dinsdag 3 mei 2016

Ezau's ethische ontwikkeling

Farao, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis;
in dit geval Thutmoses III, vader van de
vermoedelijke farao (Amenhotep II) die
tijdens de Exodus regeerde en verdronk
Op ethisch en sexueel gebied kunnen kinderen sterk worden gevormd en beïnvloed door hun ouders. Om enkele voorbeelden te noemen: de uitspattingen van David en Bathséba hebben hun sporen getrokken in de levens van diverse van Davids kinderen. De slappe houding van Eli verergerde de goddeloosheid van Hofni en Pinéhas. De voortrekkerij van Jacob jegens Jozef stimuleerde de jaloezie en goddeloosheid bij zijn andere zonen. De voortdurende verdachtmaking van Jezus door de farizeeën maakte dat een heel volk kon roepen: "Kruist Hem!"
We hebben al even iets gezegd over opa Abraham die God een handje wou helpen met de realisatie van Diens belofte van een zoon. Daar is Ismaël de dupe van geworden. Deze jongen heeft tijdens zijn leven moeten ervaren dat hij er eigenlijk niet behoorde te zijn. Zo sterk heeft God dat niet geaccentueerd, want Hij gaf Ismaël grote zegeningen en beloften voor zijn toekomst. Maar niettemin was zijn moeder zwanger gemaakt en was hij op een oneigenlijke wijze, zeg maar liefdeloos, verwekt. Als jaren later Izaäk wordt geboren ervaart Ismaël heel duidelijk dat hij een tweederangs kind is geworden. Zijn vader zal dat niet zo hebben laten merken, maar dat móet iets met die jongen hebben gedaan. Hij zocht een leven waarin hij voor zichzelf wilde opkomen. "Ik heb niemand nodig… Ik red mezelf wel!"
Zowel bij Abraham als bij Izaäk gebeurde nóg iets raars: beiden hebben op een gegeven moment ontkend dat hun vrouw hun vrouw was! Welk effect had dat op zoon Izaäk en (klein)zoon Ezau?

"Als nu Ezau veertig jaren oud was,
nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet,
en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes."

Genesis 26 : 34-35

"Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend,
en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen;
en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende:
Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;
en dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was,
en naar Paddan-aram getrokken was;
en dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen,
Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth."
Genesis 28 : 6-9

Ontrouw 1 en 2

Honger is een kwade rode draad door de geschiedenissen van Abraham, Izaäk en Jacob. Als Abraham enige tijd in het beloofde land woont, weliswaar als vreemdeling, breekt er honger uit. En geloof me, dat is een enorme aanvechting voor hem geweest. Waar is nu Gods belofte? Abraham kiest voor de vlucht; dat kon ook gemakkelijk, want hij was een nomade die voor zijn vee mals gras en water zocht. Die noodzaak gaf hem een reizend bestaan. Al zoekend leek hij af te zakken naar Egypte; maar als ik goed lees in de Bijbel dan lijkt hij toch heel bewust voor Egypte te hebben gekozen. Eerst is hij inderdaad op zoek naar voedsel (Genesis 12 : 9) "gaande en trekkende naar het zuiden." Maar later maakt hij een welbewuste keuze voor Egypte: "En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land."
Of dat goed of slecht was laat ik even in het midden. Maar er gebeurt iets merkwaardigs: "En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was."
Saraï wordt opgenomen in het harem van de Farao met alle gevaren van dien. Daarom wordt ook zo heel duidelijk in de Bijbel onderstreept dat uit die relatie GEEN kind is voortgekomen.
Nadat Farao erachter is gekomen – door plagen van God – dat Sara niet alleen de halfzuster van Abraham is, maar ook zijn huwelijksverbondspartner, weet hij niet hoe deemoedig hij die grote en vreselijke God moet tevreden stellen. Hij geeft enorm veel geschenken aan Abraham en zendt hem weg. En – zo vertelt het apocriefe Boek des Oprechten – farao gaf zijn dochter Hagar als dienstmeisje aan Saraï. Dat liep met een sisser af, zou je denken.
De eerste barst ontstaat reeds in het volgende hoofdstuk, Genesis 13, wanneer de herders van Lot en van Abraham ruzie krijgen. Daar wordt met geen woord over gerept, maar zou het niet zo kunnen zijn dat Lot zich is gaan schamen voor deze ongeloofsdaad van zijn oom? Er staat met dikke woorden "Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud." Ja, hoe komt Abraham aan zoveel rijkdom? Is dat een beloning op zonde? Lot moet dat niet hebben gesnapt. Direct daarop ontstaat dan ook ruzie tussen Lot en Abraham en ze gaan uiteen.
Maar wie schetst onze verbazing als Abraham in Genesis 20 – nota bene na de verbondsvernieuwing en de belofte dat Sara een kind zal krijgen (!) – opnieuw in dezelfde fout valt. Hij heeft een tijd bij de eikenbossen van Mamré gewoond maar trekt verder richting Gerar in het land van de latere Filistijnen. De koning daar (die Abimelech als aanspreektitel heeft, zoals farao de aanspreektitel van de koning van Egypte is) laat zijn oog op de inmiddels 89-jarige Saraï vallen. En hij vindt haar 'schoon'. Ze was op haar oude dag nog een knappe verschijning. Ook hij komt erachter dat Abraham liegt. Maar… in deze geschiedenis is Ismaël al geboren en besneden! Hij heeft dit als 12-jarige jongen meegemaakt. En plots had hij een heel ander beeld van zijn godvrezende en diepgelovige vader! Het mag voor Ismaël nooit een stok zijn om de hond te slaan, maar het heeft er zeker niet aan meegewerkt dat hij de HEERE oprecht ging dienen. En dat zal zijn moeder Hagar natuurlijk ook hebben onderstreept. Is dat nou de dienst aan de HEERE? De goden van Egypte waren wel anders!

Ontrouw 3

Al deze dingen zijn op zich buiten het blikveld van Izaäk gebeurd. Mogelijk heeft zijn broer Ismaël er wel iets over verteld toen ze wat herinneringen ophaalden bij de begrafenis van moeder Saraï (Genesis 23) of wellicht bij die van vader Abraham (Genesis 25).
In Genesis 26 breekt er opnieuw honger uit en maakt Izaäk dezelfde reis als zijn ouders: naar Gerar. "En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Alzo woonde Izak te Gerar."
Izaäk gaat niet voor niets naar Gerar; al weet ik niet precies waarom. Wellicht had het verbond van Abimelech met Abraham daar een bepaalde rol in. En ook in deze geschiedenis gaat de Abimelech van Gerar een verbond aan met Izaäk. Maar eerst verkoopt Izaäk dezelfde leugen als zijn vader: die vrouw is niet mijn vrouw, maar mijn zus. Izaäk loog nog sterker dan zijn vader. Zijn schoonvader was zijn neef en Rebekka was zijn achternichtje.

