegaan en dat hij veel heeft geleerd met betrekking tot vergeving en genade. Graag wil ik dit hoofdstuk tekst voor tekst overdenken en stilstaan bij veel dingen waar je zomaar langs heen leest tijdens het 'gewone' Bijbellezen.

Jacob zegent zijn zonen (Genesis 49); hier zegent hij Jozef, terwijl hij even daarvoor diens zonen al had gezegend.

In het voorgaande hoofdstuk heeft Jacob zijn zonen gezegend. Daarbij heeft Jozef ook een zegen ontvangen, maar Jacob had Jozef en diens twee oudste zonen Manasse en Efraïm vooraf apart genomen en een bijzondere zegen gegeven. Hij had gezegd dat hij Efraïm en Manasse, die in Egypte waren geboren, beschouwde als zijn eigen zonen en zelfs gelijkstelde aan Ruben en Simeon. En… dat hij Jozef een erfdeel zou geven bóven zijn andere zonen: Sichem (we zagen daar iets van toen we nadachten over de samaritaanse vrouw uit Johannes 4). Zelfs op zijn sterfbed trok hij Jozef nog voor. Ik weet echter niet of ik hem daarom op dit moment hard zou moeten vallen. Immers, dit heeft ook wel iets van een schuldoffer weg. Maar daarover bij een volgend vers.
Vandaag lezen we dat Jozef in de sterfkamer van zijn vader staat. Ik weet niet hoeveel tijd er zat tussen de zegeningen uit Genesis 49 en het overlijden van Jacob in het laatste vers van dat hoofdstuk. Als je het hoofdstuk in één keer leest krijg je het idee dat het direct na de zegeningen gebeurde. Hij laat daar zijn zonen zweren dat hij in het familiegraf te Machpéla zal worden begraven. Dat had hij Jozefs ook al speciaal laten zweren, voorafgaand aan deze bijeenkomst! Jacob zegt daarbij heel nadrukkelijk dat hij bij zijn ouders en grootouders wil worden begraven én bij Lea! Rachel was zijn lieveling, die ligt elders begraven. En, let erop, zij was de moeder van Jozef! Jacob kiest er bewust voor níet bij Jozefs moeder te worden begraven. En dat maakt de reactie in onze dagtekst des te bijzonderder.

Jozef raakt zijn dode vader aan

Wat iemand zegt of doet bij een dode, mag hij of zij tot op zekere hoogte zelf weten. Ik vraag me wel eens af wat je wil zeggen, wanneer je een dode aanraakt. Wil je daarmee je innige liefde uiten of wil je ontkennen dat de dood scheiding heeft gemaakt? Ga je praten tegen een dode, alsof hij of zij er nog is? Toen ik acht jaar was en mijn oma overleed, wilde ik aanvankelijk niet kijken in de kist. Op de dag van de begrafenis heb ik het, vlak voor de kist definitief dicht ging, toch gedaan en ik heb er eigenlijk nog steeds enige spijt van. Ik zag daar het lichaam van iemand, die ik niet meer herkende. Oma had een strenge gelaatstrek en haar zachte, lieve wezen was weg. Haar persoonlijkheid was weg; immers haar ziel had haar verlaten. En eerlijk gezegd heb ik dat gevoel nog altijd, wanneer ik bij een condolatie of begrafenis de opgebaarde overledene zie. Er is afstand gekomen, het wezen is eruit. Dat lichaam wordt straks in verderfelijkheid gezaaid… het roept niet meer de liefde op, die je in het leven wel voor die persoon had. Ik heb dat onlangs opnieuw ervaren, toen mijn vader overleed.
Roerloos staan de broers rond het bed van vader Jacob. Ook zij moeten iets van die afstand hebben ervaren. Vanuit hun ooghoeken zien ze dat een van hen zich losmaakt uit de kring en naar het bed gaat. Hij buigt zich voorover en duwt zijn hoofd tegen het hoofd van zijn overleden vader. Hij kust het gezicht zelfs. Mocht dat? Later, na de wet van Mozes, zou je onrein zijn als je een dode aanraakte; en daar valt ook deze liefdesuiting onder uiteraard. De HEERE wilde blijkbaar duidelijke scheiding tussen de dood en het leven. Hier is die scheiding flinterdun…

Jozefs kust Gods belofte in vervulling

Die voorovergebogen houding herkennen we vanuit het laatste vers van Genesis 47, waar Jozef zijn vader gezworen heeft dat hij hem in Kanaän zal begraven. We lezen dan: "En Israël boog zich ten hoofde van het bed." Jacob was te oud en te zwak om zijn bed uit te komen en te knielen voor de HEERE; daarom boog hij zich voor de HEERE op het hoofdeind van zijn bed en dankte Hem voor de bevestiging van Zijn belofte in de eed die Jozef daarnet zwoer. Want… er gaat in onze dagtekst iets in vervulling, dat Jacob op dít moment niet meer heeft meegemaakt, maar waar hij aan het einde van Genesis 47 dus wel de bevestiging van kreeg. Wat?
Voordat Jacob naar Egypte aftrekt om zijn zoon Jozef in levende lijve te zien, vraag hij eerst of de HEERE het goed vindt dat hij Kanaän verlaat (Genesis 46). Luister eens goed wat de HEERE dan belooft in vers 4: "Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen." Daarmee bevestigt de HEERE dat Jozef inderdaad nog leeft en dat Jacob in zijn aanwezigheid zal sterven. Hier in onze tekst zien we dat gebeuren. Jozef is de enige die dicht bij zijn stervende vader is. Hij duwt zijn hoofd net als een kind tegen het hoofd van zijn vader. Als het ware om nog een keer weg te kruipen bij zijn vader. Hij kust hem; maar dat moet je zien als: hij kuste of streelde de ogen van zijn vader dicht. Precies zoals de HEERE het had voorzegd…

Jozef is de enige die reageert

Vind je het niet vreemd dat Jozef de enige is die reageert? Als je bedenkt dat die andere broers ook daar rondom dat bed stonden, dan zou je toch wel verwachten dat er meerderen zijn die zo bij hun vader zitten? Zou het schaamte en intuïtieve afstand van een dode zijn? Of… ontbrak die innige liefde die er was tussen Jozef en Jacob? Het verbaast me toch, zeker omdat ik ook Benjamin niet zie reageren. Hij was immers ook Jacobs lieveling?
 Zou Jozef zelf misschien de reden zijn dat de broers niet dichterbij durven komen? Als je de rest van het hoofdstuk leest zou dat inderdaad weleens zo kunnen zijn. Ze zijn namelijk zeer gereserveerd naar Jozef toe, want ze denken dat hij na het overlijden van Jacob (die wellicht toch nog een wat verzoenende en bruggenbouwende functie in de clan in Gosen had) wel wraak zal gaan nemen. Het sterven van Jacob is voor de broers vooral een zaak van angstige voorgevoelens.
Maar Jozef uit zich spontaan. Bij hem is enkel puur verdriet omdat hij zijn vader nu ook moet missen, die hem van jongs af aan heeft opgevoed, nadat zijn moeder Rachel in het kraambed van Benjamin overleed. En nu wil vader Jacob juist niet bij Jozefs moeder, maar bij zijn andere vrouw, Lea, worden begraven; bijzonder dat juist Jozef zo emotioneel reageert!
Jozef, de man die in prachtige egyptische kleding rondliep en farao, de koning van Egypte, met zijn masterplan tijdens de zeven jaar honger schatrijk heeft gemaakt. Jozef, de vizier, de machtigste onder de wereldheerser farao, hij acht het niet te min om zich te bukken bij het bed en als een kind tegen zijn vader aan te schuiven. Zelfs niet als die al overleden is. Hij weet dat zijn vader in de zaligheid is, waarover hij daarstraks nog zei dat hij daarop wachtte. Hij begeert hem niet terug. Hij mist hem wel, want hij had grote gedachten van zijn vader, omdat hij grote gedachten van de God van zijn vader had!

  1. Wat vind jij van de houding van Jozef bij het sterfbed van vader Jacob?
  2. Kende je de belofte van God aan Jacob, dat Jozef zijn ogen zou toesluiten?
  3. Heb jij ook een geestelijke band met je ouders of andere (ouderen) uit de gemeente?

maandag 11 juli 2016

Afhaken omdat het prijskaartje te veel is

Paulus die lange tijd nauw samenwerkte
met Demas, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Meelopers heb je altijd gehad. Het zijn niet altijd Ananiassen en Saffira's, die uiteindelijk afhaken. Dat soort afhakers heeft iets triests. Hoewel het fout is kun je toch wel enig gevoel van rechtvaardigheid hebben bij de dood van Ananias en Saffira. Maar mensen die intens hebben meegewerkt in het Koninkrijk van God en toch op het laatst afhaken omdat de prijs te hoog is, hebben iets tragisch. Maar laten we ons niet te zeer door ons gevoel meeslepen, ze hebben ook iets desastreus binnen de kerk, immers er worden mensen door in verwarring gebracht. Wellicht ook haken er meerderen af. Ik snap Paulus wel, die klaagt over het feit dat Demas hem heeft verlaten.

