donderdag 12 juli 2018

Het effect van de preek


Nawoord
Je loopt snel het risico om het verhaal van de martelaar Stefanus door te vertellen in plaats van na te denken over het effect van zijn preek. Het verhaal is boeiend, spannend, eng zelfs en toch heel vertroostend voor verdrukte gelovigen. Maar met zo’n verhaal blijf je steken in de eerste laag van het Bijbelgedeelte. Er gebeurt hier enorm veel door woorden. Er vinden gistende processen plaats in harten.
En juist daar wilde ik in deze bundel bij stilstaan.
Het effect bij Stefanus
De preek van Stefanus was zijn eerste officiële (althans in de Bijbel gepubliceerde) en tevens laatste preek. Hij zal al meerdere malen een stichtelijk woord bij zijn diaconale werk hebben gesproken. Het is waarschijnlijk dat hij dat in het openbaar deed. De weduwen van de Grieken kregen in het openbaar de kans om zijn hulp in te roepen. En of dat nu op het markt- of tempelplein gebeurde, of in een straat wat meer achteraf, er zijn mensen die hem hebben horen spreken. En dat zinde sommige orthodoxen niet.
Ze hebben hem op een bepaald moment geïnterrumpeerd en zijn met hem in debat gegaan. En waar Stefanus wellicht nog heeft gedacht dat hij een persoonlijk woord voor deze mensen mocht brengen, daar lag op de achtergrond bij deze mensen een geheel ander plan klaar. Ze probeerden hem klem te praten. De reden daarvoor was dat hij over Jezus sprak. Die ‘valse’ rabbi die al maanden dood was. Zij dachten van Hem af te zijn, maar Hij bleek voor deze ketters nog springlevend. De grote vraag is: hoe ga je met ‘ketters’ om?
Een rechtszaak was de eerste logische stap voor deze mensen. Maar nadat het Sanhedrin de aanklachten had gehoord gaven ze – overigens verrassend positief – Stefanus de kans om zich te verdedigen. Althans… ze vragen hem of het waar is waarvan hij wordt beschuldigd. Dat deden ze met Jezus niet. Misschien wel omdat Hij bleef zwijgen. Maar Stefanus gaat spreken.
Wie nu denkt dat Stefanus zich heel kwetsbaar opstelt bij zijn betoog, die vergist zich. Hij acht de ander niet bepaald uitnemender dan zichzelf. Hij zaagt planken van bepaald dik hout. En in zijn betoog zit, zo zagen we inmiddels duidelijk, een sterke opbouw.
Dat de ferme laatste woorden van zijn preek niet bolstrijkend waren mag duidelijk zijn, maar dat wil niet zeggen dat er geen liefde achter zijn woorden zat. Hoewel we eerlijk moeten zijn: we merken nergens bewogenheid in zijn stem. En eigenlijk merk ik dat bij geen van de apostelen, wanneer zij in debat gaan. Wij romantiseren graag en leggen er graag onze westerse emotie in. Maar daar merk je in deze woorden niets van.
Overigens betekent dat niet dat er geen bewogenheid in zijn hart was! Want die komt naar buiten als Stefanus naar buiten wordt gesleurd en gestenigd. Terwijl de stenen op zijn hoofd en lichaam beuken is zijn blik op de hemel gericht en roept hij duidelijk verstaanbaar voor iedereen: “Heere, reken hun deze zonde niet toe!” Dat bid je niet als je vol wrok zit!

