dinsdag 23 mei 2017

Terug naar Gods beloften

"Toen keerde Abraham weder tot zijn jongens,
en zij maakten zich op en zij gingen tezamen naar Berséba;
en Abraham woonde te Berséba."
Genesis 22 : 19

De Abrahams-put bij Berséba


Je zou dit vers zomaar kunnen overslaan. Je zou dan ook zomaar over de dubbele attendering op de geografische locatie kunnen heenlezen. Zomaar tweemaal 'Berséba' in 1 tekst… waarom? Toen ik een artikel over Berséba las, werd mijn aandacht er des te meer door getrokken. Hier staat meer dan je op het eerste gezicht leest!

De feitelijke weergave is: Abraham sjokte de berg weer af (over Izak wordt helemaal gezwegen, lijkt het wel!), voegde zich weer bij zijn knechten, beklom zijn rijdier en gezamenlijk reden ze terug naar huis. Het klinkt haast als de aftiteling van een film, nog even een afsluitende opmerking en dan is het verhaal klaar. Maar… er is meer aan de hand. Hier wordt alvast een stip op een volgende horizon gezet en… er wordt ook wat in herinnering gebracht!

Terugkeer

Het eerste dat me opviel was: waarom wordt Izak niet genoemd? Abraham is de actieve persoon; híj keert terug bij zijn knechten, onderaan de berg. Hoe lang zullen ze weggeweest zijn? Hoe lang hebben ze daar boven op de berg (of op het tussenplateau in het gebergte) doorgebracht? Een uur? Een ochtend of middag? Een halve dag? Dagen? Ik weet het eerlijk gezegd niet; de tijd is me ontschoten, toen ik in het verhaal werd meegenomen.
Maar hoe lang ze ook boven zijn geweest, ze moesten weer terug, Abraham zowel als Izak. Als liepen ze de Berg der Verheerlijking af, terug de rauwe werkelijkheid in. God was zó dichtbij! De geloofsbeleving was zó intens. Het was zó goed om daar te zijn met de HEERE. Maar ze moeten weer terug! Terug naar de knechten is ook terug naar het dagelijks werk. Met nog een lange reis voor de boeg. Maar… niet alles is weer gewoon zoals het was. Er is nogal wat gebeurd en dat moet merkbaar zijn geweest, lijkt me.
Ik vraag me dan toch af: hoe zal Izak terug zijn gekomen? Toen hij de knechten weer in de ogen keek, zal hij onbewogen op zijn rijdier zijn gaan zitten? Of hebben ze de ervaring van daarstraks gedeeld met de knechten? Dat kan toch haast niet anders?
Misschien wel een les voor ons: hoe komen wij uit de kerk? Dicht bij God geweest, misschien wel in de tweede of derde hemel opgetrokken; een intens verlangen naar de HEERE doorkliefde je hart… maar is het dan: "Koffie?" of wordt dit ook gedeeld?

Terugreis

De terugreis wordt aanvaard. Hoe anders zal die reis zijn geweest! Met een brok lood in zijn maag is Abraham begonnen aan de heenreis, maar met een heliumballon in zijn hart springt hij nu op zijn ezel. Misschien zal hij wel een lied hebben ingezet, dat ze allen kenden. Een gezongen gebed om Jaweh te loven en de danken. Abraham, Izak en ook die knechten droegen het verbondsteken van Jaweh aan hun lichamen. Ze waren in Gods verbond opgenomen; dus God was geen onbekende voor hen!
Abraham zal hebben verlangd naar huis, naar Sarah. Hoewel… dat is nog maar de vraag. Hij zal haar toch hebben moeten vertellen wat ze zijn wezen doen. Het komt mij voor dat Abraham vooraf niets heeft gezegd tegen zijn vrouw. Als hij dat wel zou hebben gedaan, zou ze pal voor hem zijn gaan staan. Al eerder pakte ze hem aan, toen hij niet wilde ingrijpen in de situatie rond Hagar en Ismaël. Haar kind laten slachten? Was Abraham zijn verstand kwijt? Er zijn geschriften die vertellen dat er door deze geschiedenis een afstand kwam tussen Sarah en Abraham. Ik weet het niet; het staat niet in de Bijbel. In ieder geval wordt in dit vers duidelijk dat ze terugreizen naar… Berséba. בְּאֵר שֶׁ֫בַע Eigenlijk: Beersheba, dat je uitspreekt als 'beehr sjeeh-vhaah'. Het eerste stukje van deze naam 'beehr' betekent 'put' of 'bron'; het tweede deel 'sjeeh-vhaah' betekent 'eed' of 'het zweren'; het is de plek die voor Abraham en Izak een diepe betekenis had: 'de put van de eed'. Hoe zat dat?