Naast deze leugen wijs ik op nog één detail: God zegt expliciet tegen Izaäk dat hij níet naar Egypte mag afdalen. Waarom? Het wordt nergens toegelicht. Was het vanwege het voorval van Abraham in Egypte? Ik geloof het niet. Want hij gaat hier wel naar Gerar, waar eenzelfde intrige had plaatsgevonden. Er zijn bronnen die zeggen dat Izaäk in het beloofde land moest blijven van God. Dáár moest zijn toekomst zijn. Men ziet in Hem de contouren van Christus Die in de hemel blijft na Zijn hemelvaart, en op afstand, door Zijn Geest, mensen toebrengt tot Zijn Koninkrijk. Het is mooi, maar waarom mocht Jacob later dan wél naar Egypte gaan? En zou er niet gewoon een praktische oorzaak voor dit verbod kunnen zijn? De oorzaak: Ismaël? Bedenk namelijk dat in deze geschiedenis Ezau en Jacob al zijn geboren en opgroeiende kinderen zijn. Ook zij zien hier gebeuren, wat Ismaël jaren geleden op deze zelfde plek heeft meegemaakt: vader doet alsof moeder niet bij hem hoort. Dit moet Jacob zijn bijgebleven; maar dit heeft ook Ezau sporen getrokken!

Ontrouw 4

Ezau zou eens laten zien dat hij dit soort praktijken er nooit op na zou houden. Hij is net als zijn vader 40 jaar als hij een vaste relatie met een vrouw begint. En ik denk dat ik weinig fantasie gebruik als ik stel dat er al wat losse escapades hebben plaatsgevonden met Ezau en de meisjes. Hij is niet alleen dierenjager maar, als ik mij niet vergis, ook een rokkenjager. En als pa Izaäk daar iets van vindt, dan kan hij ongezouten een verslag van 'Papa in Gerar' krijgen. Natuurlijk gebruikt Ezau hier een stok om de hond te slaan. Want Izaäk heeft in Gerar – in de affaire met al die waterputten en de ruzies eromheen – ook laten zien dat hij de minste kon zijn. Izaäk heeft in zijn leven echt wel laten zien wat de dienst aan de HEERE inhield. En welke vader is zonder zonde? Maar voor afhakers zijn dat geen vergoeilijkende omstandigheden!
Met het huwelijk dat Ezau sluit zet hij een definitieve stap buiten de traditie en het Verbond. Hij trouwt met een heidens meisje: Judith. En… hij treedt in de sporen van Kaïns nageslacht door ook nog een tweede vrouw te nemen: Basmath; hoewel… drukte hij de voetstappen misschien van zijn opa Abraham die naast Sara ook Hagar als vrouw nam? En als Izaäk het idee van Ezau probeerde af te raden, dan zou hij fors de waarheid te horen krijgen: "Kijk eens naar je eigen vader?!" "Ja maar, jongen, je bent besneden. De HEERE heeft recht op je hart en leven." "Daar heb ik niet om gevraagd. Laat mij met rust en geef me de ruimte. Ik zal niet doen alsof Judith en Basmath mijn vrouwen niet zijn. Ik verloochen ze niet! Ze zijn me lief en met hen is het leven ooit saai!" Die zit. Ja, de Kanaänieten kunnen er wat van op sexueel gebied. Sex was hun godsdienst. Wat wil je nog meer… Het lijkt wel alsof ze in de 21e eeuw leven!
Maar… als Jacob de boel bedriegt en nog een extra afscheidszegen krijgt van zijn vader (!), is de maat voor Ezau vol. Hij ziet dat zowel zijn moeder (maar daar had hij toch al nooit wat mee) als zijn vader al hun liefde aan Jacob besteden. Ze voorzien hem van goede adviezen om naar de familie in Paddan-aram te gaan en daar een vrouw te zoeken; vooral niet in Kanaän, net zoals Ezau! Niet handig, want Ezau heeft het gehoord. En hij irriteert zich mateloos aan die schijnheilige broer die 'gehoorzaam' doet wat zijn pappie en mammie zeggen. Jacob gaat netjes in het vrome spoor; ja ja; maar wel met allerlei leugens en slimmigheidjes. Ezau is erin geluisd!
Bruut draait hij zich om en gaat – wat Izaäk niet mocht doen – naar Ismaël. Hij neemt zijn twee vrouwen mee en wellicht zijn er ook al wat kinderen geboren, want waarschijnlijk is Ezau dan al 30 jaar getrouwd! Oom Ismaël ontfermt zich over zijn neef en zal het anti-godsdienstige vuur best hebben aangewakkerd. Tot overmaat van ramp trouwt Ezau met de oudste dochter van Ismaël, die toch ook al op jaren moet zijn geweest. Alleen maar om zijn ouders te stangen. Wat moet daarvan terecht komen?
Voor Rebekka (ik denk vooral dat het haar betreft; moeders zijn daar feller in) en Izaäk waren Ezaus twee eerste vrouwen al een drama: een bitterheid des geestes. Het hield hen wakker en legde een venijnige domper op het gezinsleven. Daaronder is Jacob ook nog 30 (!) gebukt gegaan. Dat kon dan ook best eens de reden zijn dat hij bij zichzelf heeft besloten dat Ezau dat eerstgeboorterecht echt niet meer verdiende; dat moest Jacob op de een of andere manier veiligstellen; anders zouden de bezittingen van vader en moeder zo naar de 'Filistijnen' gaan… En die belofte van de Messias al helemaal!
Maar voor Ezau was het ook zuur om constant te voelen dat zijn vrouwen niet welkom waren. Hij hield van ze en hij had ervoor gekozen. Ja, het was een keuze tegen God en hij kon weten en snappen dat zijn ouders er verdriet van hadden. Maar er wordt in de tekst niet gesproken over stil verdriet, maar over 'bitterheid des geestes'. Dat schuurt tegen haat. Ligt daarin misschien een les voor ouders in dergelijke situaties? Hoe moeilijk dat ook is, hoezeer je niet blij bent met de keuze van je zoon of dochter, laat haat de deur naar je hart niet dichtklappen. Houdt het voor mogelijk dat jouw liefde een brug kan zijn waarover Gods liefde een heidens hart kan bereiken. Hoe moeilijk die weg ook is. In die twee heidense schoondochters kregen Izaäk en Rebekka namelijk ook twee zielen met een eeuwige bestemming: twee schepselen Gods. Ben ik te gemakkelijk in dit oordeel? Ik weet dat dit heel, heel moeilijk kan zijn, maar het is de prijs waard om je hart open te houden voor deze voor jou onwelgevallige schoonkinderen. Gebed is nodig om niet je gevoel, maar je hart te laten spreken. Want de haat van zijn ouders jegens de twee meiden, is voor Ezau de druppel die de emmer doet overlopen: het ontrouwe verbondskind vertrekt en wordt zo onbereikbaar voor zijn ouders. Hoewel hij voor de volle 100% verantwoordelijk is voor zijn eigen daden!

maandag 2 mei 2016

Ezau's professionele ontwikkeling

Jacob, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Om de ontwikkeling van Ezau meer diepte te geven, zette we die af tegen die van Jacob, zijn tweelingbroer. Het was, zo zagen we al, een tweeling met een verschil van dag en nacht. Toch lopen we het gevaar van Jacob een moederskindje te maken en van Ezau een vaderskind. Voor je het weet vind je Jacob lief en heb je medelijden met deze jongen met zijn kwetsbaar zelfbeeld en zet je Ezau weg als een brute brulaap. En je denkt dat je het gelijk aan je kant hebt, want de HEERE zegt toch: "Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat"?
Als we verderop in de Bijbel kennismaken met de familie van moeder Rebekka, dan zullen we een even doortrapt karakter bij Laban zien als bij Jacob en een even dominant heerszuchtig ego als bij Ezau. Als we teruggraven in de levens van Izaäk en Abraham dan komen we evenzeer ruwheid en durf tegen (denk aan de strijd tegen Kedor-Laómer in Genesis 14) bij Abraham als bij Ezau, evenals een doortrapte en berekende handigheid (denk aan de affaire in Egypte en tweemaal bij Abimelech in Gerar; daarover in de volgende Bijbelstudie) bij Abraham en Izaäk als bij Jacob. Karakters laten zich niet altijd zo gemakkelijk in vakjes en lijntjes persen. Laten we daarom eens rustig wat dingen op een rijtje zetten, die van invloed zijn geweest op de professionele ontwikkeling van Ezau; we proberen in deze en de komende overdenking door zijn ogen naar de gebeurtenissen en ontwikkelingen te kijken.




"Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman;
maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten."

Genesis 25 : 27

Uiterlijk

In de vorige Bijbelstudie zagen we dat kinderen bij de besnijdenis officieel hun naam kregen. Ouders spraken dan iets uit van hun innerlijk jegens dit kind. Bij Jacob lijkt dat het 'beethouden van de hiel' te zijn geweest. Iets dat wij gauw associëren met hiellichten of hielenlikken, achterbaks. Het Meertensinstituut over de betekenis van de naam: "Hebreeuws ja'aqob, van onzekere betekenis, mogelijk 'hij zal beschermen', maar in verband met de geschiedenis van Jakob en Esau, de zonen van Isaak, volksetymologisch verklaard als 'hij greep de hiel, hij verdrong (zijn broer), bedrieger' (Genesis 25)."
Ezau daarentegen kreeg een naam vanwege zijn harigheid. Het hebreeuwse woord schijnt 'volledig behaard' te betekenen. Velen denken dat zijn naam doelt op zijn rossige haarkleur. Nu zal hij niet zo rood zijn geweest als de typische engelse roodharigen. Maar toch was hij beduidend meer kastanjekleuriger dan zijn zwartharige broer en stamgenoten. Echter de link met 'rood' vindt pas later plaats, wanneer zijn naam in Edom wordt veranderd (of die naam als bijnaam bij zijn naam wordt gevoegd). Niettemin was hij bij zijn geboorte rossig.
Zijn aanvankelijke aaibaarheid veranderde gaandeweg zijn puberteit in stekeligheid, ruwheid en ruigheid met een ontembare expansiedrang. Hij moest ruimte hebben en niemand die hem op de vingers keek; al helemaal niet iemand (of Iemand) boven zich. Als je de broers naast elkaar zag, zou je niet zeggen dat het een tweeling was. Duidelijk geen eeneïge tweeling. Dat wil overigens niet zeggen dat Jacob geen borsthaar of baardgroei had!

Beroepskeuze

Als Ezau in de nomadennederzetting van zijn vader Izaäk opgroeit, wordt gaandeweg duidelijk dat hij niet in de voetsporen van zijn vader zal treden. Hij ontwikkelt zich als een 'veldman'. Dat moet Izaäk pijn hebben gedaan. Nu had je wellicht toch verwacht dat Izaäk zich zou gaan hechten aan Jacob, die 'in tenten woonde' en 'oprecht' was, wat zoveel betekent als een transparant en zeker ook Godvrezend man, die het rondtrekkende nomadenbestaan was toegedaan, maar die, geestelijk gezien pelgrim, vreemdeling en bijwoner was. Dit was een zoon, zoals je die als vader zou hebben gewenst, nietwaar? Hij gaat helemaal in jouw voetsporen en … hij heeft al jong de HEERE lief. Maar het lijkt erop dat Izaäk continue zocht naar het contact met Ezau.

In het boek 'Jozef en zijn broers' van Thomas Mann (2015) vond ik het volgende geromantiseerde citaat:"Van jou, Jakew, hield de vrouw (Rebekka), vader (Izaäk) hield van mij. Hij at graag van het wild dat ik meebracht, zo was het. 'Ruige,' zei hij dan, 'eersteling, het smaakt me wat jij hebt geschoten en op het opgerakelde vuur voor mij hebt gebraden. Ja, het smaakt me, roodhuid, dank voor de moeite! Jij blijft toch altijd mijn eersteling, en ik zal aan je denken.' Zo en niet anders sprak hij wel honderd en duizend maal. Maar de vrouw hield van jou en zij zei tegen jou: 'Jakewje, mijn uitverkorene!' In moederliefde lig je zachter dan in vaderliefde…" Merkwaardige slotzin.



Ezau maakt zich nuttig als jager, maar… hij was nogal veel weg; met alle gevaren van dien! Met sterke verhalen stelde hij zijn ongeruste ouders tevreden. Een paar dagen binnen het kamp hield hij nog wel uit, maar dan moest hij weer weg. Vrijheid, ruimte, boslucht, wild, gevaar, spanning, het lot tarten. In die weg ontwikkelde hij ook kennis. Het staat nergens, maar hij moet mensen om zich heen hebben gehad. Wellicht ging hij met een paar knechten de wildernis in. Goed mogelijk ook dat hij andere stammen opzocht, om technieken te leren en uit te wisselen. En bij dat alles stonden Izaäk en Rebekka aan de zijlijn. Zij hadden weinig verstand van die dingen; ze zagen hun zoon bezig op terreinen die zij meden; hij kwam in contact met mensen die niet van de clan van Abraham waren. Opeens snapten ze vader Abraham ook beter, toen die specifiek een vrouw voor zijn zoon Izaäk liet zoeken bij de eigen familie in Syrië. Je weet maar niet wat je binnenhaalt aan 'genen' en 'ideologieën'. Ezau wuifde het weg; hij wilde avontuur en vooral veel ruimte. Geen pottenkijkers; hij wilde zijn eigen leven opbouwen, niet in dat bekrompen milieu van thuis. Hij zou het wel redden. Laat mij mijn gang maar gaan!