Het effect bij het Sanhedrin
Deze rechtszaak verloopt heel raar, als je die vergelijkt met die van Jezus. Toen moest het Sanhedrin zo nodig eerst naar Pilatus, omdat zij zelf geen doodvonnis mochten uitvoeren. Nu is dat blijkbaar helemaal geen probleem meer!
Maar nog voordat Stefanus wordt gestenigd, gaat plots de hemel open en hij roept uit: “Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods.” Let op het tijdstip van deze open hemel. Die gaat niet pas open als hij buiten de stad op zijn knieën ligt, maar die gaat al open in de rechtszaal!
En die uitspraak is voor de mensen om Stefanus heen de druppel. Die ‘valse’ rabbi Jezus aan de rechterhand van God? Dit is totale blasfemie! Dit moet je als lezer wel heel goed beseffen. Dat die Joden tot deze conclusie komen is eigenlijk enorm vanzelfsprekend, nietwaar? Zij zaten vast in de loopgraaf van hun theologische dogmatiek. Nergens in de preek van Stefanus werd een nuancering van diens standpunt aangebracht. Dus stonden voor hen over en weer de hakken in het zand.
Als Stefanus daarom met deze niet te toetsen visionaire uitroep denkt hen omver te blazen, dan heeft hij het mis. Hij moet stoppen. Hij moet zwijgen. Hij moet nu echt zijn mond gaan houden. Hij moet dood, desnoods.
Ze kunnen het niet langer aanhoren en stoppen hun oren dicht. Toch moeten ze de handen van hun oren afgehaald hebben wanneer ze Stefanus beetpakken en de stad uit sleuren.
Heeft Stefanus gefaald? Had hij het beter anders kunnen aanpakken om deze verstokte en eigenzinnige dogmatisten erbij te kunnen houden? Had hij misschien beter kunnen spreken over de wetten van Mozes en waarderend moeten spreken over de ordinanties van Joodse geschriften en uitleggers? Had hij misschien meer moeten aansluiten bij wat deze mensen waardevol en goed vonden?
Want, wees eerlijk, als je mensen van je afstoot bij het spreken over Gods Woord en de boodschap van het Evangelie, kun je het dan niet beter anders aanpakken? De kans was groot geweest dat deze mensen waren weggelopen. Dan was Stefanus nog wel blijven leven, maar dan had hij hen nooit meer kunnen bereiken. De leden van het Sanhedrin hadden er dan hun nieuwe belijdenisgeschriften over geschreven: waar staan wij voor, tegenover deze vervloekte ketters? Dat had een ware loopgravenoorlog geworden, een richtingenstrijd met enorm veel slachtoffers en afhakers. Omdat niet iedereen in twee afgebakende kampen past!
Ik denk dat Stefanus het anders had kunnen doen, wanneer hij met deze actie probeerde te evangeliseren. Maar in het vorige hoofdstuk zagen we dat dat niet het geval was. Zijn juridisch betoog bestond uit een verslag van hun beider volks-geschiedenis. Een simpele opsomming van feiten, zonder de emotie van dogmatiek. Hij tekende hen Gods hart achter hun eigen geschiedenis. En dat hadden ze nergens in hun boekjes staan. Hun beeld van God was niet overeenkomstig die werkelijkheid. En dan leg je het altijd af in dogmatische geschillen. Dan volgt op het ene statement direct het andere. Het ene woord wordt door het andere onderuit gehaald. Maar zo gaat Stefanus niet te werk. Hij legt bloot dat hun godsdienst niet de dienst aan de levende God was, maar een politiek spel ten behoeve van hun eigen positie. En daarin is vandaag de dag nog niet veel veranderd!
Was Hitler bewogen met het volk, omdat dat door de Eerste Wereldoorlog in grote armoede terecht was gekomen? Of wilde hij het afgebroken werk afmaken en zichzelf in het middelpunt zetten? Wilde hij zelf een messias zijn, een superster? Is dat niet de drijfveer van veel groten der aarde vandaag de dag? Is dat niet de drijfveer van veel politici in de kleine politiek? Is dat niet de drijfveer van veel vooraanstaanden in kerk en gemeente? Ze hebben de mond vol van ‘zuiverheid’, maar ze geven met hun woorden en daden voortdurend blijk van dat ze God niet echt kennen zoals Hij is. En dat heeft ook effect op de mensen eromheen!