Terugblik

We kennen de kwestie tussen Abraham en Abimelech, de koning van Gerar (het land van de latere Filistijnen). Abraham had zich kwalijk gedragen jegens hem, maar na die geschiedenis ontstaat er ruzie over een put die Abraham had gegraven, maar die de knechten van Abimelech wilden inpikken. Toen werd er door Abimelech gezworen dat die put Abraham toebehoorde. De eed legde alle tegenspreken het zwijgen op. De put was het tastbare bewijs: het is écht zo!
Met die geschiedenis eindigde Genesis 21 dus. En we lezen dat Abraham er een bos plantte waar hij de naam van God aanriep; denk aan dankoffer en aanbidding. En voor dat je nu denkt: die put was dus toch een bezit voor Abraham: nee, want er staat aan het einde dat hij er woonde als vreemdeling. Dus geen veiligstellen van de beloofde zaken, maar een leven uit de belofte: geloven dus!
Daar begon 'onze geschiedenis' in Genesis 22, die we de afgelopen tijd hebben overdacht. Vanaf Berséba vertrok Abraham naar Moria en nu keert hij er weer naar terug. Maar wie nu denk dat dat een feitelijke mededeling is, vergist zich.
God beloofde ook iets daar boven op de berg. God zwoer ook een eed, bij Zichzelf, weet je nog? En nu moet Abraham weer terug naar die 'put van de eed', een perfecte stilteplek om Gods beloften te overdenken en er werkzaam mee te zijn. Want God had zegen beloofd aan Abraham, aan zijn nageslacht én aan de volken. Dat is geen pakketje dat je zo even weglegt in de kast! Gods beloften zijn er om er alvast, met eerbied, 'voorpret' mee te hebben en uit te zien naar de vervulling ervan. Dus beloften zijn er om actief mee bezig te zijn in het gebed, door heel je leven heen. Vooruitblikken krijgt een diepere dimensie, wanneer je kunt terugblikken op Gods beloften aangaande die toekomst.

'Put van de eed'… zou je het doopvont niet ook zo kunnen noemen? En wordt er op Golgotha niet een 'put der belofte' geopend waarin het pak van je zonden voorgoed verdwijnt? Is dat niet de essentie van het Heilig Avondmaal? En zijn er niet veel meer plaatsen en momenten in je leven, waar God in Zijn Woord bevestigde en bevestigt wat Hij beloofd heeft. Het verlangen naar de vervulling wordt door God op een meesterlijke manier 'gaande gehouden'. "Wanneer komt die dag…" Die dag, die was beloofd; die belofte van die dag, waarop je mag terugblikken; zodat de blik weer helder wordt en de toekomst scherp wordt afgetekend:


Ooit komt er een dag dat de hemel openbreekt
en de doden zullen opstaan.
Ooit komt er een dag dag dat U terug komt op een wolk
en dat U kijkt met ogen, stralend als de zon.

Ooit zal het zo zijn dat we leven in een stad,
waar geen pijn en geen verdriet is.
Ooit zal het zo zijn als we komen in die stad,
dat de vader onze tranen wist.

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Ooit zal het zo zijn dat we leven in een stad,
waar geen pijn en geen verdriet is.
Ooit zal het zo zijn als we komen in die stad,
dat de vader onze tranen wist.

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Ik verlang zo naar die dag dat ik neerkniel aan uw voeten
en ik u mag herkennen aan uw stem
als we samen hand in hand het hemels paradijs betreden,
zal ik eeuwig mogen zijn waar u bent

Refrein:
Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk

Tot aan die dag wil ik weten wie U bent
Wil ik leven dicht bij U en mij geven in aanbidding.
Tot aan die dag wil ik horen wat U zegt
en Uw woorden tot mij nemen als een kostbaar geschenk
Tot aan die dag

Tot aan die dag wil ik weten wie u bent...

maandag 22 mei 2017

Gezegend in de Ander

"… uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde…"
Genesis 22 : 17b-18a



Geloven kan niet buiten de Heere Jezus om. Dat is waar. Maar onze dagtekst vertelt nog iets anders. Er wordt namelijk een directe lijn getrokken naar Abraham. Er blijft, na ontvangen genade, ook een band met Abrahams nazaten. Dat vergeten wij westerse Christenen maar al te gemakkelijk!

Daarom wil ik nog eenmaal bij deze tekst stilstaan; bij de twee 'zaden' die in de tekst worden genoemd. Het geeft mij een stuk meer vertrouwen als reformatorische predikanten iets laten merken van hun verbondenheid met Israël. Als ze Joodse geschriften citeren in de preken, als ze lijnen vanuit de Thora durven trekken naar ons leven in de 21e eeuw. Meer nog dan wanneer deze predikanten er de Puriteinen bijhalen. Ook goed, maar te snel worden dat 'buitenlandse refo's' in hun dogmatische uiteenzettingen. Begrijp me goed: de Puriteinen hebben ons vandaag nog steeds veel te zeggen. Maar… de banden met onze 'oudste broeder' mogen nooit vervangen worden door een visie die stelt dat de kerk in plaats van Israël is gekomen.