Specialisatie

In dat vrije leven kwam hij er ook achter, dat de kraan niet vanzelf loopt. Er moest worden gegeten, wilde hij blijven leven. Zijn sterke lichaam was wel wat ontbering gewend, maar na verloop van tijd liet het lichaam wel van zich 'horen': honger! Het jagen was dan ook een specialisme van deze 'veldman', dat allereerst op zijn eigen onderhoud was gericht. En zo af en toe nam hij ervan mee en liet er zijn vader van meeproeven.
Dat jagen komt van een hebreeuws woord dat de betekenis heeft van 'met graagte jacht maken op' of 'voorraad meenemen'. Er zit die gejaagdheid in van 'hamsteren', 'hebben, hebben, hebben' en 'pakken wat je pakken kunt, want morgen is het misschien op'. Hoeveel mannen kennen iets van die oerdrift om je zinnen op iets te zetten, want je wilt het koste wat kost hebben. Misschien is het te duur. Dan probeer je het op een goedkopere manier te krijgen en anders neem je de prijs op de koop toe. "Ik moet en zal die auto hebben…" Hebzucht is de mannelijke vorm van jaloezie. En zeg eens… loopt Ezau daar uiteindelijk nu echt wel zover bij Jacob vandaan? Er is alleen één verschil: Ezau is een kortetermijn-denker. En dat zie je bij meer verbondskinderen die afhaken. "Later zien we wel weer." Of… "Geloof? Dat zit tussen je oren." Maar wat nu als Gods tóch bestaat? "Vraag liever: wat nu als God toch niet blijkt te bestaan? Dan heb je al die tijd bekrompen geleefd… voor niets!"
Nog één ingrijpend moment illustreert dit verschil tussen Jacob en Ezau, de inhalige twins! Als in Genesis 33 de tweeling weer oog-in-oog met elkaar staat en Jacob de toorn van zijn broer handig probeert af te kopen met een grote gift, vraagt Ezau: "Wat is dit allemaal? Voor wie is dit allemaal bestemd?" Jacob maakt duidelijk dat het voor Ezau is. "Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt! Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt. Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam…"
Ezau pocht: "Ik heb veel"… Jacob belijdt, zij het tussen de regels door: "Ik heb alles!" Hij heeft God! Ezau is een heel ander leven gewend en heeft nooit geleerd zich in de ander te verplaatsen. Hij trok altijd zijn eigen spoor. Zijn geste om broer Jacob als bodyguard te begeleiden lijkt sympathiek, maar is een teken van gebrek aan invoelingsvermogen. Hij is niet in staat met zijn ruigheid en bruutheid af te dalen tot 'het zwakkere'. Hij haalt er ten diepste zijn neus voor op. Het is allemaal alleen maar 'lastig' en 'vermoeiend'.

zaterdag 30 april 2016

Jouw naam en Gods naam verbonden

Ismaël, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis

Waarom laat je je kind dopen? Wat is jouw motivatie daarbij? God heeft een stellige motivatie bij de Heilige Doop. Het is een bedenksel van Zijn genadige zondaarsliefde. Laat dat maar eens duizelen in je hart. Maar… wat beweegt jou als vader of moeder, om je kind te laten dopen? Het is goed om dat helder te hebben. Ik ga geen verhandeling houden over de doop, maar ik leg die motivatie van ons 21e eeuwers naast die van vader Abraham, toen hij zichzelf en zijn dertienjarige zoon Ismaël liet besnijden. En trek de lijn ook door naar zijn kleinzoons Jacob en… Ezau!

Het moment van de eerste besnijdenis wijkt wat af van alle navolgende besnijdenissen. Er werden bijna alleen volwassenen en 13-plussers besneden. Merkwaardig trouwens dat God het moment uitkoos, waarop Ismaël 13 was en naar de geldende norm verantwoordelijk voor zijn daden. De latere joodse jongens werden dan 'bar mitswa'. Toen Izaäk werd besneden kreeg hij zijn naam; hetzelfde geldt voor Jacob en Ezau. Dat was een moment waarop de ouders ook emotioneel iets van hun innerlijk deelden jegens dit 8 dagen oude kind!


"En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed;
daarom noemden zij zijn naam Ezau.
En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield;
daarom noemde men zijn naam Jakob."
Genesis 25 : 25-26a

De opdracht aan opa Abraham

Toen God in Genesis 17 Zijn verbond met Abram bevestigde en dat van het teken en zegel van de Besnijdenis vergezelde, gaf Hij Abram en Saraï een nieuwe naam. Hij veranderde hun namen respectievelijk in AbraHam en SaraH. Hij voegde er Zijn eigen letter H aan toe. Letterlijk verbond Hij Zijn naam aan die van deze twee mensenkinderen.
Inmiddels was Ismaël 13 jaar en groeide op in een godsdienstig, maar gistend gezin. Dat kwam omdat Abraham 'eigen wegen' had bewandeld en God een handje wilde helpen. Hij bracht daarmee Hagar in problemen (gaf haar een slecht beeld van God en maakte haar blij met een 'dode mus', waar het Gods belofte van de Messias betrof!). Maar hij was ook schuldig aan het bestaan van een jongen, Ismaël, die een fout beeld van de dienst aan de HEERE kreeg. Ik snap het zo, dat Abraham gaat pleiten bij God, voor zijn eerstgeborene Ismaël. En… de HEERE laat Zich verbidden.
De besnijdenis wordt een bevel! Geen discussiepunt over de vraag of je volwassenen zou moeten besnijden of jonge kinderen. Geen discussiepunt over de vraag of je er wel geestelijk aan toe bent en of jij als niet-wedergeboren ouder nu wel of niet mag laten besnijden (lees bij dit alles ook de Heilige Doop!). God geeft een bevel. En wie niet besneden is hoort niet meer bij de 'club'. Die jongen of man moet worden uitgestoten. Heftig, nietwaar? God neemt het Verbond bloedserieus.

De belofte aan oom Ismaël

Met in mijn achterhoofd Ezau, zoom ik hier in op Ismaël, omdat deze oom best veel overeenkomsten vertoont met zijn neefje Ezau. Hoe stellig de HEERE ook aangeeft dat Hij Zijn speciale belofte aan Izak voorbehoudt (let erop dat hier al Izaks naam wordt genoemd!), Hij belooft de spottende Ismaël een forse zegen en voorspoed.
Maar eerst stap ik één hoofdstuk terug. Want toen ontmoette de HEERE Hagar en vertelde haar dat ze een zoon met de naam Ismaël zou baren. "En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen." Hagar geeft God een naam (hij wordt persoonlijk concreet voor haar!!!): 'Lachai-roi', dat is 'Gij, God des aanziens'. In de kanttekening wordt duidelijk gemaakt dat Hager met de naam van de put haar eigen naam met die van God vermengde (belangrijk element van een verbond).
Het gaat mij vooral om wat de engel over Ismaël zegt: 'een mens die lijkt op een wilde ezel'. Een bepaald ruw persoon, zo niet een olifant in een porceleinkast. Een ruziezoeker met iedereen en iedereen heeft ruzie met hem. En toch… toch zal hij 'wonen' recht tegenover zijn broeders. Hij zal ze uitdagen, tarten zelfs, maar men zal hem niet kunnen wegvagen. Eenzelfde belofte zal ook over Izaäk worden uitgesproken, zodat iets gaat oplichten van het eeuwigdurend conflict tussen de Joden en de Arabieren. Ga daar als westerling maar nooit tussenzitten. Echter, als we Genesis 25 lezen zien we dat hij ook tegenover andere 'broederen' woont: "tegenover Egypte", het land waar zijn moeder prinses was, aldus een apocrief boek.
Een hoofdstuk verder dus, maakt de HEERE zijn zegen aangaande Ismaël concreter: "En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen." Dankzij de voorbede van zijn vader zal de HEERE Ismaël zegenen, vermenigvuldigen en 12 vorsten geven, net als de 12 stammen van Israël! Hij zal eveneens tot een groot volk zijn. Maar… ja, het is niet anders godezijdank: ook deze meerdere zal de mindere dienen. De vraag is: wil Ismaël dat? Hoe zal hij hiermee omgaan? Nou, het woord is allereerst aan God: "En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. En hij woonde in de woestijn Paran." Hij laat zien dat Hij verder wil met Ismaël. En Ismaël laat de band met Abraham niet helemaal los, want als Abraham overlijdt is Ismaël erbij bij de begrafenis, samen met Izaäk. Gezamenlijk geven ze hun vader de laatste eer. Maar daarna…?
Het is opmerkelijk dat we na de zegening van Jacob door Izaäk, Ezau verbolgen het kampement van zijn ouders zien verlaten. Waar gaat hij heen? We lezen in Genesis 28:9: "Zo ging Ezau tot Ismaël"! Die twee zullen elkaar helaas goed hebben verstaan, denk je niet?