De vorige keer keken we naar Judas. Min of meer ook iemand die langetijd meeloopt en meewerkt, maar wel van een andere orde. Het afhaken van Demas is namelijk – naar mijn overtuiging – geen wraakoefening tegen de kerk. Maar hij heeft de kosten blijkbaar niet goed overrekend, of gaandeweg het proces van werken in het Koninkrijk is de 'rekening' te hoog opgelopen. Als Demas op jouw zoon of dochter lijkt, wat kun je dan van hem leren?

"Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen,
en is naar Thessalonica gereisd…"
2 Timotheüs 4 : 10a

Wie is Demas

Demas word nogal eens op dezelfde lijn gezet als Judas en Gehazi. Maar is dat juist? Uit de Bijbel kunnen we opmaken dat hij een trouw medewerker van Paulus was, zoals Timotheüs en Lukas bijvoorbeeld. Dr. H. Veldkamp schrijft er het volgende over:
"Wij weten wel niet zo bijzonder veel van hem, en hij is ook niet een zó op de voorgrond tredende figuur als bijvoorbeeld Barnabas en Markus, twee mannen in de schaduw van Paulus, over wie wij vroeger reeds spraken, maar toch is hij een medearbeider van de grote heidenapostel geweest, en blijkens de schaarse gegevens in Paulus' brieven niet een van de minst gewaardeerde medearbeiders.
Het is merkwaardig — het zij even terloops opgemerkt — hoe het getal van Paulus' helpers in het zendingswerk gestaag gegroeid is. Deze zendeling bij de gratie Gods is stellig een goed organisator geweest, die overal z'n mannetjes wist te vinden en aan het werk te zetten, en in de brief waar we ook van Demas lezen (2 Tim. 4) duikt zo maar een hele reeks van namen op van allerlei medewerkers: Crescens, Titus, Tychicus, Erastus, Trofimus, Aquila en Priscilla — het zijn allemaal mensen in de achterhoede weliswaar, van wie we vaak niet veel meer dan de namen weten, maar wie zal zeggen, van welke onberekenbare waarde zij geweest zijn voor het koninkrijk Gods. Onder hen was dan ook Demas!
In z'n tweede brief aan Timotheüs, een brief die geschreven is vlak vóór z'n dood, noemt Paulus zijn naam voor het laatst, maar niet voor het eerst. De wijze waarop Paulus z'n naam voor het laatst vermeldt, is voor Demas niet zo erg eervol. Hij schrijft: "Demas heeft mij verlaten". In de oorspronkelijke tekst staat het nog scherper: "Demas heeft mij in de steek gelaten" !"
Als je het gehele artikel van dr. Veldkamp wil lezen, kijk dan hier. Hij stelt dat Demas echt niet bij de eerste de beste tegenslag is afgehaakt. Demas bleef zelfs bij Paulus, in diens gevangenschap in Rome:
"Die (eerste) gevangenschap van Paulus in Rome was nog vrij ongevaarlijk. Ze was ook vrij dragelijk. Aan Paulus waren allerlei faciliteiten toegestaan, en contact met deze gevangene betekende nog geen levensgevaar. Op de duur is Paulus zelf dan ook weer vrijgelaten. Heel anders stond het met Paulus' tweede gevangenneming in Rome. Ze was het gevolg van de felle haat tegen al wat christen was tijdens het bloedige regiem van keizer Nero. Door de Gestapo van de bloedhond Nero is Paulus gegrepen en deze gevangenschap zal het einde van zijn leven betekenen: "reeds word ik als een plengoffer geofferd, en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur". Een vriend en metgezel van Paulus te zijn, betekende toen candidaat te zijn voor het schavot! Maar ziet — ook dan treffen we Demas aan in het gezelschap van de "terrorist" Paulus. Niet alleen gedurende de eerste, maar ook tijdens de tweede gevangenschap van Paulus is Demas present. Hij heeft niet geschroomd de grote heidenapostel te volgen tot voor de poorten des doods!"

Toch is er een omslag in het denken van Demas gekomen. Hoewel het allemaal wat onduidelijk blijft in Gods Woord, vertelt Veldhuis er wel dit van:
"We vernamen, dat de heiden Demas het evangelie van Christus aannam, alles verliet om Paulus te helpen in het zendingswerk, ja zelfs de heidenapostel volgde tot in Rome — het hol van de leeuw. Maar toen is hem daar de grond te warm geworden onder de voeten. Hij is voor de consequentie teruggedeinsd. Het offer om voor Christus te lijden en zelfs de dood in te gaan, valt hem te zwaar. Hij verlaat de bloedstad van Nero, om de rust en de veiligheid te zoeken in Thessalonica. In Rome christen te zijn is te gevaarlijk, in Thessalonica is het volkomen ongevaarlijk en misschien nog een eervol bedrijf. Het komen tot Jezus is nog zo bezwaarlijk niet, het blijven bij Hem, volharden tot het einde, dat is de heilige kunst van het geloof. We denken bij Demas als vanzelf aan het zaad dat terstond hoog opschoot, maar verdorde toen de zon opkwam, toen het héét werd. Want het had geen diepte van aarde. En Paulus klaagt: "Demas heeft mij verlaten, en is naar Thessalonica vertrokken".

Geen hard oordeel

Deze desertie heeft Paulus diep geraakt en pijn gedaan. Hij heeft ervaren dat de discipel niet meerder is dan zijn Meester. Ook Hem hebben ze verlaten. Allen. Dat Paulus in de steek is gelaten doet hem wel pijn, maar de pijn betreft vooral het motief van Demas:
"Wel, dat zat 'm in het motief, dat Demas bewoog. In de regel zit het goede of het kwade van een bepaalde daad niet in de daad zelf, maar in het verborgen motief. En dat omschrijft Paulus aldus: "uit liefde voor de tegenwoordige wereld". Paulus noemt hier de man bij z'n naam, en de zonde bij haar naam, en dat is ook maar het allerbeste. Het is wel scherp gezegd, doch zo'n prediking haalt meer uit, dan wanneer de gemeente wordt doodgegooid met dierbare en versleten termen die de conscientie niet meer raken."
De HEERE heeft echter Zijn dienstknecht Paulus wel getroost. Hij was wel eenzaam, maar niet alleen. Niettemin houdt Paulus zijn hart vast over Demas. Hoe zal dit aflopen? Zal Demas nog eens terugkeren? Zal hij, net als de rijke jongeling, verknocht blijven aan zijn aardse goed? Ik houd hem zelf namelijk liever op dezelfde waarde als de rijke jongeling, dan op die van de vrouw van Lot. Niettemin waarschuwt Jezus ook voor háár houding. Wat kan ons vergankelijk bezit op aarde ons toch een zand in de ogen strooien.
Laten we geen grote woorden over Demas spreken, maar van hem leren, dat die neiging ons zo snel in het bloed zit, om 'eieren voor je geld' te kiezen en te vluchten als het nog kan. We luisteren zo graag naar de verhalen van geloofshelden, maar ik wist al heel jong dat ik niet zo'n held was en dat er wel een oceaan aan kracht en genade voor nodig is, wilde ik blijven staan in het heetst van de strijd. Wees er maar eerlijk over en zie er ook je zwakheid en zonde maar in. Standvastigheid is namelijk een gave en geen verworven bezit. Wie zal volharden tot het einde, die zal zalig worden, niet waar? Maar wel in Zijn kracht.
Als Demas mijn zoon was, dan had hij een aardje naar zijn vaartje. Echter, diepweg wenste ik dat mijn zoon nog iets van Demas had…


Tot besluit van de serie 'Afhakers'