Zaad - enkelvoud

Toch begin ik met het Zaad (enkelvoud): Jezus Christus. Wie is Jezus? Daarover kwam ik een schokkend betoog tegen, dat een dwaling aan de kaak stelt als zou Jezus het kind van Maria en de Heilige Geest zijn zonder voor-bestaan in de eeuwigheid! Je zou zeggen: zo wil men Jezus losmaken van Gods Zoon en dat loopt nooit goed af!
Hoewel God hier in de tekst tegen Abraham doelt op zijn zaad, zijn kinderen en verder nageslacht, gaat die lijn toch in zeker zin mank. In dat zaad zouden wij 'heidenen' dus gezegend worden. Ik snap die link wel, want het is aan (het ongeloof van) het Joodse volk te 'danken' dat het Evangelie tot ons kwam. Wij – na bekering en geloof (of andersom) – zijn ingelijfd en genieten dezelfde zegeningen en beloften. Toch… toch blijft de status van Israël een aparte. Gods specifieke beloften, juist in de eindtijd bewerkstelligd, zullen Israël bijzonder in beeld brengen en juist in dat in onze ogen halsstarrig ongelovige volk zal God bijzonder verheerlijkt gaan worden.
Maar omdat die vergelijking toch in zekere zin mank gaat, doelt de HEERE in onze tekst op de grote Jood Die komen zal: Messiah Yahshua. In Hem gaat volmaakt in vervulling: "In uw Zaad zullen gezegend worden álle volken der aarde!" Geen Jood en geen deeltje van het volk Israël zal bron en oorzaak kunnen zijn van dat 'gezegend worden'. Dat ligt zelfs buiten het Joodse volk, in de Messias Jezus. En door Hem gaat ook dat eerste deel in vervulling: "…uw zaad/Zaad zal de poort zijner/Zijner vijanden erfelijk bezitten". Immers, Jezus kwam ten hemel af en overwon de dood, het graf en de hel; wat heet 'poort Zijner vijanden'?! Het machtsterritorium van satan is aangetast en staat op instorten. Nog een kleine tijd!
En straks zullen de heidenen uit de volken met Abraham (!), Izak en Jacob aanzitten aan de bruiloft van het Lam. En … zij zullen als koningen heersen, over dat machtsgebied van hun vijanden. God zal álles zijn (alomvattend en allesbeheersend) én in allen! Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.


Zaad - meervoud

Toch mogen we om de hiervoor genoemde exegese het Joodse volk niet aan de kant schuiven als 'afgedaan'. Nog minder mogen wij haar elimineren met onze vervangingstheologie. Zeker, zolang zij de Heere Jezus niet voluit zien en belijden als de Zoon van God, het Lam dat de zonde der wereld wegnam, liggen ze buiten het heil en zijn ze ons niet tot zegen. Maar God gaat dat veranderen! Let maar op!
Laten we daarom niet te zeer kijken naar het totale volk, maar naar die gouden lijn vanuit Abraham. Want door het geloof heeft Abraham dieper gezien. Waar het ook misging, niet bij hem; en waar het bij hem ook misging, niet op het punt van de Messias! En die gouden lijn van Messias-belijders zijn wel degelijk tot zegen. Immers, Jezus was Eén van hen! Hij werd mens, Hij werd Jood (en geen germaan of romein)! Hij koos het volk van Zijn Vader uit, omdat daar de woonplaats van Zijn Vader was, in de tempel, te midden van de offers die naar Hem verwezen. Tronend óp de lofzangen Israëls.
Des te indringender en aangrijpender is het feit dat zij zo dichtbij Jezus stonden, zo dicht bij de dienst aan Zijn Vader en toch voor een groot deel vreemden bleven. Hij kwam tot het Zijne (in eerste instantie tot Zijn volk Israël), maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
Echter, voordat we ons zouden vrij-redeneren: hoe zit dat met ons refo's? Als Hij – tweemaal per zondag en soms ook nog doordeweeks in de diensten of op de Bijbelkringen – tot ons komt, herkennen wij Hem dan wel en nemen wij Hem dan wel aan? Of ligt op onze gezindten ook een deksel dat ons gelijkstelt aan het verblinde Joodse volk?
Hen wacht nog een bijzondere belofte, dat zij eens zullen 'zien', maar die belofte geldt niet voor de heidenen. Geen geruststelling dat het allemaal ooit wel goed komt. Nee! Geen zegen, als we niet nu en heden buigen en aanbidden. Niets om je achter te verschuilen. Dan zal het heil – zoals het ooit vanuit Israël naar de heidenen kwam – eenmaal van de heidenen teruggaan naar de Joden. Dan zal geheel Israël zalig worden (hoe je dat ook moet interpreteren). Dan zal God laten zien wat Zijn plan was en waar Hij al die eeuwen naartoe werkte!
Maar weet, dat, als je dát zult zien gebeuren, het te laat is. Dan gaat God naar de totale finale toe werken en zal Hij intens in Zijn volk worden verheerlijkt. Er zal niets anders overblijven dan ademloze verwondering over Zijn wijsheid, macht en majesteit.
Dus blijft de vraag fier rechtovereind staan: behoor jij tot dat zaad (meervoud) vanwege het Zaad (enkelvoud)? Dan ben je met recht gezegend in die Ander!