De zegen aan vader Izaäk

"Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal." Dat zijn de woorden van God aan Abraham. Het was duidelijk dat de HEERE met Izaäk een speciale weg ging. De weg die Hij met Abraham was begonnen… de weg die Hij met Eva en Adam reeds was begonnen: het Vrouwenzaad moest geboren worden! En daarom zouden in die lijn bij uitstek alle geslachten der aarde worden gezegend. Kijk nog één keer naar Ismaël, als voorbeeld hierbij. Als er een feestje wordt gegeven voor Izaäk, wanneer hij gespeend is, lezen we in Genesis 21 dat hij het spotten al geleerd heeft. En dat steekt Sara. Abraham brengt dit probleem bij God en deze antwoordt: "Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is."
Als Izaäk wordt besneden, krijgt ook hij een naam. Een naam die God hem al had gegeven: Izak. Yitschaq betekent 'hij lacht'. Sara uit een stuk ongeloof, Abraham met tranen van dankbaarheid in zijn ogen. Zou Sara het aan Izak hebben uitgelegd, waar zijn naam vandaan kwam? Dat moet me een gesprek zijn geweest! Ik kan me voorstellen dat Izaäk een moederskindje is geworden.
Hoewel, zijn vader is ook een groot voorbeeld van geloofsstandvastigheid geweest! Wat dacht je?! Als Abraham de opdracht krijgt om zijn zoon te offeren, lijkt de weg ten ene male dood te lopen. Maar door de onmogelijkheden heen gebruikt God hem als type van Christus. "God zal Zich een Lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon!" En zo geschiedde. En Izaäk mocht Diens verre voorvader zijn, een drager van de belofte. Een belofte met Toekomst!

vrijdag 29 april 2016

Vaders trots en moeders angst

Izaäk, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis
Zou het zo kunnen zijn dat ouders juist met die kinderen een mysterieuze band hebben, die het meest van hen verschillen? Je komt natuurlijk plenty moeders tegen die hun dochter precies willen laten zijn zoals zij. Ze zijn nog tieners, als hun moeder eigenlijk niet meer is dan een gelijkwaardige vriendin. Vaders vallen vaak in de valkuil dat hun zoons alleen maar stoere dingen moeten doen. Jongens moeten echte jongen-jongens zijn en meisjes het liefst meisje-meisjes. Maar dat is niet echt een ouder-kind- relatie. Dat is voldoen aan de norm die anderen gesteld hebben. Soms tot frustratie en schade voor het kind!

Van mijn vader mocht ik bepaald speelgoed kopen, dat hij als kind nooit had gehad. Hij kon daarvan genieten en achteraf denk ik weleens, dat hij in mij zichzelf zag spelen. Er zijn ouders die hun kinderen stimuleren in bepaalde wegen die zij zelf nooit hebben kunnen bewandelen. Denk aan opleiding of hobby of reizen. Je moet uitkijken dat de kinderen niet in jouw ideaalbeeld worden geperst, maar ik kan het snappen. Dat hoeft nog niet verkeerd te gaan. Maar… als ik naar Izaäks jeugd en ontwikkeling kijk, vraag ik me in alle ernst af: wát trok hem aan in Ezau? Als Rebekka nu het meest met Ezau zou hebben gehad, had ik dat logisch gevonden, na wat we gisteren ontdekten. Maar juist Izaäk trekt naar Ezau toe en Rebekka lijkt haast een afstand tot hem te bewaren.


"En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond;
maar Rebekka had Jakob lief."
Genesis 25 : 28

Liefde tussen ouders en kinderen

Izaäk en Rebekka hadden hun kinderen lief. Dat is fijn om te lezen. Als dat er niet zou zijn, dan groeiden de kinderen kil en zakelijk op. Dan zou hun geweten niet goed zijn gevormd en hun gevoelsleven verkrampt, zo niet ontwricht zijn geworden. Dan hadden ze niet naar behoren kunnen communiceren, al helemaal niet op het non-verbale vlak.
Maar… er is iets merkwaardigs aan deze liefde. Het woordje 'maar' klinkt haast onheilspellend. Izaäk laat zijn gevoel spreken en neigt naar Ezau; een reactie van de kant van Rebekka volgt direct: "maar Rebekka had Jakob lief." Ik gebruikte het woorden 'neigen', maar ik weet niet of dat wel een juist woord is. Het sust een beetje het onterechte. Het camoufleert het onheuse. Het stigmatiseert haast. Je moet als ouders nooit duidelijk je voorkeur voor een van je kinderen laten merken. Al zal ongetwijfeld bij discussies en confrontaties een en ander duidelijk kunnen worden. Investeer er dan in dat de suggestie van voorkeur zal worden weggenomen!
We moeten bij deze geschiedenis goed in de gaten hebben dat Izaäk en Rebekka niet in één tent woonden. Ze deelden het bed, maar niet elke nacht. Ze hadden elk hun afgebakende leven. We lezen in het laatste vers van het vorige hoofdstuk: "En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood." Rebekka is een en al troost voor Izaäk. Hij is de handelende hier en het lijkt alsof de liefde alleen van hem uitgaat richting Rebekka (en niet andersom); maar ik weet zeker dat dat wél het geval was.

Izaäk en een uiterlijk verschillende tweeling

Izaäk was duidelijk een moederskind en Jacob, ja je leest het goed, moet erg op hem hebben geleken. Misschien dat Izaäk zichzelf in Jacob herkende en daarom juist afstand bewaarde. Zich aanvankelijk niet zo'n zorg over deze jongen maakte: die kwam er wel; hij ging braaf in het spoor. Met Ezau moest je meer voeling houden, ander was je hem kwijt. Ik teken het in met mijn gevoel, want het staat er allemaal niet in Gods Woord. Toch denk ik dat zulke dingen wel kunnen hebben meegewogen.
Er is nog iets. Izaäk lijkt ook een vader die rendement zocht. Hij voedde zijn kinderen op en liet hun verzorging gerust over aan de liefdevolle zorg van Rebekka. Even tussendoor: zou hij het verschil tussen Rebekka en hemzelf hebben opgemerkt? De tekst van vandaag lijkt te suggereren dat alleen Rebekka dit doorhad.
Ezau was voor Izaäk een zoon om trots op te zijn. Wat die allemaal presteerde, uithaalde en durfde! "Ik zou dat zelf vroeger nooit hebben gedurfd," zei de vader met een glimmende trots in zijn ogen. De prestaties van zoonlief werden met deze woorden bijna zijn eigen prestaties. En kijk eens… de vader werd er zelf ook beter van: heerlijk wildbraad! Het personeel in het kampement van Izaäk kon best over weg met potten en pannen, maar dat bleef toch een beetje hangen in 'meer van hetzelfde': lamsvlees of schapenvlees uit de kudde. Groenten van het eigen land. Vruchten van de bomen in de buurt. Maar het vlees dat Ezau meebracht was gekruid met durf en avontuur! Het kwam van ver, dus het was lekker. En de verhalen van zijn expedities maakten het nog eens extra smakelijk.
Izaäk zelf stel ik me voor als een beschaafde, min of meer gladgeschoren jongen; een beetje de oudere versie van Jacob. Maar Ezau! Een en al harigheid. Ja het is waar, af en toe moest hij zijn zoon manen om niet zo luidruchtig en gulzig te zijn. Het is waar, af en toe moest hij wel iets door de vingers zien van Ezau's escapades met de dienstmeisjes of de vrouwen op de markt. Vliegen vangen met stroop… niet met azijn. Niet teveel op Ezau's huid zitten; anders was je hem kwijt. Fantastisch toch, als je zo'n icoon van een zoon hebt? Wie in de wijde omgeving had zo'n bodyguard? En als Izaäk vertelde over de grote daden van de HEERE en iets vertelde over zijn leven met God, dan zag hij het als zaaien… zaaien in het hart van Ezau. Niet te zeer naar vruchtdragen staan. Laat het maar tijd krijgen om te ontkiemen. De HEERE zou vast wel de wasdom geven.