Ik had de serie nog langer kunnen maken, maar ik verlang weer naar een bijbelgedeelte tekst voor tekst te overdenken. Niettemin heeft de diversiteit aan afhakers in de Bijbel me veel gezichtspunten opgeleverd en me ook veel details geleerd.
Als de serie vragen oproept of andere reacties, schroom niet om te reageren. God zij je nabij als je zo'n afhaker in je directe omgeving kent, misschien wel tussen je eigen kinderen. Roep de Naam van de Drieënige voortdurend en aanhoudend aan, Die Zich aan de naam van je kind heeft verbonden in de Doop. Dat is geen verbondsautomatisme, maar de enige weg die nog overblijft. En blijf zoeken naar gelegenheden om zonder wrevel en irritaties op te roepen een goed geluid en een goed beeld van de Heere Jezus te verspreiden om hem of haar tot nadenken te stemmen, ja tot jaloersheid te wekken. En als er op geen enkele manier meer normaal gesprek mogelijk is, spreek dan maar niet. Dan ben jij als ouder of vriend blijkbaar niet de uitgelezen persoon om iemand van gedachten te doen veranderen. Wanneer alles escaleert en vrienden of kinderen botweg schoppen en hun eigen weg, koste wat het kost, willen vervolgen, moet je ze loslaten. Immers, de irritatie in hun denken, stimuleert ze om verder bij de HEERE weg te rennen. Die fanatieke anti-christelijke drive keer je niet zomaar met woorden. En werkt, als je telkens de confrontatie blijft zoeken, alleen maar destructief verder in de rest van je gezien/familie en in je eigen geloofsleven. En dat is wat satan wil. Dan moet je iemand, net als Paulus, maar aan de satan overgeven. Dat klinkt hard, maar lees dan eerst dit artikel, om die uitdrukking goed te begrijpen. Je laat iemand dan maar gaan, zijn schade tegemoet, weliswaar als een gewaarschuwd mens!
Dat neemt niet weg dat het gebed blijft. Heb verwachting, ook al is er nog geen wolkje ter grootte van een mannenhand te zien! Want we hebben een rijk en machtig God die juist zondaren zoekt (afhakers in alle hoedanigheden) om te zaligen!

zondag 12 juni 2016

Als je kind er buiten blijkt te staan

Judas, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
De fotograaf James C. Lewis kon het niet nalaten onder Judas' naam naast 'Disciple' ook de toevoeging 'Betrayer of Jesus Christ' te plaatsen. Ik neem het hem niet kwalijk… iedereen weet precies wie Judas Iskarioth was, wat een Judaskus is en een enkeling zal weten dat er nog een betere was, Judas Jakobi (Thaddeüs in het hebreeuws), in de vriendenkring rond Jezus. Je moet de Yin-Judas (de duistere) duidelijk scheiden van de Yang-Judas (de verlichte), nietwaar? We hebben ons oordeel vrij snel klaar als het over Judas gaat, maar wat zouden onze oordelen doen met de vader en moeder van Judas, als zij ons hoorden praten?

Jaren geleden hoorde ik een meditatie van ds. J.J. Poort over de moordenaar aan het kruis. Jezus sprak: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn…" Dominee Poort nam de luisteraars mee naar de moeder van de jongen die door deze man was vermoord. Genade? Voor de moordenaar van mijn kind? Lekker makkelijk zeg, net voor de poorten van de dood. Dat 'effe anders kijken naar zo'n bekende situatie' trof me wel in mijn tienerjaren. Gisteren werd ik door onze dominee gewezen op het boek van ds. H. Veldkamp met de titel 'Dubieuze posten' vanwege mijn vragen over Manasse. Interessant om te lezen hoe deze theoloog ons even anders laat kijken naar bijvoorbeeld de bekering van Manasse. Het is inderdaad maar de vraag of er sprake van een bekering was… de Bijbel zegt er eigenlijk niet echt iets duidelijks over. Wat ik leerde uit dit boek was dat er meerdere kanten aan zo'n verhaal zitten. En met Judas is dat eigenlijk ook. Ik wil me verplaatsen in de vader en moeder van hem en ik probeer te schetsen – in navolging van een bijbelstudie die ik afgelopen seizoen hield over 'Verduiveld gedrag', waarin ik ook Judas beschreef – wat er in hem moet zijn gebeurd rondom zijn afhaken.

"En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? 
Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd."
Mattheüs 26 : 25

Je zult maar zo'n kind hebben

Wat zal er door Simon en zijn vrouw in Kerioth gegaan zijn, toen hen het bericht bereikte dat hun zoon Juda zichzelf van het leven had beroofd? "Juda, gij zijt het," had vader Jacob geroepen. Ze hadden hun zoon naar deze aartsvader vernoemd; hij was een zoon die hen hoop gaf. Toen hij later te kennen gaf dat hij zich had aangesloten bij de groep rond Jezus van Nazareth, had Simon nog even gedacht dat het een van de vele bevrijdingslegertjes was. Verzet tegen de Romeinse overheersers had hij altijd al toegejuicht. Zijn vrouw had bezorgd gekeken, maar toen bleek dat die Nazarener een rabbi was, zonder zwaard en geweld, had het hen enigszins gerustgesteld. Waar kon je kind beter terechtkomen dan aan de voeten van een rabbi?
Toen echter onrustbarende geruchten over die Jezus van Nazareth de ronde deden, als zou Hij de Zoon van God zijn, was de angst weer naar de oppervlakte gekomen. Judas, die stille, super zelfstandige zoon was in een sekte terecht gekomen! En daar hadden ze er al een paar van gehad, de afgelopen tijd. Theudas bijvoorbeeld; of wat dacht je van Judas de Galileër, die een tijdje na hem van zich deed spreken? Ook al een Judas… zou het in de naam zitten? Nee, zij hadden hun zoon toch écht vernoemd naar stamvader Juda… Uit hem zou immers de Messias voortkomen, die een heerser in Israël zou zijn? Wel, heel simpel, dat kon die Jezus van Nazareth (uit Galiléa) nooit zijn! Waar was hun zoon toch in terecht gekomen?
Lange tijd hadden ze niets meer van Judas vernomen. Wel geruchten over die Jezus. Bij tijd en wijle trok Hij met Zijn volgelingen naar de tempel in Jeruzalem. Het leek hen toch wel een trouw volgeling van de wetten van Mozes. Maar die opzienbarende verhalen… die wonderen en die confrontaties met de geestelijke leiders in Jeruzalem.
Een keer hadden ze Judas gespot in Jeruzalem, toen ook Simon en zijn vrouw waren opgegaan naar de tempel voor het Loofhuttenfeest. Ze hadden hem zien staan te midden van een groep, dichtbij die Jezus, Die opeens was begonnen te spreken in het openbaar: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien." Er was commotie ontstaan. Hier riep er een: "Dit is de grote Profeet, die Mozes had voorspeld", daar wreef iemand vertwijfeld over zijn baard en mompelde halfluid: "Tja, dit moet haast wel de Christus zijn!" Achter hen hadden verschillenden verontwaardigd gereageerd: "De Christus? Ken jij je Bijbel niet, man? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?" Het had Simon en zijn vrouw in verwarring gebracht; een verwarring die hen persoonlijk diep raakte, want hun zoon was erbij betrokken.
En nu was Jezus gekruisigd als een misdadiger. Ook al zo'n raar gebeuren. Niemand kon duidelijk aangeven wat Hij had misdaan. Maar Hij was dood; hoe dan ook. Echter, Hij was niet de enige… hun zoon Juda had zich in een ravijn gestort. Hoe is dat toch mogelijk? Judas! Die zelfstandige denker; ja, hij was onbereikbaar soms en trok zijn eigen pad. Maar ze hadden het nog kunnen accepteren dat hij met die rabbi meeliep, al waren ze wel argwanend over Jezus. Maar dat ook Juda nu zichzelf… Langzaamaan druppelde nieuwe feiten over zijn dood de villa in Kerioth binnen. Hij zou smeergeld hebben aangenomen. Hij zou bij een corruptieschandaal zijn betrokken. Hij zou Jezus hebben verraden. Zat hij in geldnood? Waarom had hij dan nooit bij hen aangeklopt? Zij hadden genoeg geld. Waarom… 
Wat gaat er allemaal door je heen als je kind een strafblad blijkt te hebben, zonder dat je dat hebt geweten en er iets aan had kunnen doen? En nu is het te laat. Voor eeuwig!

Je zult maar bij Jezus horen

Op een van Jezus' eerste tochten naar Jeruzalem was Judas tussen Diens volgelingen een paar oude bekenden tegengekomen. Jezus had ze Zelf geselecteerd, korte tijd daarvoor. Toen Judas aan Hem werd voorgesteld door Johannes Zebedeüszoon had Jezus hem doordringend aangekeken. "Volg Mij… met een volkomen hart", had Hij gezegd en de klank in Zijn woorden was vreemd, dwingend, ja, waarschuwend haast. Waarschuwend? Waarom? Om hem tot een 'ja' te dwingen of…
Judas voelde zich te midden van die onervaren en ongeletterde vissers niet helemaal op zijn gemak, maar met Johannes kon hij gelukkig wel goed opschieten. Die was toch wat meer ontwikkeld, hoewel hij ook visser was. Het was een denker met helder inzicht op politiek en geestelijk terrein. Vooral dat politieke zinde Judas wel. Het zionisten-, of eigenlijk het zelotenbloed, zat hem diep in de aderen. En met die Jezus van Nazareth, Die ook zo bijzonder eigenzinnig Zijn weg ging, leken zijn dromen over een vrije staat eindelijk waarheid te worden. Een staat, waarin Judas een toppositie met een topsalaris zou kunnen verwerven. Het leek hem een opgaande lijn naar een droomcarrière. En dat alles onder een perfecte, godsdienstige dekmantel.
Gaandeweg had hij zich binnen de vriendenkring rond Jezus een vertrouwenspositie verworven. Ze hadden hem bijzondere taken toebedeeld, en hij was er door gevleid: penningmeester. Het moest een dienende taak zijn, maar hij nam zijn functie wel serieus op. Hij gooide geen geld over de balk, want wat je weggaf was je kwijt. Er moest op termijn geïnvesteerd gaan worden en daar was veel geld voor nodig. Veel geld betekende ook veel macht.
Maar na een jaar of twee van afzien en rondzwerven met Jezus begon hij te twijfelen aan de realisatie van die toekomst. Elke Jood had gedreven genen in zijn bloed: gedreven voor de vrijheid van het eigen volk, het Volk van God. Die Romeinse overheersing was een doorn in zijn oog. Maar het leek Jezus hoe langer hoe minder te interesseren. De overheersing waar Hij over sprak, was die van de Joodse leidslieden, die de weg van Zijn Vader – zo noemde Hij dat – overheersten. Hij zette ze neer als vijanden van Zijn Koninkrijk. Vijanden? Judas snapte er niets van. De trots die hem had vervuld – dat hij bij die groep van deze opzienbarende rabbi uit Nazareth behoorde – ebde weg. Stond Jezus dan misschien een ander doel voor ogen? Ook de andere vrienden raakten hoe langer hoe meer in verwarring en dat irriteerde Judas. Sterker nog, Jezus begon over Zijn dood te spreken, als een offer voor de zonde. Waar was hun Leider toch mee bezig? Had Hij een tweede agenda?