Wees gezegend en wees een zegen

"Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt."
Genesis 22 : 17-18 



Je grenzen stellen, dat is vandaag de dag belangrijk. Dan weet je allemaal waar je aan toe bent. Duidelijkheid scheppen. De Rijdende Rechter heeft er de handen vol aan en meer dan eens moet het kadaster tot op de millimeter nauwkeurig bepalen waar de erfgrens van iemands perceel loopt. Maar wat nu als je ruimte te kort komt? In het normale leven moet je kopen of onderhandelen. Aan Abraham wordt al perceelvergroting gegarandeerd, nog voor hij 1 korrel zand bezit. Hij zal een goed geolied familiebedrijf runnen met talloze nazaten. Maar… bijna had hij geen kind meer gehad. Opgeofferd aan God, de Almachtige.

Het is juist vanwege die offervaardigheid, dat de HEERE Abraham toespreekt en zegen belooft. Toch betreden we hier een spanningsveld. Dit klinkt namelijk als een verdienmodel! God gehoorzamen levert rendement op. Dat correspondeert niet met het reformatorisch dwangmatige dat het toch vooral onverdiend, verbeurd (verklaard?), moet zijn. Geen verdienste van onze kant… hoe zit dat toch?

Verdiend door gehoorzaamheid?

Dat oer-roomse maar evengoed oer-menselijke en na-paradijselijke verlangen om iets te verdienen! Genegenheid, goodwill, adoratie, aanbidding van mensen, liefst zo hooggeplaatst mogelijk. Want wees eerlijk: het streelt je ego meer, wanneer de koning voor je buigt dan wanneer een bedelaar voor je buigt. Dat zullen de meeste mensen niet zo zeggen, maar dat zit diepweg in elk mensenbrein ingebakken sinds Genesis 3. Noem het de random-software van satan. Het is in ons brein geïmplementeerd en op willekeurige, onbewaakte ogenblikken zet het zichzelf in werking. En voor je de gedachte kunt hebben "nou dan kun je dus niks aan doen": we vinden het nog prettig ook!
Iemand vroeg me onlangs wat het 'schatten verzamelen in de hemel' inhield. De vraag was ontstaan tijdens een gesprek op een bijbelkring, waar iemand had gezegd dat er niveau's, trappen van verhoging, in de hemel zijn, zoals er ook trappen van vernedering zijn in de hel. In die laatste plaats zal de wroeging bij een wilde heiden anders zijn dan bij een moedwillig onbekeerde refo die Jezus een te gemakkelijke weg vond. In de hemel is er ook zo iets, maar dan de andere kant op. Er zijn teksten die daar aanleiding voor geven, maar ik denk dat we er niet te zeer over moeten nadenken. En we moeten er al helemaal geen verdienmodel in proberen te ontdekken!
Echter, in onze tekst staat het er dan toch maar, onomwonden: "…Ik zal u grotelijks zegenen… naardien (omdat) gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt"! Daar kon je als oud-testamentisch verbondskind dan ook zeker van zijn: God gehoorzamen betekende Zijn zegen ontvangen. Dat zijn we in de nieuw-testamentische tijd wat kwijt geraakt. Sterker nog: het is in een verdacht licht gesteld door met name ultra-calvinisten. Het wordt structureel weggezet als remonstrants. Christus heeft alles verdiend! Jij en ik verdienen niks dan de dood en verdoemenis. Maar is dat wel Bijbels?
Hoe zit het dan met de Tien Geboden? Met dat gebod bijvoorbeeld van het eren van je ouders (en overheden): "Eert… opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft"? Een soort voort wat, hoort wat, lijkt het wel. Maar wie zo tegen de HEERE en Zijn dienst aankijkt, zit blijkbaar ook met zijn onbekeerde gezicht in de kerk, om een 'pluspunt' af te vinken, in de zin van: zo die kunnen we ook weer afstrepen voor de eeuwigheid. Dat is nou precies de oudste zoon uit de gelijkenis: ik heb altijd gediend… en ik heb nog nooit iets gehad! Dienen om loon. Een arbeider kan zo in elkaar steken, maar een kind zal in een rechte relatie tot zijn vader of moeder niet zo reageren. En in het geestelijke al helemaal niet! Dan is het je lust en je leven – in navolging van de Heere Jezus – om je Vader blij te maken met je daden. Dan heb je het ook niet meer zo druk over 'stukwerk' en dat al je goede werken maar vuil en verwerpelijk zijn voor God. Dat soort dingen zeg je enkel, als iemand beweert iets te kunnen verdienen. Maar als je daar al van overtuigd bent, stimuleer je de ander om goede werken voort te brengen. Omdat je weet dat de HEERE er blij van wordt!

Verdiend voor generaties?