Rebekka en een innerlijk verschillende tweeling

Gek genoeg zou het tussen Rebekka en Ezau weleens hetzelfde kunnen zijn geweest als tussen Izaäk en Jacob. Rebekka zag in die stoere, eigenzinnige en ondernemende tiener, haar eigen beeld: bomen klimmen, boog schieten, wolven jagen, wilde spelletjes met de herders en de jongens uit het kamp. Er zat een willetje in Rebekka; er zit een willetje in de kleine Ezau… De levenservaring van Rebekka heeft haar wijs gemaakt en de gevaren ervan doen zien. Is het vrees van haar om afstand tot Ezau te bewaren? In Jacob ziet ze iets opbloeien, dat bij haarzelf zo vaak onder vuur ligt. Jacob kan urenlang luisteren naar zijn vader. Hij kan ook diepe vragen stellen. Maar… ze merkt dat hij vaak zijn neus stoot bij vader Izaäk. Het alsof Izaäk hem op afstand houdt. Izaäk kijkt vaak vol aandacht richting Ezau, maar ziet soms zijn zoon Jacob niet eens zitten. Die is ook niet zo druk en nadrukkelijk aanwezig.
De vragen die Jacob kan stellen, nadat hij heeft zitten peinzen, verbazen Rebekka. Zulke vragen komen eigenlijk maar zelden bij haar op. Hoe komt die jongen toch aan al die vragen? Wat gaat erin dat koppie om? "Ik weet ook niet alles, maar je mag het mij altijd vragen, hoor!" Ze geeft Jacob een aai over zijn bol en ze merkt direct dat dat hem raakt. Jacob is snel emotioneel. Hij kijkt vaak met een schuin oog naar Ezau. Hij wilde ook wel zo'n stoere Tarzan zijn. Een utopie. Jacob moet leren om met zichzelf tevreden te zijn. Hij mag er zijn zoals hij is. Daar is Rebekka stellig van overtuigd. En dat laat ze hem duidelijk merken. Bij haar mag hij zijn wie hij is… Als hij dan tevreden in slaap valt op haar schoot, ervaart ze dat als iets dat ze terugkrijgt voor haar liefde. Bij Ezau zou ze zoiets nooit krijgen. Langzaamaan verkleven moeder en zoon en hebben ze ook op non-verbaal vlak het vermogen om met elkaar te communiceren, elkaar aan te voelen. Een spel dat Ezau niet snapt en maar kinderachtig vindt. Een verbondenheid die Izaäk geheel lijkt te ontgaan. Hij wordt er ook niet in getraind.

donderdag 28 april 2016

Moeder Rebekka

Rebekka, uit 'Icons of the Bible',
gefotografeerd door James C. Lewis


De moeder is het eerst en meest diep verweven met het leven van een kind. Er schijnt een bijzondere band te bestaan tussen zoons en hun moeder, en tussen dochters en hun vader. En toch denk ik dat een moeder het hechtst aan haar kind verbonden is. Een vader heeft naast de band van de liefde vooral een sturende en stimulerende invloed op zijn kinderen. Maar hoe hecht een vader ook verbonden is aan zijn kind, de band tussen moeder en kind is het meest intens.

Daar zijn vast dikke boeken over geschreven en hele filosofische, psychische en biologische theoriën op losgelaten, maar ik beperk me in deze serie tot wat mijn ervaringen door het leven heen zijn en wat ik ervan herken en leer in de Bijbel. Met de geschiedenis van Jacob en Ezau hebben we een dubbel bijzondere situatie te pakken. Ik geef toe: wat het is om een tweeling te hebben, laat staan een tweeling te zijn, weet ik niet. Maar met deze tweeling is wel iets bijzonders aan de hand: ze verschillen dag en nacht en… er zit iets ongrijpbaars in hen.


"En Jakob gaf Ezau brood en het linzenkooksel;
en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen;
alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte."
Genesis 25 : 34

Rebekka's familieband

Om enigszins inzicht te krijgen in het mysterie van Ezau's houding, gaan we terug naar de tijd vóór zijn geboorte. Wat is het bijzonder en jaloersmakend gegaan: de weg die Rebekka en Izak bij elkaar bracht. "En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam." (Gen. 25 : 20). Lange tijd is Izak blijven zitten onder de vleugels van vader Abraham. Maar als hij al 40 jaar is, na het overlijden van moeder Saraï, neemt Abraham een besluit dat alles te maken heeft met zijn oudste zoon: Ismaël. Zijn eerstgeboren zoon heeft hij van God moeten wegsturen. Hij heeft hem niet kunnen opvoeden, dan alleen de eerste vijftien jaren. De keuze voor een vrouw heeft hij voor Ismaël niet kunnen invullen. Ik kom daar bij de partnerkeuze van Ezau later nog wel op terug. Maar aan alles merk je dat Abraham niet blij is met de partnerkeuze van Ismaël. Om zich heen kijkend bedenkt hij dat Izak het risico loopt verliefd te worden op een heidens meisje, met alle gevolgen van dien. Het is dus – naast God – Abrahams ingrijpen om voor Izak een goede levenspartner te kiezen. Abrahams keuze valt op het gezin van zijn broer Nahor; Gods keuze valt op Rebekka.