Je zult er maar buiten staan

Langzaam maar zeker daalde een gevoel van afkeer in het hart van Judas. Hij begon financiën veilig te stellen, mocht het helemaal mislopen met Jezus. Want dan zou hij, Judas, zijn eigen bevrijdingsplan openbaar maken. Hij zag het al voor zich, hij, Judas, aanvoerder van de nieuwe bevrijdingsbeweging. Af en toe, maar in toenemende mate vaker, drukte hij geld achterover. Hij werd zuinig als er geld moest worden uitgegeven aan de armen. Hij plaatste kritische kanttekeningen als er ruimhartig moest worden gegeven. Die Maria bijvoorbeeld had nota bene een kapitaal vergoten over Jezus' voeten: zalf met de abominabele waarde van 300 penningen! Dat had duur kunnen worden verkocht ten behoeve van de armen, loog hij hardop. Jezus had hem boos en doordringend aangekeken. Nota bene had Jezus gesproken dat er later juist met respect zou worden gesproken in de hele wereld over deze verkwistende en zondige vrouw!
En later waren er nog meer voorvallen geweest. Jezus had gesproken over dat er eentje in de kring was die een duivel was. Verbaasd had hij langs Jezus weggekeken, maar in zijn ooghoeken probeerde hij te ontdekken of Jezus naar hem keek. Nog later had hij Jezus plots horen zeggen dat er eentje zou zijn die Hem zou gaan verraden. Hoe kon Jezus dat weten? Hij had een goede vriend contact laten leggen met een van de leden van het sanhedrin. Opperste geheimhouding had hij geboden; en ze zouden er zeker niet bij gebaat zijn als de boel verlinkt werd. 
Verraden? Ach, dat was zo'n zwaar woord. Met Jezus ging het overduidelijk de verkeerde kant uit. Ze konden Hem maar beter gevangen laten nemen. Doden mochten ze hem toch niet van de Romeinen. Gevangen zetten… net als Jozef. Even kwamen de woorden van aartsvader Juda, waarnaar hij vernoemd was, bovendrijven: "Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees…" Verkopen was handiger. Je kon nooit weten hoe het later allemaal zou gaan lopen. Het was misschien zo dom nog niet om Jezus toch nog ergens, ver weg, achter de hand houden.
Maar hoe langer hoe meer liet Jezus tussen de regels door voelen dat Judas degene was die er buiten stond. Het had hem getroffen, geïrriteerd en het had de kiem gelegd van haat, blinde haat. Die Jezus zat hem op de huid. Hij doorzag hem en blokkeerde al zijn plannen, maar Hij zei het nooit vrijuit! Judas zette het aanvankelijke droompje over de verkoop van Jezus, om in een concreet plan. Totdat… totdat hij erachter kwam – te laat – dat zijn broeders (de joodse leidslieden waartussen hij zich een latente ereplaats had verworven) iets heel anders van plan waren. Ze waren werkelijk ziedend op Jezus en zochten koortsachtig naar een mogelijkheid om Hem uit de weg te ruimen. Een en een is twee… 
Ach, wat zij met Jezus deden was toch Judas' verantwoordelijkheid niet? Voor hem moest Jezus alleen van het toneel af. Het was hem verder een zorg hoe zij dat afhandelden. Totdat die avond aanbrak, waarop hij de eerste concrete tip had gegeven: het sanhedrin moest zich paraat houden. Het proces was in een stroomversnelling gekomen toen Jezus Judas had ontmaskerd, te midden van de andere vrienden. Ongelofelijk dat de anderen het nog steeds niet door hadden. Wat een troep domme vissers was dat toch eigenlijk. Moest je daar de oorlog mee winnen?
"Ben ik het, Heere?" Dat laatste woord kwam nog met moeite over zijn lippen. Die eerste woorden raakten hem al niet eens meer. Hij was opgestaan en weggelopen. Jezus had hem nog een duwtje in de rug gegeven eigenlijk! Het was nacht. Stikdonker, ook in zijn hart. Alleen zijn ogen gaven licht: ze flikkerden van haat. Hoe had Jezus het gedurfd!
Na de kus in Gethsémané had hij zich teruggetrokken in de achterhoede. Zoals een pyromaan vaak staat te kijken bij het blussen van de brand die hij zelf heeft aangestoken, zo stond Judas in de hof van Kajafas te zien hoe dit ging aflopen. En opeens vielen de schellen van zijn ogen. Hij had Petrus driemaal horen liegen over zijn band met Jezus. Hij had de haan horen kraaien. Hij had Petrus bedroefd zien wegvluchten en Jezus zien kijken naar Petrus. "Ik heb voor u gebeden," had Jezus gezegd. 
Opnieuw merkte Judas dat hij er buiten stond, want Jezus keek niet naar hem! Maar ditmaal vervulde hem dat niet met haat, maar met uitzinnige angst. Hij hoorde er inderdaad niet bij, bij Jezus. Loepzuiver doorzag hij dat Jezus alles wist, Gods Zoon was, Zijn enige redding. Echter… niet voor Judas. Kraakhelder schetste de satan alle beelden voor ogen bij Judas. Wat hij had gedaan, gedacht en gevoeld. Voor jou geen plek, sliste diabolos. Een bovennatuurlijke waanzin vervulde hem. De eeuwigheid kwam als een Temple of Doom op hem af en vluchten kon niet meer. Het was te laat. Hij sloeg zich op het hoofd, om die gedachten te stoppen, maar het wilde niet. Hij rende naar buiten en even buiten de stad brulde hij de nacht in, om zijn angst weg te schreeuwen, maar het hielp niet. De brand in zijn hoofd en hart werd niet geblust. 
Voor hem in de donkere nacht gaapte een nóg donkerder gat. Was het de hel? Of was het de hemel? Het was zwart en donkerder dan duister. Zou daar lafenis te krijgen zijn? Het was over… dit gat was zijn enige redding om weg te komen van die angst. 
Nog één plan moest worden uitgevoerd, want er brandde niet alleen angst in zijn hart, maar ook geld in zijn zak. Hij keerde zich bruusk om. Het begon al te lichten. In volle vaart liep hij de stad weer in, betrad de voorhof van de tempel en zocht naar een paar priesters die bij het verraad betrokken waren geweest. Toen hij ze zag, krijste hij dat hij onschuldig bloed had vergoten en smeet het geld in volle vaart over de vloer van de tempel. Geschrokken keken ze wie dat lawaai in Gods Rustoord maakte. Judas? In de verte zagen ze hem gaan. 
Hij had nog maar één doel voor ogen. De smak van het geld had dat waanzinnigmakende gevoel in zijn hart niet gestild. Zijn belijdenis van schuld evenmin. Er moest meer gebeuren. Een offer… het offer van zijn leven. 
Weldra fladderde een mantel van de steilte. De doffe smak die het daar beneden in het Kidrondal maakte, vertelde dat er een lichaam in zat. Langzaam kleurde het linnen rood en doofde de uitzinnigheid in het hart van Judas op aarde…