Het effect bij Saulus
Als er iemand intens heeft zitten luisteren en super geboeid heeft zitten kijken, dan was het Saulus wel. Saulus… de naam die hij voor zijn bekering droeg? Ook alweer zo’n statement dat je tot op de kansel hoort zeggen. Saulus of Saul was zijn hebreeuwse naam: zijn moeder was Jodin. Paulus was zijn griekse naam: zijn vader was griek. Toen hij de heidenwereld in ging deed hij dat onder zijn griekse naam. Maar dat heeft helemaal niets met zijn bekering te maken. Zoals Jan, een naar Amerika emigreerde boer, zijn naam daar als John schrijft en uitspreekt. Jan lijkt op Ian en dat zou kunnen suggereren dat hij uit Ierland zou komen.
Saulus vindt tijdens dit proces voortdurend bevestiging van zijn eigen nog groeiende visie op de joodse religie. Wat deze orthodoxen eruit kramen vormt hem in zijn ontwikkeling. Dit is een belangrijk element, dat we vandaag de dag ook goed moeten beseffen.
Dat Saulus hier getuige is van een moord wil hij niet zo duiden. Hij heeft later verteld dat hij ‘een behagen had’ in het uit de weg ruimen van deze oproerkraaier. In het verlengde daarvan had hij er eveneens een intens behagen in dat die rabbi Jezus indertijd was opgeruimd. Ik ben er haast van overtuigd dat hij daarbij ook getuige is geweest. Het is nog maar kort geleden! Hij was theologisch gevormd door Gamaliël die tijdens een spoedvergadering over de apostelen, die maar niet wilden zwijgen over Jezus, nota bene had gezegd: “Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden” (Hand. 5:38b-39).
Hij was een erudiet man en men hechtte veel waarde aan zijn inzicht. Ze volgden het direct op, terwijl even te voren hun harten nog barstten van nijd.
En nu gebeurt dat weer… Nu zijn die harten geëxplodeerd; en hoe?! Was de moord op Stefanus voor Saulus misschien het bewijs dat dit het werk van mensen moest zijn; immers… het is nu gebroken?!
Saulus heeft dus aan de voeten van Gamaliël niet alleen een stapel kennis meegekregen, maar ook een stuk levenservaring en levenswijsheid. Echter, dat laatste heeft hij als ballast overboord gegooid blijkbaar. Want later, wanneer hij zich verantwoordt (net als Stefanus!) voor het Joodse volk in Jeruzalem (Hand. 22), zegt hij: “Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt, die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beiden mannen en vrouwen. Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele raad der ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damaskus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.”
Even verderop komt hij toch ook bij de ‘doorn’ in zijn vlees: “Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden; en toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden.” Het is hem kraakhelder bijgebleven en het pleitte na zijn bekering niet in zijn voordeel! Zelfs het behagen aan die dood torste hij als een last mee.
Eenmaal, na zijn overlijden, mocht hij die Stefanus ontmoeten in de heerlijkheid. De beide broeders in Christus mochten elkaar omhelzen voor Gods troon en Hem eenparig aanbidden tot in eeuwigheid! Wie had dat kunnen denken! Daar zorgde die ‘valse’ rabbi Jezus voor. Inderdaad heeft Saulus met eigen ogen gezien dat Jezus daar ter rechterhand van God stond!
Maar om nog even bij het punt dat ik wilde maken terug te komen: als we aldoor het Evangelie onder een stolp willen zetten en de kracht van het leven door de Geest willen intomen en uitblussen, zal dat onherroepelijk effect hebben op de jongere generatie. Denk daar eens over na!

Het effect bij ons
Want dan komen we toch tenslotte bij het effect dat de preek (of die nu van Stefanus is of van iemand anders) heeft op ons leven. In het geval van Stefanus zou je kunnen denken: dat is nutteloos geweest. Stefanus is vermoord en de volgelingen van Jezus werden alleen maar vervolgd. Had dat nou niet anders gekund? We lezen in Handelingen 11 een van de vruchten van Stefanus’ preek en dood: “Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden. En er waren enige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, welken te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Grieksen, verkondigende den Heere Jezus. En de hand des Heeren was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot den Heere.”
De preek én de vervolging die daarop volgende hebben tot gevolg dat men overal heen vlucht én spreekt over de Heere Jezus. En de HEERE gebruikte dat en zegende het boven mate zeer!
Wat doet de preek van jou? Wat doet bijbelstudie met jou? Wat doet het lezen in  Gods Woord met je? Ga je het minutieus uitpluizen om er allerlei spitsvondigheden in te ontdekken? Ga je het nuanceren, wanneer het je dichterbij God wil brengen. Lees je er dingen naast die het Woord tot leven brengen en het leven met God in je doen opleven of lees je er dingen bij die je passief maken en voorwaardelijk naar de woorden van God leren luisteren? Wees eens eerlijk: welk effect neem je waar in je hart? In je handen? In je hoofd? In je voeten? In je woorden? Dat weet jij het allerbeste! Ik bid om een zegenrijk effect.

dinsdag 10 juli 2018

Met gestrekt been erin?