Rebekka's band met haar moeder

Waar ik vooral de nadruk op wil leggen is de figuur van Rebekka. Als Abrahams knecht bij Bethuël in huis is om Rebekka mee te vragen, lezen we twee bijzondere dingen: "Toen zeiden zij (vader of broer Bethuël en broer Laban): Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen. En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken. Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen." (Gen. 24 : 57-59).
Rebekka wordt om haar mening gevraagd en zij zegt uit volle overtuiging en uit eigener beweging: "Ik zal gaan!" Dit staat haaks op ons beeld van het Oosten, waarin de vrouw niets te vertellen heeft! Het lijkt erop dat Rebekka een stevige eigen wil heeft en ook ontwikkeld is, argumenten kan afwegen en visie kan ontwikkelen. We zouden heel graag gelezen hebben dat zij de HEERE vroeg of Hij wilde dat ze ging, maar we lezen het niet! Ze besluit beslist. Was het Gods tijd? Ik denk het zeker, maar Rebekka is bepaald niet afwachtend en passief! Het tweede is dat haar voedster meegaat; ze neemt als het ware een stuk opvoeding mee. Misschien mag je het zelfs zien als een 'stukje van haar eigen moeder' die waarschijnlijk reeds was overleden. Dan kunnen Izak en Rebekka elkaar de hand geven: beiden zijn hun moeder verloren. Rebekka valt van de ene mannenwereld in de andere, maar ik denk dat ze vooral in de dienst aan de HEERE een groot verschil heeft gemerkt: haar schoonvader Abraham leefde dichtbij de HEERE. In zijn nederzetting is het geloofsleven van Rebekka ontwikkeld, zeker door toedoen van Izak, die een intens gebedsleven kende. Maar hoe dicht Rebekka en Izak ook tot elkaar naderden, de voedster Debora is nog steeds in haar omgeving. En ze zal er lang blijven! In Genesis 35 : 8 lezen we pas dat ze sterft (en dan is Rebekka al lang overleden) "En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-bachuth."

Rebekka's band met God

Twintig jaar hebben Izak en Rebekka intens met elkaar verlangd naar de kinderzegen. Het enige dat ze hadden om bij God op te pleiten was de belofte dat 'in Izak het zaad gezegend zou worden'. Al die jaren leefden ze in zeker zin in de nabijheid van vader Abraham, die zijn eigen aanvechting terugzag bij zijn zoon en schoondochter: "Zouden Gods beloftenissen hun vervulling dan tóch missen?" Maar het bleef niet bij pleiten… want van passief wachten word je niet zwanger. De gemeenschap tussen Izak en Rebekka heeft een dubbele lading: intense liefde en sterke verwachting. En daarin heeft Rebekka zeker ook geen passieve rol gespeeld. Naast het gebed van Izak zal ze er alles aan gedaan hebben om een zwangerschap te laten gelukken.
Twintig jaar is lang; het verlangen moet sterk zijn aangevochten. Hoe intens zal dus de vreugde zijn geweest, toen Rebekka merkte dat ze zwanger was! Vermoedelijk wist ze het pas na verschillende maanden. Maar ergens, onderhuids, is Rebekka daar anders mee bezig dan Izak. Ze heeft het gebed als bijzonder krachtig wapen leren gebruiken, maar let eens op haar houding tegenover God: "Is het zo? waarom ben ik dus?" (vers 22) Een paar rare, afgebroken zinnen die volgens de Kanttekeningen "… voortkomen uit onverduldigheid en ontsteltenis over dit zeldzaam werk. De zin schijnt te zijn: Is het zo te doen, wat mocht ik naar kinderen wensen? Of: Waarom geeft ze mij God? Of: Waarom ben ik dragende geworden? Of: Waartoe ben ik nog in het leven?" Waar komen die woorden vandaan? Welk gevoelen schuilt daar achter?

Ezau - een kind van het Verbond

Fotograaf James C. Lewis maakte een serie artistieke foto's, de 'Black Bible Characters', waaronder 'Esau'


Afgelopen zondag hield ik een vertelling op de zondagsschool over Jacob en Ezau. En prompt ging zondagavond de preek over exact hetzelfde gedeelte: Genesis 25 : 19-34! De week ervoor werd ik bijzonder getroffen door de figuur en houding van Ezau. Ezau, een kind van het Verbond. Hoe is het mogelijk dat hij de waarde van dat Verbond niet zag, zijn eigen weg door het leven ging en God niet nodig leek te hebben. Je komt er niet zomaar uit, wanneer je in zijn opvoeding de aanleiding probeert te zoeken; hoewel… Je komt er al helemaal niet uit, als je het probeert te verklaren vanuit de uitverkiezing; hoewel… Ik heb me voorgenomen een serie overdenkingen te gaan maken over 'Ezau - een kind van het Verbond'. Misschien dat ik de serie t.z.t. ga bundelen in een ebook. Om zo de serie extra dienstbaar te maken aan mensen die zo'n Ezau in hun directe omgeving hebben of… zich herkennen in deze man met een autonome drive en hang naar ongebondenheid.

zaterdag 5 maart 2016

De nodiging tot het heil roept altijd geweld op


Vooral het woord 'violence' suggereert dat het Koninkrijk der hemelen geweld heeft te verduren van vijanden;
echter niets is minder waar: het heeft geweld te verduren van vrienden en aspirant burgers van dit Koninkrijk.

"En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen
geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld."

Mattheüs 11 : 12

Lekkere tekst is dat, juist in een tijd van fundamentalisme, radicalisering en geweld. De verkondiging van het heil roept dus geweld op? Maar… is dat dan uitdagend, uitlokkend van karakter? Of moeten we het scharen in de categorie joden-haat? Worden christenen, evenals Joden, gehaat, omdat ze God stellen boven elke andere macht? En is dat de boodschap van deze tekst? Toen ik jaren geleden over deze tekst een bijbelstudie maakte voor de MannenBijbelstudieVereniging hier in Schoonhoven, las ik ergens dat dit de moeilijkste tekst uit de Bijbel was. Dat daagde me toen uit, maar achteraf vraag ik het met af. Hebben mensen niet veel meer moeite met teksten die gaan over Jezus' offer en plaatsvervangend lijden. Laten we eens kijken wat er nu werkelijk staat en zien of deze tekst ons een prikkelende boodschap te bieden heeft.

Geweld tegen

Onze eerste reactie bij deze tekst zou kunnen zijn: logisch, het evangelie roept weerstand en soms zelf geweld op. Maar als we met dat in ons achterhoofd goed kijken naar de tekst, dan zou het dus zo zijn dat het Koninkrijk der hemelen onder de voet wordt genomen. Echter, we belijden toch dat er geen afval der heiligen is? En dat het Koninkrijk niet slinkt, maar enkel toeneemt, omdat er alleen maar mensen bij komen?!
Het geweld waarover Jezus spreekt heeft dus ergens ander mee te maken. En lees nog eens goed: het is een proces dat blijkbaar is ingezet 'in de dagen van Johannes de Doper' en 'tot nu toe' voortduurt. Johannes is een trendsetter van iets. Wat? De prediking van het komende Koninkrijk, dat 'nabij' is gekomen. Johannes legde de klem meer dan zijn voorgangers in de prediking. Hij riep ze op om niet lijdelijk af te wachten, in een hoekje nog eens rustig te gaan zitten overwegen, maar in actie te komen. En Johannes' optreden goed beluisterend, zijn forse stem in gedachten horende en zijn woeste baard driftig te zien bewegen bij het herhaaldelijk openen van zijn mond, moet die prediking als 'geweld' op zich zijn geweest. Johannes pleegde geweld op zijn toehoorders. Duidelijk, want anders was alles bij het oude gebleven. Hij riep ze op om – als ze ook maar enigszins twijfelden aan hun behouden aankomst in de hemel – desnoods geweld te gebruiken. Het was een zaak van leven op dood! Wat zou je graag zo'n prediker in je gemeente hebben, niet waar? En als je zo'n prediker door genade mag hebben (voor een tijdje in bruikleen van de hemel), wat gun je die dan aan de hele kerk?!