Een paar uur later had de boodschap van deze zelfmoord het huis van Simon in Kerioth bereikt. Het vulde de voorgaande geruchten ijzingwekkend in. Het zal je zoon maar wezen! Wat zal het hebben gedaan in het hart van Simon en van zijn vrouw? Het kind dat zij had gebaard en het leven dat was geschonken en gespaard, was na een jaar of dertig, in de kracht van zijn leven, gesmoord. Vermoord… Waarom? Zij zullen waarschijnlijk de echte toedracht niet hebben geweten en al helemaal niet hoe Judas' laatste momenten waren. Ze hebben slechts kunnen gissen. En al hun gissingen maakten het verdriet alleen maar ingrijpender en pijnlijker. 
Een ziel, verloren voor de eeuwigheid. Dat is de klem die op ons ligt, zolang onze kinderen de HEERE nog niet kennen. Zolang ze buiten Christus zijn, kan het je toch niet onbewogen laten dat elke dag hen dichter bij de ontmoeting met God de Vader zal brengen, zonder dat God de Zoon voor hen in de bres zal springen? Snap je de klem en bid je mee voor al die mensen in je gemeente die nog niet werkelijk verzoening in Christus gevonden hebben?

vrijdag 10 juni 2016

Ik trek Mijn handen er van af

De profeet Jeremia, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Natuurlijk moet je bidden voor mensen die afdwalen. En al helemaal voor afhakers, toch? Immers, hun ziel en eeuwige toekomst staat fors op de tocht. En we leren toch dat niemand wordt weggestuurd bij de HEERE? Kom, zoals je bent… doe je niet beter voor dan je bent: wees eerlijk tegenover Hem Die je hart, ja zelfs je motieven kent. Hoe vaak heeft de HEERE door Zijn profeten Zijn volk niet teruggeroepen? Hoeveel moeite heeft Hij gedaan om op te zoeken dat verloren dreigde te gaan. Dat begon al in Genesis 3! En dan nu die keiharde boodschap aan Jeremia: "Bid niet voor dit volk… want Ik zal niet horen". Is dat wel dezelfde God?

Je hebt van die mensen die allerlei Bijbelteksten uit hun Bijbeltje knippen en er hun eigen theologie van maken. Zo is de hele gezelschapstheologie ontstaan en alle soortgelijke uitwassen in de linker- en rechterflanken van kerkelijk Nederland. Om van de vrijzinnigheid nog maar te zwijgen; die hebben allerlei teksten uit hun Bijbeltje geknipt om ze vervolgens weg te gooien: wat ik niet kan begrijpen, geloof ik niet. Maar… ik ben geen vrijzinnige, evenwel begrijp ik deze tekst niet. Daarom ga ik erover nadenken en hoop deze paradoxale tekst te doorgronden en er een les uit te leren voor ons vandaag de dag.

"Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op,
en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen."
Jeremia 7 : 16

"Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op;
want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen."
Jeremia 11 : 14 

"Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede."
Jeremia 14 : 11

Gebed geboden

Eerlijk gezegd vind ik Jeremia een trieste, meelijwekkende figuur. Eentje die altijd aan het kortste eind lijkt te trekken; de pechvogel onder de profeten. En je hebt er allerlei soorten tussen zitten. Wat dacht je van Jona, van Amos, van Elia en Jesaja. Uiteenlopende karakters, net zoals bij de discipelen. Misschien moet je ze de apostelen van het Oude Testament noemen. En ze hebben wat een boodschappen door te geven! Sommigen noemen het terecht 'een last'.
Even intiem als de Heere Jezus was met Zijn jongeren, is de HEERE soms ook met Zijn profeten. Hoe praatte God met Mozes! Of wat dacht je van de discussie die Hij voerde met Elia? Maar nu naar Jeremia. James C. Lewis, de fotograaf van het beeld hierboven, noemt Jeremia de 'weeping prophet'. Ik herinner me nog een oude gravure waarop je Jeremia op een berghelling zag zitten, terwijl Jeruzalem werd verwoest en de rook opsteeg uit de ruïne. Ik was nog maar een lagereschooljochie en die prent maakte indruk op mij.
Jeremiëren is een zeurderige manier van klagen; ik heb er altijd een hekel aan gehad. Hoewel… als de problemen af en toe opstapelen en de berg zorgen je het uitzicht beneemt, ben je snel geneigd te somberen. En zo sta ik dan toch weer heel dicht bij Jeremia. Het gebed is op die momenten zo'n enorm cruciaal middel. Je kunt al die problemen niet oplossen; niet torsen, laat staan wegvegen. Hoe heerlijk is het dan het door God (aan)geboden middel van het gebed te gebruiken. Tegen Gods Vaderhart aan schurken. Waar zou ik heengaan, zonder U? Ook met mijn zorgen over afhakers en wegdwalers.

Gebed afgeraden

En dan is daar Jeremia die Gods plan aanhoort. Het gaat ervan komen: oordeel en verwoesting. Bijna knikt Jeremia zijn knieën en wil op zijn aangezicht voor de HEERE neervallen… "Ho!" zegt God, "Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen." Is dat dezelfde God als Die oproept tot verootmoediging en gebed? "Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren", zingt Psalm 50. Ik snap het niet; en ik vraag me af hoe de uitdrukking op het gezicht van Jeremia er uitzag bij die woorden. Jeremia krijgt nota bene tot driemaal toe deze woorden te horen van de HEERE! "Ja, maar het volk dreigt verloren te gaan!" "Ja, maar het is toch Uw volk?" "Ja, maar ik kan het volk toch zomaar niet loslaten?" Allemaal begrijpelijke vragen. En toch, al komt het maar sporadisch in de Bijbel voor, zegt God: "Val me er niet meer mee lastig; Ik trek Mijn handen ervan af. Pleit niet, spring niet in de bres… want anders zou Ik naar jou, Jeremia, toch eigenlijk wel moeten luisteren, zoals Ik naar Mijn belofte altijd naar al Mijn kinderen luister. Maak het Me niet lastig." Althans zo, komen die woorden op mij over.
Iets dergelijks horen we de HEERE ook tegen Samuël zeggen, over Saul: "Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël?" (1 Samuël 16 : 1a). Ook zo'n hard woord: "Houd toch op met treuren, Ik trek Mijn handen van Saul af, maak jij er dan geen drama van!" Samuël moet stoppen met jeremiëren, Jeremia moet zijn mond houden, de Spreukendichter hoort God zelfs nog extremer dingen zeggen: "…zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt. Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden…" (Spreuken 1 : 26-28).
Als je die teksten uit hun verband knipt, zou je een tirannieke collage van God kunnen creëren. Maar klopt dat? Bij een paar uitleggers kwam ik de uitleg tegen dat de HEERE wel lankmoedig is, maar dat er wel een einde is aan Zijn geduld. En als Hij dan, om Zijn rechtvaardigheid te handhaven, tot oordelen overgaat, dan is het ook onherroepelijk. God is niet soft, zoals wij in deze eeuw maar al te graag willen doen geloven. Gods barmhartigheid is niet, dat we maar raak kunnen zondigen en we roepen even om vergeving en dan is het weer OK. Je mag komen zoals je bent, maar… je mag niet blijven zoals je bent. Als ook in die offers, die toch uitbeelden de dienst der verzoening, het hart van het volk niet oprecht blijkt, waar blijft Gods rechtvaardigheid dan als Hij er genoegen mee zou nemen? Echter, als Hij wil overgaan tot oordeel en straf, blijft Hij gevoelig voor de interventie van Zijn kinderen, Zijn knechten. Hij is zeker 'gevoelig' voor hun gebeden.
Het gebed van de rechtvaardige vermag veel. Maar niet alles. Paulus moest zwijgen over die doorn in zijn vlees: "Mijn genade is u genoeg." Daar kón hij het ook mee doen, want God stuurt hem niet weg, maar laat hem gaan onder Zijn zegenende vaderhanden. Beter voorbeeld in het verband van deze bijbelstudie is misschien Mozes, die moest zwijgen over het feit dat hij Gods volk niet op de plaats van bestemming mocht brengen, als straf voor zijn publieke ongehoorzaamheid.
Het oordeel moet er komen en zal er ook snel komen. De tijd van onderhandelen is over. Te vrezen is dat het hele volk niet alleen wordt weggevoerd, maar ook weggevaagd. En dan klinkt dat indringende gebed van iemand als Hábakuk: "In de toorn, gedenk aan Uw ontferming." Gij straft ons, maar niet naar de maat van onze zonden. Hij slaat, maar dan wel als een vader… met inhouding van Zijn totale toorn. Die liet Hij ontbranden op Zijn geliefde Zoon! Voor Hem stopte God de Vader één moment Zijn oren toe…

Gebed aangeraden

Terecht brengt iemand op Refoforum te berde dat Jezus nogal eens iemand genas en er dan bij zei: "Maar vertel niemand wat er is gebeurd!" Zo'n wonder, dat je hart bijna uit elkaar barst van verwondering en blijdschap en dan moet je je mond houden?! Ga er maar aan staan. Dat lukte dan ook zelden. En nergens lees je dat Jezus die genezenen op het matje riep: "Wat had Ik nou gezegd?!"
Wel, zou God dat dan hier tegenover Jeremia ook niet bedoelen? Dus eigenlijk een ontmoedigende stimulans, een negatieve prikkel om iets positiefs in werking te zetten. Is dat de achterliggende reden van deze woorden?
Ik denk het niet. De ongelovigen hebben veel baat bij het gebed van de rechtvaardigen, maar soms houdt het op. De HEERE is er echt wel voor Zijn knecht Jeremia, maar Jeremia kan er niet in alle omstandigheden zijn voor zijn en Gods volk. De HEERE is als het ware de Vader en als er moet worden gestraft, wordt er ook gestraft. Nu sprong Mozes ook weleens in de bres voor het volk, en wees de HEERE op de eer van Zijn naam, maar hier bij Jeremia gaat God niet vernietigen, maar opvoeden. En Hij zou welzeker temidden van de toorn aan Zijn ontferming denken. Maar de weg waarlangs, was voor Jeremia wel een weg die hem tot tranen drong… De weeping prophet.