En dan dat andere aspect: dat jij iets 'verdient' (of laten we het 'bewerkstelligt' noemen) en dat dat effect heeft op de generaties na jou. De moderne mens wil zijn eigen boontjes graag doppen en spreekt niet graag in verdiensten voor anderen. Daarom heeft hij ook zo'n moeite met het offer van Jezus Christus. Maar Gods kinderen kunnen het er prima mee doen. Wat een diepe dankbaarheid dat Hij wilde gaan waar zij niet konden komen; dat Hij wilde komen waar zij niet konden weggaan.
Nog even terug naar dat gebod 'eert uw vader en uw moeder'. Daar wordt gesproken over de zegen van een lang leven in het land dat God schenkt. Dat gold natuurlijk letterlijk voor het volk van Israël, die het Beloofde Land uit Gods hand kregen. Maar je kunt dat ook prima doorvertalen naar 'het land waar God jou heeft gezet'. Een lang leven… niet om enkel te genieten van veel jaren, maar een lang leven om te besteden in Zijn dienst. En voor dat je het gevaar loopt egoïstisch met dat 'bezit' om te gaan, plaatst de HEERE het in een breder perspectief. Tegen Abraham zegt Hij: "Dit land zal ruim genoeg zijn voor al jouw nazaten, geslachten lang; ze zullen zo talrijk zijn als de zandkorrels van het strand; en mochten ze ruimte te kort komen, dan geef Ik ze macht over het grondgebied van hun vijanden." Abraham werd dus niet alleen persoonlijk gezegend, maar ook zijn nageslacht deelde in deze zegen. Hoe belangrijk was het dus dat dat nageslacht de HEERE ook leerde kennen; de achtergrond van hun zegen te begrijpen en God er om te loven en te danken. Zie je dat zegen niet op zichzelf staat? Zegen is de 'tool' waarmee je aan het werk kunt in Gods wijngaard. Het helpt je om anderen te laten delen in jouw zegen; en zo te doen ervaren dat de HEERE goed is!
Ga je ook zo om met jouw zegeningen? En rust jij ook jouw nageslacht – als je dat hebt – toe om tot zegen te zijn?
Dat eerste stukje van vers 18 heeft natuurlijk nog een duidelijke diepere laag gekregen door de komst van de HEERE Jezus. Daarover gaat het de volgende keer. Voor nu is het belangrijk om zelf tot zegen te zijn en anderen toe te rusten eveneens tot zegen te zijn. Zo wordt Gods Koninkrijk gebouwd, zo wordt de gemeente waartoe je behoort tot zegen en zo worden mensen uit de omgeving getrokken uit het duister van de 'vangodvervreemding'.

maandag 8 mei 2017

Briefje uit de hemel

"Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel en zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE…"
Genesis 22 : 15-16a
 
Persoonlijk vind ik de regenboog altijd weer een indrukwekkende brief uit de hemel!

maandag 24 april 2017

Gods voorzienigheid

"En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien. Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden."
Genesis 22 : 14
Gods voorzieningheid richt zich niet alleen op onze probleemsituaties, maar op alle details van ons leven; en al helemaal niet enkel op de situaties waarin menselijke hulp ons ontbreekt!

Er is een verschil in 'voorzien in' of 'voorzien van' en 'de voorzienigheid'. Juist Gods voorzienigheid en de uitverkiezing waren voor mij onderwerp van doordenking afgelopen week. Enerzijds vanwege de geschiedenis van de strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten, die ik onderzocht. Anderzijds omdat dit onderwerp ter sprake kwam omdat iemand beweerde zeker te weten 'niet te zijn uitverkoren'. Hoe zit dat? Is de uitverkiezing een sluitend te krijgen systeem? Of blijft er altijd een hiaat in ons denken bestaan, vanwege het spanningsveld dat God erin legt?

Maar laten we eerst kijken naar het 'voorzien' waar Abraham het over heeft. Er is zelfs een spreekwoord uit ontstaan, zo lezen we. En let erop: het woord 'zien' dat in voorzien zit, speelt een cruciale rol. De Kanttekeningen zetten ons op dat denkspoor.

Gods gezicht

Deze bijzondere plek in zijn leven markeert Abraham met een 'naamgeving'. Staande op de offerplaats ergens op de berg Moria (wellicht het plateau waarop later de tempel van Jeruzalem zal verrijzen) roept hij de nieuwe naam van deze plek uit: "De HEERE zal het voorzien". Hoe zal dat geklonken hebben? Dat werd tegelijk in het geheugen van Izak gegrift. De HEERE adviseerde na het voorlezen van de Tien Geboden dat Zijn inzettingen in het hart van de kinderen van het volk moesten worden gegrift. Inkerven gaat met inspanning en betrokkenheid gepaard. Dat maakt indruk… dat is ook al zo'n uitdrukking.
Die naam 'הַה֖וּא יְהוָ֣ה יִרְאֶ֑ה' 'De HEERE zal het voorzien" komt niet helemaal uit de lucht vallen. Abraham neemt een fragment uit de naam van de berg en geeft daar een nieuwe betekenis aan: 'מֹּרִיָּ֑ה' Mo-ri-ah. het woordje 'ri' heeft dezelfde wortel als 'zien' of 'voorzien'. Moriah betekende 'het gezicht van God'. Je zou kunnen denken dat Abraham dat wel een mooi ezelsbruggetje vond; maar ik denk dat het een diepe belijdenis was. Al eerder, toen Izak naar dat lam vroeg, sprak Abraham daarvan. Vielen toen misschien de stukjes op hun plek? God leidde hen naar deze berg, die genoemd was naar dat wat geen mens ooit zou zien: Gods aangezicht. Jezus zou ons Gods aangezicht pas echt laten zien, op Golgotha! Abraham moet hebben gedacht: waarom leidt de HEERE me juist hierheen? In die naam heeft hij niet de afstand tot God, maar juist de nabijheid van God herkend en ervaren: alleen 'aan Gods hart' is een nóg intiemere plek dan 'voor Gods aangezicht'. Maar let er ook op dat Abraham een opdracht van God had gekregen: "Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht." Hier wordt hij met het liefste dat hij had voor Gods aangezicht gebracht en het had alles te maken met de kwestie of Abraham nog wel oprecht voor God was of niet.

