zaterdag 18 april 2015

Jezus van Nazareth of mijn Meester?

"Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden."
Markus 16 : 6

Soms helpt het om wat langer over een Bijbelvers na te denken. Als ik direct had opgeschreven, wat bij me opkwam, had ik iets merkwaardigs over het hoofd gezien, wellicht. Met de vrouwen meegaand in het graf, zien we een engel. Juist wát die engel zegt en hóe hij het verwoordt, bleef vragen oproepen bij me.

Geruststellende woorden

Zoals we al eerder zagen, werden de stoere soldaten met schrik bevangen en vluchtten weg van het graf. De vrouwen zijn aanvankelijk verontrust over het open graf, maar raken evenzeer verschrikt wanneer ze het graf binnengaan. Ze zien daar een (eigenlijk twee) engelen zitten in de gedaante van jongelingen die door licht omvangen zijn. De engelen laten zich hier kennen zal mensachtigen en communiceren met de vrouwen. Ze zagen de angst waarmee de soldaten werden vervuld en keken hen na, toen ze met al hun bravour de benen namen; wellicht hun schilden in de consternatie wegslingerend om maar zo snel mogelijk te kunnen rennen. Iets wat een romeins soldaat op de doodstraf kan komen te staan. Er moet later geld aan te pas komen om ze te vrijwaarden van een executiepeloton.
De engelen kwamen dan ook niet voor de soldaten, maar voor degenen die het om Jezus was te doen in positieve zin. Ik weet niet of ze de vrouwen verwachtten; God geeft ze niet altijd gedetailleerde bevelen, maar wát Hij hen opdraagt, voeren ze wel in volledige passie aan Hem uit. Daarom doorzien ze ook direct de gesteldheid van deze vrouwen. Ze beschouwen hen als Jezus' vrienden. Wanneer ze de schrik zien in de ogen van de vrouwen, begint een van de engelen verstaanbaar te spreken (niet in de talen der engelen, waarover Paulus schrijft): "Zijt niet verbaasd!" Mattheüs zegt het nog pastoraler: "Vreest gijlieden niet", waarmee hij de vrouwen stelt tegenover de romeinse soldaten.
De engel stelt de vrouwen gerust, zowel over zijn verschijning (en die van zijn geestgenoot) alsook over het lege graf. Met een armzwaai nodigt de engel de vrouwen binnen in deze dodengrot en laat de plaats zien waar Jozef en Nicodémus het lichaam met liefdevolle zorg hebben neergelegd. Op deze twee mannen doelt de engel als hij zegt: "…waar zíj Hem gelegd hebben." Zou de engel dit ook hebben gezien? Zou hij geweten hebben wie Nicodémus en Jozef waren en wat hun toewijding voor Jezus was? Hij zegt er niets over; zijn missie is de vrouwen geruststellen.
Ik kan me levendig voorstellen dat ze hier het geluid van Gods Vaderstem vertolken: "Mijn kind, kom maar, Ik weet ervan. Ik ken je angst, je verwarring; stil maar, alles komt goed, want Ik ben erbij!". Geen stem van de Roepende uit de woestijn, maar de stem (de geluidsvertolking) van de Roepende uit de hemel: "Wees gerust Mijn kind! Mij loopt niets uit de hand. En wat je ziet, is niet wat het werkelijk is. Het graf is wel leeg, maar dat betekend niet dat je nu niets meer hebt, maar juist dat je nu álles hebt!"

Vragenoproepende woorden

Hier had ik een punt kunnen zetten, enige dagen geleden. Maar iets in dit vers bleef bij me haken. De engel zegt: "Gij zoekt Jezus de Nazarener". Waarom zegt hij niet: "Ik weet dat jullie je Meester zoeken"? Waarom noemt de engel Hem niet 'Christus'? Of 'de Heiland'? Waarom zo afstandelijk 'Jezus van Nazareth"? Is het een probleem? Moet ik daar over nadenken? Ik weet het niet, maar het bleef haken.
Google-end op deze naam kwam ik het volgende tegen:
"Wanneer Petrus op Pinksteren preekt voor de mensen op het tempelplein in Jeruzalem en de gebeurtenissen uitlegt van de Pinksterdag, spreekt hij over Jezus de Nazarener.

Dat Petrus over Jezus spreekt is al opmerkelijk. Pinksteren heeft toch alles te maken met de Heilige Geest? Toch kan het niet anders of hij spreekt over Jezus, want de Geest is daaraan te herkennen dat Hij de Heere Jezus verheerlijkt. Echt Geesteswerk is immers daaraan te herkennen dat het ons dichter bij Christus brengt.


Maar waarom spreekt Petrus dan over Jezus de Nazarener? Waarom geen verhevener Naam? Omdat deze naam een heel duidelijk aanknopingspunt is voor het volk in de preek van Petrus.

De mensen in Jeruzalem dachten dat het nu wel afgelopen was met die zaak van Jezus de Nazarener. Hij was gestorven en werd begraven. Weliswaar gingen er op Pasen allerlei geruchten over Hem dat Hij was opgestaan, maar dat zal wel niet waar geweest zijn.
Petrus maakt echter op Pinksteren duidelijk dat de ‘zaak Jezus’ nu pas echt begint.
Daarom gebruikt Petrus Zijn gewone Naam; zo stond Hij burgerlijk bekend; zo sprak de man in de straat over Hem. Die Naam zal geen enkel misverstand kunnen wekken. Zo stond het ook in het opschrift boven het kruis.
Petrus weet over wie hij het heeft en de mensen, die Petrus horen weten ook over Wie de spreker het heeft.

Met die Jezus de Nazarener hebben zij slecht gehandeld. Petrus wijst daar onomwonden naar. Deze Jezus was duidelijk een Goddelijke Afgezant. Voor het gevoel van de mensen was Hij de Man uit Nazareth.

Daarin hebben zij zich wel vergist. U hebt Hem aan het kruis geslagen en Hem gedood, U hebt Hem veracht en bespot. U hebt Zijn Goddelijke Afkomst en Zending niet willen erkennen."

De engel gebruikt dus ook Jezus' gewone, burgerlijke naam. Zou hij dat ook bewust hebben gedaan, net als Petrus? Zou hij daarmee aangeven dat zij nog steeds te menselijk over Jezus dachten? Dat ze het zicht op Zijn goddelijkheid kwijt waren? En dat ze het zicht op Zijn werkelijke missie totaal uit het oog verloren waren?
Al nadenkend over deze vraag, bemerkte ik dat er veel mensen tegenwoordig wel spreken over Jezus, maar heel menselijk over Hem denken. Zowel vanwege Zijn lijden, als vanwege de dingen die Hij tijdens Zijn leven deed en sprak. Ik geloof dat tegenwoordig best veel mensen geloven in de historische Jezus, zoals ze ook geloven in de historische Mohammed en de historische Saladin of Richard Leeuwenhart. Maar wij moeten niet blijven steken in de historische mens Jezus. Het moet ons verder brengen tot de eeuwige Zoon van God en… tot de Middelaar, de Messias, Die Zijn Vader genoegen verschaft door de zonde der wereld op Zich te nemen en Zijn volk te bevrijden. Het moet ons – al helemaal in de kerk! – brengen tot de woorden die Maria Magdalena even later zal uitroepen: "Rabbouni, dat is mijn lieve Meester". Of – en die woorden steken nog dieper – de woorden van die zogenaamde ongelovige Thomas: "Mijn HEERE en Mijn God!"

Geen opmerkingen:

Een reactie posten