Dit bloedserieuze in je achterhoofd houdend, wordt – ondanks deze situatie bij Jeremia – ons het gebed ten zeerste aangeraden. Laten we werken nu het nog dag is; laten we bidden en spreken, nu het nog genadetijd is. Voordat God zou kunnen besluiten dat we niet meer kunnen bidden; als de genadetijd om is. Velen leven onwetend voort buiten God; maar afhakers zijn niet ontwetend! Het gesprek met hen is vele malen lastiger – en kan op botter afwijzen rekenen – dan met buitenkerkelijken. Bidt en werkt… je kunt het in die volgorde doen, maar soms kan het ook andersom: dan moet er a la minute worden gewerkt en mag je na afloop stevig bidden dat de HEERE er in doorwerkt tot Zijn eer.
Op datzelfde refoforum stond een zeer merkwaardig verhaal dat ik toch wel wil doorgeven, maar met een zeer kritische noot erbij: dat ik niet geloof dat de HEERE ons het gebed voor afhakers kan afraden. Het is een mooi verhaal, maar gezien de vraagtekens die het oproept bij anderen op dit forum, is het zeker een aanvechtbaar verhaal. Dus ik geef het eerder ter waarschuwing mee (mensen kunnen soms zó 'geestelijk geïnspireerd' handelen dat het me haast mystiek en occult overkomt!). Kijk hiermee uit!

Er was eens een godvrezend echtpaar wier zoon vreselijk losbandig was, luisterde niet naar de waarschuwingen, koos eigen respectievelijk verkeerde wegen, etc. Beide ouders baden (uiteraard!) veel voor hun zoon, en de vader verzuimde dit ook nooit te doen bij het eten, dus waar zijn zoon bij was. Bij elke maaltijd werd ook in het bijzonder voor (de bekering van) hun zoon gebeden. Dit duurde jaren, maar de zoon bleef zijn eigen leven leiden. Totdat... God de ouders er beiden (!) bij bepaalde dat zij voor hun zoon niet meer mochten bidden.
Dus… bij de eerste beste maaltijd bad de vader niet voor de zoon. En juist dít was voor de zoon de slag naar binnen! “Mijn ouders bidden niet meer voor mij, en nu kan ik niet meer bekeerd worden.” En... toen werd hij het juist wél.

donderdag 9 juni 2016

Wat heb je tegen de Heere?

Hizkia's, de vader van Manasse,
uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Bij koning Manasse hebben we vrij direct ons oordeel klaar. Die was goddeloos; en nog wel met zo'n godvrezende vader, in onze ogen! Afgeschreven. Nou, de HEERE had hem niet afgeschreven, maar ik zou stil willen staan bij een indringende vraag: wat bewoog Manasse om zo faliekant tegen de Heere in te gaan? Wat had hij tegen de Allerhoogste, Die Zich zo duidelijk had laten kennen in het leven van zijn vader Hizkia?

Ik ga zeker het risico lopen eenentwintigste-eeuwse vragen te stellen bij het leven van deze jonge koning uit de oudheid. Maar wellicht dat die vragen anderen helpen een beeld te vormen van een geliefde die ondanks godsvrucht en godsvreze in het gezin, afhaakt.
En in mijn achterhoofd zitten nog de preken van onze dominee, die toch een wat minder positief beeld schetste van die in onze ogen zo godvrezende koning Hizkia. Er zijn inderdaad best wel wat merkwaardige punten in het leven van Hizkia die vraagtekens oproepen. Ze worden vaak snel weggewuifd doordat velen hem koste wat het kost als godvrezend willen neerzetten. Ik zou daar niet aan willen twijfelen, maar… ook de allerheiligste heeft nog maar een klein beginsel, nietwaar? Laten we groten in de genade niet op een voetstuk zetten. Ds. A. Hofman schreef in 1990 een boekje voor jongeren met de titel 'Volgt hun geloof na'. En ik denk dat dat een heel juiste visie is: het geloof van anderen navolgen. Niet als 'copy-paste'-gedrag, maar om er de HEERE in te zien werken en er Hém om groot te maken. Goed voorbeeld doet goed volgen.

"De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op."
2 Kronieken 33 : 10

In de schemer ter wereld gekomen

Een simpel rekensommetje vertelt me dat Manasse een jaar of drie na de vreselijke ziekte van Hizkia is geboren. Hizkia zou gaan sterven, maar de HEERE gaf hem nog 15 jaar genade. Wat was ook alweer zijn reactie op de ontstellende boodschap van Jesaja? "Och, HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gans zeer." (2 Koningen 20 : 3 en Jesaja 38 : 3). Het lijkt erop dat Hizkia zich wil rechtvaardigen voor de HEERE. Hij wijst God op zijn keurige leven, overeenkomstig Gods voorschriften en is dus verbijsterd dat hij wordt gestraft met een plotse dodelijke ziekte. Met geen woord rept hij over het probleem dat hij geen zoon heeft die hem zal opvolgen…
In Jesaja 38 horen we Hizkia na afloop zingen )en hij gebruikt ook de beelden licht en donker, net als in deze Bijbelstudie): "Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren. Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld. Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben. Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe…"
Hizkia praat hier over 'afsnijding van zijn dagen'. Had hij een langer leven gehoopt, verwacht of gewenst? Was hij geen pelgrim met heimwee naar Huis? Nou, ik denk dat uiteindelijk dat niet ontbrak in zijn leven, maar dat we hier toch het probleem tussen de regels door lezen: hij werd 'afgesneden' zonder een 'vervolgdraad' (een kroonprins) op het weefgetouw te hebben zitten.
En daarin verhoorde de HEERE hem ook: hij kreeg niet alleen vijftien jaar langer te leven, maar hij ontving ook een zoon, die reeds op zijn twaalfde koning werd.
Er zijn uitleggers die beweren dat Hizkia nog niet was overleden, maar dat hij zijn zoon begeleidde in het koningschap. Maar liefst drie jaar lang. Als dat zo is, dan is de geestelijke switch die Manasse maakt helemaal ontstellend!
Feit is dat Manasse in zijn jonge jaren opgroeide met de wetenschap dat het leven van zijn vader afgelopen zou zijn, voordat Manasse volwassen was. Met die klem groeide hij op; de dood was voor hem een realiteit. En zeker als zijn vader hem begeleidde richting de troon, móet Manasse iets hebben gehoord over de eeuwige verwachting van zijn vader. Diepweg moet dat iets met hem hebben gedaan!


In de schaduw koning geworden

Manasse groeide niet allen op met de realiteit van de dood. Hij groeide ook op in de schaduw van een godvrezende en geliefde koning in Juda. En het zou me niet verbazen als hij regelmatig lovende woorden over zijn vader hoorde van staatslieden, van functionarissen aan het hof en ook van mensen uit het volk. Niet in de laatste plaats van geestelijken, want de priesterorde was een machtige organisatie, die een soort tegenwicht – een 'tegenover' – bood aan de politieke macht. Je merkt op diverse plaatsen in de Bijbel (zeker ook in het Nieuwe Testament, denk maar bij de veroordeling en kruisiging van de Heere Jezus) dat een religieuze keuze van een koning meestal het gevolg is van de invloed van priesters en geestelijken. Een koning ontleende meer dan eens zijn macht en aanzien aan de goodwill van de geestelijkheid. In de Middeleeuwen was dat overigens niet anders! Met alle gevolgen van dien.
Toen zijn vader overleed – of dat nu direct of pas na drie jaar was – stond Manasse op eigen benen. Op dát moment moest blijken of hij het volk achter zich kreeg (en de geestelijkheid) of niet. In dat spanningsmoment moest hij de schaduw van zijn vader Hizkia, die in groot aanzien stond, van zich afschudden of… hij moest heel duidelijk in diens spoor verder wandelen. Maar dat laatste zou hem zijn eigen naam kosten; hij plantte dan slechts de nagedachtenis van zijn vader voort. En dat zie je niet vaak gebeuren. Zeker niet bij kroonprinsen die nog jong zijn. Was bij de kleine Joas de hogepriester Jojada nog lang in beeld, wie zou dat voor Manasse zijn geweest? Zijn moeder Hefzi-bah? En wat was haar relatie met de geestelijkheid?
Er komen nogal eens koningsmoeders in de Bijbel voor die zelf koninkje lijken te spelen. Zij proberen over de rug van hun zoon of kleinzoon de macht naar zich toe te trekken. Zij stonden als het ware in de schaduw van de koning, maar ondertussen hadden zij een flinke vinger in de pap! Of dat met Hefzi-Bah ook zo was, weet ik niet. Ik kan weinig of niets over haar vinden. Hefzi-Bah is een kibboets in het noordoosten van Israël en het lijkt me onwaarschijnlijk dat ze die naam geven aan een kibboets, terwijl Manasses moeder een slechte vrouw was. Haar naam betekent 'mijn verlangen'; het is de profeet Jesaja die deze naam ook gebruikt voor het volk Israël nadat ze hersteld zijn, gereformeerd (62:4-5): "Men noemt je niet langer Verlatene en je land niet langer Troosteloos oord, maar je zult heten Mijn verlangen (Hefzibah) en je land Mijn bruid."
En de link die Hizkia verbindt met deze vrouw, 'mijn verlangen', komt op mij over als een bijzonder intieme en positieve huwelijksband. Het zal me niet verbazen als deze vrouw haar zoon in het spoor van Gods geboden heeft willen opvoeden. Hizkia kon zichzelf wegcijferen en de HEERE zag hem dan ook aan vanwege zijn voorvader David. De schaduw van David, man naar Gods hart, viel over Hizkia en híj vond het goed.