Gods voorzieningheid

Even naar dat spreekwoord dat zijn oorsprong hier vind: "Op de berg des HEEREN zal het voorzien worden." Het heeft, aldus de Kanttekeningen, de betekenis van 'als iemand in uiterste nood geen menselijke uitkomst (redding) meer ziet, zich verlaat (vertrouwt op) Gods voorzienigheid'. Wat is dat, Gods voorzienigheid? Dat brengt ons bij Zondag 10 van de Catechismus:
Vraag 27
Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28
Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?
Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Een machtige belijdenis die altijd weer indruk maakt; vaak gelezen op 'Biddag voor Gewas en Arbeid'. Hooggestemd en in de praktijk van het leven soms wel eens heel erg hoog; maar waar! In die zin vind ik de Kanttekeningen toch niet in balans. Zij spreken over iemand die in nood zich op Gods voorzienigheid laat 'vallen', nadat hij geen hoop meer heeft dat menselijke hulp uitkomst kan geven. Maar Zondag 10 zet ons erbij stil dat elk facet van ons leven door God wordt bestuurd en verzorgd. Is er nood, dan zie ik eerst op Hem en daarna op de hulp die Hij middelijkerwijs voor mij beschikt. Die weg van 'afbraak van menselijke uitkomst' is Abraham ook gegaan en hield niets meer over, toen hij boven op Moriah aankwam.

Een God Die zo machtig is, dat Hij elk facet van mijn leven regeert en bestuurt moet wel het goede met mij voor hebben. Zijn verkiezing is er eentje van pure genade, zonder enige reden of verdienste van mijn kant. Ik zou althans niet een ding kunnen opnoemen, waarom God Zich om mij zou moeten bekommeren. En toch doet Hij dat. Welke andere god doet Hem dat na? Welk mens steekt zo in elkaar? Omringd te zijn door Zijn voorzienigheid is een veilig leven, gericht op Zijn eeuwige en onkwetsbare nabijheid. Eeuwig voor Zijn aangezicht en eeuwig oprecht voor Hem! Zie jij ook daarnaar uit?

maandag 17 april 2017

Plaatsvervangende schaamte

"Toen hief Abraham zijn ogen op en zag om; en zie, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging en nam dien ram en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats."
Genesis 22 : 13



We spreken van 'plaatsvervangende schaamte' wanneer iemand anders zich zou moeten schamen, maar het niet doet. Wij generen ons dan voor zijn of haar gedrag en blozen soms zelfs. Wij schamen ons dan, in plaats van die betreffende persoon. Misschien nog wel het meest omdat die ander blijkbaar niet inziet dat híj of zíj zich had moeten schamen voor wat er gebeurde. Wat een merkwaardige reactie heeft de Schepper in ons innerlijk ingebouwd.

Eigenlijk kun je spreken na de zondeval van 'plaatsvervangende schaamte' bij God de Zoon, bij Jezus Christus, of, zoals Hij Zich in ons tekstgedeelte openbaart, de Engel des HEEREN. Wij mensen zondigden tegen God en braken met Hem in het Paradijs. En het lijkt wel alsof wij ons helemaal niet bewust zijn van de ernst van ons misdrijf! God de Zoon toonde zulk een diepe plaatsvervangende schaamte naar Zijn Vader toe, dat Hij ons de ogen opende met Zijn offer. En juist dit offer wordt al een beetje geschetst in deze geschiedenis. Wat kunnen we ervan ontdekken in dit vers?

De doornenkroon

Door de roep van de engel staakte Abraham zijn offeractiviteit. Of het de schrik is, of wellicht het gevoel van ongeloof "hoor ik het nou goed?", hij draait zich in ieder geval om, om te zien wie er achter hem staat. Waarschijnlijk werd, nog voor hij de engel zag, zijn blik getrokken naar iets dat aan het woelen was in het struikgewas. Gesnuif, gekraak en geschuur… een ram! De Kanttekeningen wijzen erop dat Abraham bijna direct begreep wat de bedoeling was. Ik kan me voorstellen dat hij het dier geknuffeld heeft… het was immers zijn ongedachte reddingsmiddel voor Izak!
Wat opvalt is de gedetailleerde beschrijving van de toestand, waarin hij de ram vond. Een ram, met zijn horens verstrikt in het struikgewas. Als je gaat kijken wat die woorden betekenen, dan kun je 'verwarde struiken' vrij vertalen met 'gevlochten takken' en 'hoornen' kun je ook vertalen met 'stralen' of 'stralenkrans' die zich rond het hoofd van een heilige bevinden. Als het ware doemt het beeld van Jezus op, de Heilige met de gevlochten takken met doorns op Zijn hoofd. Zou hierin een heenwijzing naar die bewuste doornenkroon zitten? Opmerkelijk is het in ieder geval dat de details zo aan ons worden vermeld.