Geweld plegen om tot Gods Koninkrijk te geraken. De kernvraag in mijn bijbelstudie van destijds was: "Wat merkt de hemel ervan dat u een christen bent?" Want dat geweld beperkt zich niet alleen tot het feit van 'zelf tot dat Koninkrijk geraken', maar ook tot het feit 'opdat anderen ertoe zullen geraken'! Iemand uit mijn eigen gemeente verweet mij eens dat ik haar bijna dwong te gaan geloven. Dat was geen prettig verwijt en toch een groot compliment. Weliswaar kunnen wij mensen niet een ander niet zaligmaken en toch worden we geroepen zó krachtig te werk te gaan alsof het van ons afhing (zonder uit het oog te verliezen dat het God is Die de wasdom geeft). Nou… ga maar aan de slag.

Geweld op

Hiervoor citeer ik uit mijn bijbelstudie van destijds:

In zijn boek 'Christenreize naar de eeuwigheid' beschreef John Bunyan het volgende voorval:
“Ik zag ook, dat UITLEGGER CHRISTEN weer bij de hand nam en in een zeer vermakelijke plaats bracht, waar een schoon paleis gebouwd was; en CHRISTEN was daar zeer mee ingenomen. Op de top van het paleis zag hij enige personen wandelen, die geheel in het goud waren gekleed. Hij vroeg dan aan UITLEGGER, of zij daar wel mochten binnengaan? UITLEGGER greep hem bij de hand en bracht hem opwaarts, tot aan de deur van het paleis; en zie, aan de deur stond een grote menigte mensen, allen, zo het scheen, zeer begerig om in te gaan, maar zij durfden niet. Daar zat ook, een eindje van de deur af, een man aan een tafel, met een boek en een inktkoker voor zich om de namen op te schrijven van hen, die ingingen; hij zag ook, dat in de ingang tot de deur vele gewapende mannen stonden, om die te bewaken, en wie er door wilden gaan, zoveel schade en leed te doen als zij maar konden. Hierover was CHRISTEN niet weinig verbaasd. Terwijl intussen iedereen terugging uit vrees voor de gewapenden, zag hij ten laatste ook een man van een zeer kloekmoedig voorkomen tot de schrijver naderen, en zeggen: “Mijnheer, schrijf mijn naam eens op.” Toen deze dat gedaan had, zag CHRISTEN, dat hij zijn zwaard aangordde, een helm op zijn hoofd zette en zich naar de deur wendde, recht op de gewapende mannen aan, die hem met een dodelijke woede weerstonden. Maar de man, hierdoor in het minst niet ontmoedigd, viel op hen aan, hakkende en snijdende zeer verwoed. Nadat hij nu vele wonden ontvangen en ook gegeven had aan hen, wier oogmerk het was hem buiten te houden, nam hij zijn weg recht tussen hen allen door en drong het paleis binnen waaruit hij de nodiging hoorde van hen die al binnen waren en op de top wandelden, zeggende:
Kom toch, ei, kom toch in:
En ’s hemels heerlijkheid
Wordt tot in eeuwigheid
Voorzeker uw gewin.
Toen ging hij naar binnen en werd gekleed in net zo’n gewaad als zij allen droegen. CHRISTEN begon wat te lachen en zei: “Mij dunkt, dat ik wel weet, wat dit betekent; laat mij nu ook daarheen gaan.”


In zijn boek ‘Blikken in Bunyan’s Pelgrimsreize’ merkt ds. J.H. Gunning JHzn – (ooit predikant in de Sint Jan van Gouda) neef en naamgenoot van de schoonhovense ds. J.H. Gunning EBzn – op:
 
“De bedoeling is duidelijk. Beslistheid is noodig. Dat was zoo in de zware dagen, waarin Bunyan zijn Pelgrimsreize schreef, toen duizend vijanden zich legerden rondom een man, die God naar Zijn Woord en volgens zijn geweten wilde dienen; en zoo is het nog in onze dagen, waar wereldzin en verflauwing der grenzen de kloeke, beginselvaste belijders o zoo zeldzaam doen zijn. Christen moet het leeren dat alleen wie volhardt tot het einde toe, de overwinningskroon behalen zal. … Ja, waarlijk, het is geen kleinen zaak het koninkrijk der hemelen of den hemel zelven binnen te gaan. Niemand wane, dat – al onderhoudt Christus het vuur tegen de waterstroomen des vijands – de geloovige niet zou hebben te kampen om het kleinood des geloofs te verwerven. Alleen wie volhardt, die bereid is moedig en beslist ’s Heeren zijde te kiezen, kan toegang verkrijgen. En daarom ook wordt de man, die hier optreedt, beschreven als iemand ‘van een zeer moedig voorkomen.’ Genade maakt niet laf en weifelend, maar kloek en beslist. De moeilijke plaats Matth. 11:12 wordt door prof. Van Leeuwen aldus vertaald en toegelicht: ‘Het koninkrijk der hemelen breekt zich met kracht baan en stoutmoedigen grijpen het; wie met kracht er naar grijpen, verwerven het.’ Laat ons het nimmer vergeten, lezers! Dat wij in deze gevaarlijken tijd, waarin alles er op uit is om ons met de stroom te doen àfvloeien, alleen door een eerlijke, welbewuste keuze onze roeping en verkiezing vast kunnen maken.”
Bijzonder valt de link op, die ds. Gunning legt met de Bijbeltekst van vanavond. Eveneens valt het op dat hij onderscheid maakt tussen ‘het koninkrijk der hemelen’ en ‘de hemel zelf’. Dat is namelijk niet helemaal precies hetzelfde. Reeds in dit leven moeten wij gaan behoren tot het Koninkrijk der hemelen, willen we de eigenlijk hemel ooit daadwerkelijke binnen kunnen gaan. Christen, uit Bunyans, was in dit deel van het verhaal ook nog lang niet in de hemel. Maar het liet hem wel zien, op welke manier hij er komen moest. Tot het Koninkrijk der hemelen behoren allen die eenmaal de hemel zullen binnengaan. Zij ervaren nu al iets van de heerlijkheid, die dán volkomen zal zijn.
Misschien vindt u dat wel een mooie gedachte: de hemel binnengaan. Toch zou dat erg tekort doen aan de zaligheid, als we alleen maar naar de hemel willen gaan. Die hemel is ten diepste – zo zei ds. Maas het bij de rouwdienst van Anton den Besten – leeg en doelloos als de drieënig God daarin ontbreekt. Met eerbied: die hemel is maar bijzaak. De zaligheid bestaat niet in het in de hemel zijn; en al helemaal niet in het díe of díe geliefde weerzien. Nee, de zaligheid bestaat uit het volmaakt, zondeloos, de HEERE behagen en bedoelen in alles. De zaligheid is niet, dat u en ik niet in de hel komen, maar dat de HEERE eindelijk en eindeloos de eer ontvangt die Hem sinds Genesis 3 is ontnomen door u en mij.
Wie dus als een strijder – om bij het beeld van Bunyan te blijven – slechts uit angst voor de hel strijdt, zal het vroeg of laat moeten afleggen. En wie uit een oppervlakkige bewogenheid naar de hemel verlangt, zal nooit dat geweld bezitten dat nodig is om te volharden. Nogmaals die vraag: “Wat merkt de hemel ervan dat u een christen bent?” Wat wordt er in de hemel gesignaleerd van uw en mijn geweld?