In de duisternis belijdenis gedaan

Maar… die schaduw lijkt een ander effect op Manasse te hebben. Hij heeft, door welke invloed ook, niks met dat vrome gedoe. Hij gaat zelfs over op de afgoderij van Moloch! En zijn kinderen worden levend geofferd in de ziedende koperen handen van het afgodsbeeld dat bijna net zo erg verhit was als de oven waarin Daniëls vrienden terecht kwamen.
Ja, het is zelfs zo erg dat de HEERE vaststelt in Zijn Woord: "want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had." Als je in 2 Koningen 21 ook leest, wat hij allemaal uitspookte, lijnrecht tegen de levensstijl van zijn vader in, dan word je er beroerd van. En vers 16 doet er nog een schepje bovenop: "Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN."
Een op macht belust, weerzinwekkende figuur, deze Manasse. Zijn terreurbeleid ontziet zelfs onschuldigen niet (het lijkt IS wel)! Die gruwelijkheden stonden niet op zichzelf… hij deed actief juist datgene dat kwaad was in de ogen des HEEREN! Vers 6 in 2 Kronieken 33 spreekt zelfs van "hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken." Waarom? Er moet iets geweest zijn dat Manasse deed afhaken. Hij stond niet alleen in de schaduw van zijn vader, hij moet hebben gemerkt dat hij de band met God miste.
Hij heeft waarschijnlijk best wel gebeden (anders kon hij dat na zijn bekering nooit zo goed), maar het bleef stil. Hoe kan dat toch? Waarom reageerde de HEERE niet? Het is al te goedkoop om te stellen dat de HEERE hem door dit zwijgen in het nauw wilde brengen. Waarom hoorde de HEERE niet direct? Dat zou een hoop ellende hebben bespaard. Ik weet het niet. En het lijkt erop dat Manasse er ook vrij snel klaar mee was. Als God dan niet hoorde, terwijl hij wist hoe Manasse was, dan was Manasse er helemaal klaar mee. Een God Die je niet kunt zien en Die ook niets van Zich laat merken moest het afleggen tegenover zichtbare en merkbare goden (hoe dood ze ook zijn).
Het kostte wat, maar dan had je ook 'wat'. En het leverde je een heleboel vrienden op, ook buiten de grenzen (van God). En hier zet – hoe verwonderlijk – 2 Koningen 21 een punt! "Het overige der geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza." Is Manasse verloren gegaan dan? Waarom zwijgt de schrijver van het boek Koningen over Manasses bekering en gaat de geschiedenis in 2 Kronieken 33 wel verder? Merkwaardig; ik heb er geen antwoord op kunnen vinden.

Het apocriefe boek 'Het gebed van Manasse' is misschien wat twijfelachtig qua betrouwbaarheid, maar het is wel een prachtig voorbeeld van een verootmoedigend gebed. Manasse wordt achterna gezeten door zijn vijanden, vernederd en komt in de zwartste nacht van zijn leven tot inkeer. En hij durft te buigen voor de HEERE. "Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is" (2 Kronieken 33 : 13b). Hij erkent dat deze straf Gods oordeel is tegen zijn grove zonden:

"Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik Uw toorn verwekt, en kwaad voor Uw ogen gedaan heb; dewijl ik Uw wil niet heb gedaan, en Uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelen opgericht, en vele ergernissen begaan.
Nu buig ik dan de knieën mijns harten, en bid U om genade; ik heb gezondigd, Heere, ik heb gezondigd, en beken mijn misdaden.
Daarom bid en smeek ik U, vergeef het mij, Heere, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen der aarde, want Gij zijt God, een God der boetvaardigen.
Maar bewijs mij al Uw goedheid, en behoud mij onwaardige, naar Uw grote barmhartigheid.
En ik zal U loven al de dagen mijns levens, want U looft ook al de kracht der hemelen, en U komt toe de heerlijkheid in alle eeuwigheid."
Hoe diep moet het gaan? En met Manasse kwam het goed, maar dat is geen garantie voor de toekomst van anderen. Hoe buig je iemands visie op God om? Hoe kan eindelijk het kwartje vallen bij iemand die God voor dood heeft verklaard, omdat de HEERE er het zwijgen toe lijkt te doen in zijn of haar leven? Hoe…? Ik weet het niet, maar leg het maar voortdurend in het gebed bij de HEERE. Want ik weet wél dat God alles hoort en dat er bij Hem ook verhoring is. Daarom.
Of het wat zal uithalen? Een begrijpelijke vraag, maar ik denk geen juiste vraag. Het ingrijpen van de HEERE Zelf is nodig en daarom blijf ik volhardend bidden. Dat is mijn taak. En wie weet opent de HEERE nog eens een weg naar het hart van onze afhaker. Het is zomaar mogelijk bij Hem!
En… ook al wordt er gezegd dat God niets van Zich laat 'horen' wil dat nog niet zeggen dat God niets zegt. De tekst van vandaag vertelt dat God wel degelijk sprak, maar… het waren ongelegen woorden. Zou daar misschien toch de crux zitten?

woensdag 1 juni 2016

Voor de vorm of van ganser harte?

Izébel, de moeder van Athalia,
en de overgrootmoeder van Joas,
uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Natuurlijk weet ik dat niet altijd precies is aan te wijzen waar het mis ging in de levens van afhakers. Er is een deel factoren dat met de ouders te maken heeft; daartegenover is een deel factoren toch echt aan het kind en zijn of haar keuzes te wijten; maar er zijn ook factoren die onvoorzien en onverwijtbaar zijn maar helaas toch een desastreuze rol hebben gespeeld in mensenlevens. Het gaat er ook niet om dat we in alle gevallen de boosdoener kunnen aanwijzen; daar schiet niemand iets mee op. Maar soms kunnen we wel lessen trekken uit geschiedenissen.

Afhaken hoeft niet altijd het gevolg te zijn van catastrofale fouten in de opvoeding. Soms kunnen het ook goed bedoelde manieren van opvoeden zijn, die blijkbaar op de een of andere manier toch niet hebben gewerkt. Een voorbeeld hiervan is de kleine Joas, die op een gegeven moment al zijn 'godzaligheid' en 'reformerende activiteiten' overboord gooit. Hij is al op gevorderde leeftijd, dus de puberteit ver voorbij! Als je kijkt hoe zorgvuldig hij is verzorgd, omringd door liefde en trouw aan de God van het Verbond, dan vraag je je af hoe het dan tóch mis kon gaan. Toen ik voor de Tienerclub een bijbelstudie maakte over zijn leven, ontdekte ik een paar dingen, die ik graag wil delen.

"En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN,
al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees."