De plaatsvervanging

Ook is het wonderlijk, hoe die ram door de struiken werd klemgezet. Het heeft iets 'onvrijwilligs'. Ook deze ram was geen afdoend offer. Wel voor het moment, maar niet volkomen. God had toch net zo goed die ram kalm wachtend naast het altaar kunnen zetten? Die struiken, verwarde struiken, hebben daarom wel wat meer te zeggen, vermoed ik.
Maar… het allermeest springt in het oog dat deze ram voor dit moment plaatsvervangend is voor Izak. Ik lees in deze momenten niets over schaamte bij Abraham. Ook niets van deemoed of ootmoed. Eigenlijk lezen we alleen iets van Gods gedachten over Abrahams offer. Alles in ogenschouw nemend, zou je toch wel net zoveel schaamte verwachten, als Petrus toonde daar aan de Zee van Tiberias: "HEERE, Gij weet alle dingen… Gij weet dat ik U liefheb." Abraham zwijgt echter en handelt.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik, kijkend naar deze scene, plaatsvervangende schaamte ervaar. Als ik daar had moeten staan, zou ik het wel zover gehaald hebben, helemaal tot bovenop die berg? En als ik er had gestaan, vanwege welke schadepost tussen God en mijn ziel zou het dan geweest zijn, waarom Hij dit offer van mij zou vragen? En zou Zijn oordeel over mijn offer ook zo onomwonden positief hebben geklonken? Er doemt het beeld van tegengestelde plaatsvervangende schaamte op. Ik kan niet in de schaduw van Abraham staan.
Maar … die ram kan niet in de schaduw van het Lam staan. Het Lam dat nu zit aan 's Vaders rechterhand en tegelijk staat als geslacht. Het Lam regeert en zal Zijn almacht tonen. Daar was deze stoere, sterk gekruld gehoornde ram maar een kreupel paaslammetje bij. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood zou moeten ondergaan. Dat ik dat zo vaak zo onbewogen kan reciteren! Ik moet mij toch wel schamen, niet? Heb jij dat ook?

vrijdag 14 april 2017

Gods kinderbescherming

"Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen en doe hem niets; want nu weet Ik, dat gij godvrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden."
Genesis 22 : 12



Aan de rechterkant van kerkelijk Nederland wil men beweren dat de mens enkel geneigd is God en zijn/haar naaste te haten. Dat clichée mist zijn effect als men dat vertaalt met boze haat, in plaats van wat het eigenlijk is: God niet op de eerste plaats in je leven te zetten. Dus het is belangrijk dat we duidelijk taal in de kerk spreken anders mist de boodschap compleet zijn doel!

Haten is in onze tijd een té geladen en verkeerd te interpreteren begrip geworden. Als ik iemand haat, omdat hij een verwoestend, destructief gedrag vertoont in een gemeenschap of gezin, of denigrerend en kwetsend naar anderen is op onrechtmatige gronden, dan is mijn liefde compleet geluwd, zo niet uitgeblust. Met alle gevolgen van dien. Uit haat – denk aan geradicaliseerde haat – komt psychische of fysieke doodslag voort. Maar de haat waar ik het hier over wil hebben is het God niet Zijn plek in je leven gunnen, omdat je zelf dan aan de kant moet gaan. Dat is wat er hier speelde. Let maar op.

Abrahams kinderbescherming

God laat Zijn Zoon de naam van Abraham noemen. En Abraham is de persoon die per direct met alle zintuigen in zijn bestaan oplet. "Doe Izak geen kwaad met je offermes! Nu weet ik dat je Mij vreest." Huh? Abraham vreesde God toch wel? Hij werd zelfs een vriend van God genoemd; wie kan dat zeggen? Hij praatte veel met God en God vertelde soms zelfs wat Hij ging doen (denk aan de verwoesting van Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en bijna ook Zoar!). Met wie overlegt God nog meer zulk soort dingen? Nou, Mozes misschien en David… maar dan houdt het toch wel zo'n beetje op. En toch moet dit 'offer' het bewijs voor God worden dat Abraham godvrezend is? Dat woord staat bij ons als één geheel vertaald 'godvrezend', maar dat ziet er erg aards uit. Het moet eigenlijk zijn 'God vrezend'. Vrezen kán 'angst hebben voor' betekenen, maar hier heeft het de betekenis van 'eerbiedigen' of 'vereren'. Voor Abraham stond Izak boven God, zo blijkt tussen de regels door. Misschien als we het Abraham zouden hebben gevraagd, zou hij het niet hebben toegegeven. "Nee, natuurlijk niet. De HEERE is mijn deel, de belangrijkste in mijn leven. Wat zou ik zonder Hem moeten en kunnen?
Maar… Abraham had al een aantal keren laten zien (in Egypte en in Gerar bijvoorbeeld) dat hij niet helemaal blind op de HEERE vertrouwde en zijn eigen ratio toch een tikkeltje serieuzer nam dan Gods vaderlijke zorg voor hem. Daarmee nam hij ook de zorg voor de kwetsbare Izak (immers, Izak was de enige; juist dat woordje typeert zo de angstige kwetsbaarheid die Abraham ervaart als hij naar zijn zoon kijkt) buitenproportionele vormen aan. Maar nog meer gold dat voor de zorg die Abraham had voor zijn eigen leven. Als uit hem de Messias zou moeten worden geboren, dan moest hij ervoor zorgen dat hijzelf in leven bleef. Desnoods offerde hij Saraï op, maar niet zichzelf! Want dan kwam Gods plan in het gevaar.
En daarom stuurde de HEERE aan om Izak aan de totale kwetsbaarheid bloot te stellen, door Abraham bescherming uit te schakelen. Sterker nog: hij zou de doodsoorzaak voor Izak worden. Waar bleef die krampachtige hang naar zorgen nu? Abrahams kinderbescherming (in het licht van de komende Messias) leed schipbreuk en op een radicale manier ook!

Gods kinderbescherming

Hoe moet dat nu? Bijna keelde het mes zijn dierbare jongen, zijn lieveling. Maar… was Abraham dan de enige die van Izak hield? Of moest Izak ook leren meer verwachting te hebben van zijn hemelse Vader?
De woorden die de Engel des HEEREN gebruikt hebben een dubbele lading: "Doe hem niets". Hier openbaart God, zo lezen we in de Kanttekeningen, God Zijn plan. Hij wil iets leren over menselijke zorg en Goddelijke zorg. En Hij wil iets aan ons, eeuwen later, leren over wat er in Abrahams hart leefde. De HEERE stelt Abraham hier tegelijk dus tot een voorbeeld om na te volgen; niet om onze kinderen op te offeren, maar aan Hem toe te vertrouwen. En dat geldt voor allen die ons lief en dierbaar zijn. Ook als ze andere wegen gaan!
Het eerste is dat Abraham zijn zoon niet letterlijk gevaar moet berokkenen, door hem het mes op de keel te zetten. Maar psychisch en geestelijk berokkende hij zijn zoon ook kwaad, door hem boven God te stellen (hem meer zorg toe te vertrouwen dan God Zelf). Hier naderen we het scherpst van de snede, het spanningsveld tussen verantwoordelijkheid en vertrouwen dat in elke opvoeding weer een punt van zorg is.
God prijst Abraham in dit vers, dat hij duidelijk heeft laten zien (aan allen die de geschiedenis eens zullen horen en lezen) dat God op nummer 1 staat. De Kanttekening leggen een link met Psalm 139 en dat is een mooie lijn! Vers 23 van die psalm zingt: "Beproef mij en ken mijn gedachten." Ze me openlijk op de proef, zodat eruit komt wat erin zit: toewijding of niet. En vers 2 van die psalm belijdt: "Gij verstaat (begrijpt en ook ként) mijn gedachten van verre". Ja God weet het wel, maar als we door ons gedrag naar de mensen om ons heen vragen hebben opgeroepen, dan moet het openbaar worden onderstreept. "God weet wel hoe we dat bedoelen," zei eens iemand. Misschien, maar weten de omstanders, met name de ongelovige omstander dat dan ook? Of krijgen ze door ons wazige gedrag een merkwaardig verwrongen beeld van God? Dan wil de HEERE toch graag openlijke helderheid.

In die zin hoeven we niet bang te zijn, want Gods bescherming van Zijn kinderen is totaal en waterdicht. Daar kun je zeker van zijn. Misschien kost het je 'gezicht', maar nooit je ziel! Kijk maar, God neemt het direct voor Izak op en neemt hem in Zijn hoede. Er is werk aan de winkel voor Izak, die dit moment zijn leven lang niet zal hebben vergeten, maar… misschien toch wel even dit moment vergat, toen hij Ezau wilde zegenen vóór Jacob. En? Ontbrak het Jacob uiteindelijk aan bescherming? Lees dat prachtige gebed van Jacob in Genesis 32 : 9-13 maar eens, waarin hij zegt: "Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!" Wat een vaderlijke zorg van de HEERE! Hem loopt niets uit de hand.

En hoe ingrijpend is deze tekst op een dag als vandaag (Goede Vrijdag) te gedenken dat God Zijn Zoon niet in bescherming nam, maar Hem overgaf in de dood. Om Abraham, Izak en ons te kunnen beschermen tot in eeuwigheid! Hij deed Hém al dat kwaad dat wij deden, om ons te zaligen en te beschermen tegen alle kwaad. Izak kun je misschien als een slachtoffer zien, maar Jezus niet. Luister hoe de Mattheüs Passion het bezingt:
Aus Liebe will mein Heiland sterben,
Von einer Sünde weiß er nichts.
Daß das ewige Verderben
Und die Strafe des Gerichts
Nicht auf meiner Seele bliebe.