2 Koningen 12 : 2

De terreur van oma

Een tijd geleden schreef ik een serie over Elia en Achab. Ik heb daar wat dingen gezegd over de rol van Izébel; zij had – zo wordt dat weleens gezegd – de broek aan. Achab was ook niet mals, maar het lijkt er toch sterk op dat Izébel de scepter zwaaide. Ik realiseerde me dat in die tijd nog niet zo, maar daarnet las ik dat Achab vele vrouwen had. En inderdaad, hij had 70 zonen (om van zijn dochters, waaronder Athalia) maar de zwijgen. Die komen natuurlijk niet enkel uit Izébel voort. En toch had zij te midden van al die vrouwen, het heft in handen.
Toen Jehu de macht greep, roeide hij het hele 'koninklijke zaad' uit; Izébel en alle prinsen moesten eraan geloven. Izébels dochter Athalia, die met Joram van Juda was getrouwd, kreeg de dood van al haar (half)broers te verwerken. Wat dat precies uitwerkte vertelt de Bijbel ons niet, maar als ik haar in 2 Koningen 11, nadat haar zoon Ahazia ook door Jehu is vermoord, op een walgelijk morbide manier te werk zie gaan, dan heeft zij op de een of andere manier de 'kunst' van Jehu afgekeken. Haar zoon, haar moeder en al haar (half)broers werden op 1 dag door hem vermoord. Een bom van wraak moet zijn gebarsten in haar innerlijk. Maar tegen wie richt die haat zich? Tegen Jehu, die zijn boekje te buiten ging, ondanks dat hij voor een deel het oordeel van de HEERE over het huis van Achab uitvoerde? Nee, tegen nota bene haar eigen kinderen en kleinkinderen (beter gezegd: alle nazaten van haar overleden man Joram)! Beetje lastig die identieke namen, want haar broer heette ook Joram en was koning van Israël, nadat Achab overleden was.
Alle prinsen (en mogelijk ook prinsessen) worden door de soldaten van Juda vermoord, in opdracht van de 'Kings-mom' Athalia. Hoe is het mogelijk dat zij opeens zoveel macht en invloed had en dat al die soldaten haar gehoorzaamden? Ze pakt de macht, maar dat kan een vrouw niet zonder charisma; al helemaal niet van achter de zijlijn… immers, haar zoon was al enige tijd koning geweest en zijn vrouw, Zibja van Ber-séba, zou een veel logischer figuur zijn geweest om op de troon te gaan zitten. Het is heel goed mogelijk dat zij als een van de eerste is vermoord (hoewel Ahazia ook wel meer vrouwen zal hebben gehad, vrees ik).
Te midden van dat bloedbad zien we één vrouw resoluut in actie komen. Het is de zus van Athalia: Joseba. Zij moet al op leeftijd zijn geweest. Wat zij precies aan het hof uitvoerde weet ik niet, want de geestelijkheid en de politiek waren soms merkwaardig met elkaar verweven en dongen allebei naar macht en aanzien. Jozeba's man, Jojada, was hogepriester. Een functie die op eenzelfde hoogte stond als die van de koning. Jozeba pakt in het tumult een klein prinsje weg: Joas. Waarom hem? Was ze zijn oppasster? Of was ze wellicht verbonden aan Zibja en haar huishouding? Geen idee, maar met Joas trekt ze ook de voedster van het prinsje met zich mee en rent in één run naar de tempel, het domein van haar man.

De warmte van het pleeggezin

De volgende zeven jaren van Joas' leven zijn spannend. Hij wordt samen met zijn voedster verborgen in een van de kamertjes bij de tempel. Het is bijzonder dat Jojada hem daar al die tijd zo heeft kunnen verstoppen. Immers zo'n jochie zal toch ook wel eens herrie maken en wegrennen voor zijn bemoeierige voedster? En die oude vrouw die zich 'moeder' noemt, Joseba, zal hem vast wel eens moeilijk in bedwang hebben kunnen houden, lijkt me. Pleegkinderen maken vaak moeilijke perioden door als zij zich gaan realiseren dat de ouders niet de biologische ouders zijn. Toen ik dit verhaal voor het eerst hoorde op de lagere school, stelde ik me een voorbeeldig, rustig en braaf ventje voor. Maar door de jaren heen (zeker kijkend naar het verloop van zijn leven) ben ik dat beeld wat gaan bijstellen.
Joas heeft in het gezin van de hogepriester Jojada zeker een goede tijd gehad. Maar het moet hem ook wel zijn opgevallen dat Jojada al tegen de 100 jaar was, toen hij Joas aan het volk voorstelde. Een oude pleegvader dus; en zijn pleegmoeder zal niet heel veel jonger zijn geweest.
De kinderen van Jojada en Jozeba (of Josabath, zoals ze ook wel wordt genoemd) zullen ook al op leeftijd zijn geweest; zij waren in de directe omgeving van hun vader en Joas moet min of meer met hen zijn opgegroeid. Hij zal ook vast wel gemerkt hebben dat Jojada zich tegenover zijn eigen (oudere) zoons iets anders gedroeg dan tegenover Joas, lijkt me. Hoe jong hij ook nog was.
De kleine Joas vormde min of meer het centrum in het oude gezin van de hogepriester. Heel zorgvuldig heeft hij Joas opgevoed, hem wegwijs gemaakt in de wetten van Mozes, ja in het hele Woord van God. Hij heeft hem de vreze des HEEREN bijgebracht; althans, proberen bij te brengen.

Het staan op eigen benen

De invloed van Jojada gaat door nadat hij Joas tot koning heeft laten uitroepen. De moorddadige Athalia wordt uit de weg geruimd. Jojada maakt met de elite-garde van het hof een verbond, alsmede met de voornaamsten van het volk. En zo krijgt hij het hele volk achter zich. Uit alles blijkt dat de geestelijke macht in die tijd even machtig en invloedrijk was als de koninklijke macht; zo niet invloedrijker. Joas zit op de troon, maar Jojada is eigenlijk degene die aan de touwtjes trekt. En of dat zo handig is, betwijfel ik steeds meer.
Jojada neemt twee vrouwen voor Joas. Ik vraag me in alle ernst af: waarom twee? Was dat om de macht van één koningin te breken of te verdelen? Of was dat om Joas van hoererij te weerhouden? Of was dat om zeker te zijn van koninklijk zaad: kroonprins en prinsen?
De tempel wordt gezuiverd en gerestaureerd. Dit lijkt de eerste echte reformerende daad van Joas te zijn, maar het is de vraag of dit niet vooral het prestigeproject van Jojada was.
Alles lijkt goed te gaan en Joas wordt steeds meer zichtbaar als een koning die vast wil houden aan de wetten en inzettingen van de HEERE. Maar als Jojada op 130-jarige leeftijd overlijdt gaat het mis. Dan komen er mensen praten met de koning en hij laat zich overhalen. Hij ziet blijkbaar voordelen om die mensen te matsen, of… uiteindelijk komt openbaar dat zijn hart niet recht was voor de HEERE. Net zoals later over zijn zoon Amazia staat geschreven: "En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart."
"Wat kan het schelen?", zal Joas hebben gedacht. Maar dat wordt snel anders, als een zoon van Jojada, Zacharias, zijn pleegbroer komt vermanen. Er staat:
"Zo verlieten zij het huis des HEEREN, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.
Doch Hij zond profeten onder hen, om hen tot den HEERE te doen wederkeren; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet.
En de Geest Gods toog Zacharia aan, den zoon van Jojada, den priester, die boven het volk stond, en hij zeide tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.
En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod des konings, in het voorhof van het huis des HEEREN.
Zo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: De HEERE zal het zien en zoeken!"
(2 Kronieken 24 : 18-22)
Als later Hazaël (denk aan hem in het rijtje Jehu-Hazaël-Elisa) tegen Jeruzalem optrekt schroomt Joas niet om de heilige dingen uit het Huis van God te gebruiken als afkoopsom aan deze heidense koning. Het heilige zegt hem allemaal niks meer, zoals je zoon of dochter zijn of haar bijbels op Marktplaats kan zetten om er de financiën weer mee op orde te brengen. Hoe is het mogelijk!
Waarom zegt de HEERE in Zijn Woord er zo uitdrukkelijk bij 'zolang de priester Jojada leefde'? Zou het niet daarom zijn dat Joas alleen maar voor de vorm godsdienstigheid betrachtte, maar zijn hart was er niet bij? Jojada had heel lang zijn leven ingekleurd en vormgegeven. Echter, nu hij op eigen benen staat (en hij is dan zeker al 40 jaar) weet hij eigenlijk niet wat hij zelf wil. Zijn hart kon geen godzalige keuzes maken, en het begon hem hoe langer hoe meer te irriteren. Er was economisch veel meer voordeel te halen uit de afgodendienst. De HEERE rekende echter anders en Zacharia's woorden werden waarheid. Het is opmerkelijk dat de naam van Joas – samen met nog twee koningen – door Mattheüs niet worden genoemd in de stamboom van Jezus. Erger nog… het is te vrezen dat hij niet eens in het Boek des Levens voorkomt. Wat triest, als je zó hebt misgerekend en je komt daar te laat achter. Dan was je opvoeding tevergeefs – maar dat is nog maar een kleine schadepost – en ook je hele leven was tevergeefs. Doelmisser… ellendig… verloren. Joas leeft niet meer; voor hem is het te laat. Jojada werd nog bij de koningen begraven, vanwege zijn goede daden; Joas werd een etage lager begraven. Maar wat zegt een graf? Laat het zover niet komen, maar laten afhakers onze intense zorg hebben! Omwille van hun hart; nu het nog kán!