Hoofdstuk 17
Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren,
gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.
Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd?
En zij hebben gedood degenen,
die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen,
van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.
Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen,
en hebt ze niet gehouden!
Handelingen 7 : 51-53
Het was verrassend dat de preek van afgelopen zondag over Stefanus ging; hij werd getekend als iemand ei duidelijk iets weg had van Jezus in Zijn koninklijke, profetische en priesterlijke ambt. Stefanus preekte profetisch, met een geestdrift en een kracht; hij sprak koninklijk over de HEERE en bad priesterlijk voor zijn vijanden. Naast de aanleiding tot deze geschiedenis (Handelingen 6) werd ook ook de afloop in hoofdstuk 7 gelezen en dus bepreekt. Ik kom daar later nog op terug, maar we richten ons in deze serie vooral op de preek zelf.
De toepassing van toen
Ik was al een paar dagen aan het nadenken over deze laatste verzen van de preek, waardoor het me zondag nog weer extra opviel hoe agressief Stefanus zijn preek eindigde in een snoeiharde toepassing.
Ik wil er allereerst met een gewone blik naar kijken. Een 21e eeuwse mensenblik wel te verstaan. Als je in gesprek gaat met mensen die je aanvallen op je standpunt, hoe doe je dat dan? Als zij het hardgrondig met jou oneens zijn, sla je ze dan om de oren met verwijten? Als mensen op een achterbakse manier proberen de boel te verzieken kan ik zeker fors uitvaren en zal een verwijt niet zomaar schuwen. Als er bewust of blind wordt aangestuurd op problemen, terwijl je al een paar keer geroepen hebt dat het proces niet goed gaat, zal zullen er uit mijn mond weinig vergoelijkende woorden wandelen. Misschien vind je dat fout en wil jij juist wel die vergoelijkende toon aanslaan of met zachte woorden bewust geslagen wonden helen, maar dat is niet mijn manier. Wat fout is moet niet goed worden genoemd; daar leer niemand van!
Anders wordt het als je mensen probeert te bewegen tot het geloof. Wanneer je in gesprek bent met buitenkerkelijken, heidenen of andersgelovigen, en je vertelt hoe goed het is om de HEERE te kennen en te dienen, maar je eindigt met “maar jij wil dat maar niet geloven; jou zegt dat allemaal niks! Jij recht je rug en laat God lekker roepen!”, dan weet bijna 100% zeker dat die persoon afhaakt.
En dit lijkt Stefanus hier toch te doen. Is het gek dat ze hem doodgooien met stenen? Wees nou eerlijk…

Wat gebeurt hier?
De vraag is of dát hier gebeurt na de preek van Stefanus. Daarom twee vragen:
  1. kwam de escalatie door de laatste regels van zijn preek of is de bom gebarsten nadat gaandeweg de gehele preek de spanning werd opgebouwd?
  2. Evangeliseert Stefanus hier of doet hij iets anders? En wat zegt ons dat vandaag?
Al meerdere keren heb ik opgemerkt dat Stefanus heel veel tussen de regels door zegt. Dingen die aan onze opmerking wellicht gemakkelijk ontschieten, maar die de theologen die hem aanhoren direct snappen, verbanden die zij perfect snappen. Dus we kunnen gerust stellen dat de aversie zich opbouwde gaandeweg zijn preek. Maar eerlijk is eerlijk, het fors brandende lont dat Stefanus aan het einde van zijn preek in dit gistende kruitvat stak kon niet anders dan een hevige ontploffing veroorzaken.
De tweede vraag is: evangeliseerde Stefanus hier. Waarom ik die vraag stel is omdat het nogal uitmaakt wat de context van zijn preek is. De escalatie die volgt doet ons de vraag stellen: had dit voorkomen kunnen worden of had de schade meer beperkt kunnen blijven? Waren deze bepaald niet zoetgevooisde woorden met tederheid of met toorn gekozen? Wanneer we stellen dat hij op een confrontatie wilde afstevenen, bewust (!), dan komt zijn voorbede in vers 60 erg dubieus over.
Allereerst kunnen we snel vaststellen dat Stefanus niet uit was op evangelisatie. Hij wilde zijn toehoorders niet bereiken met het evangelie, zoals onwetenden en ongelovigen moeten worden benaderd. Er zijn teveel predikanten die allerlei platgetreden paden bewandelen; dat is uiterst vermoeiend en doelloos. Maar je hebt ook predikanten die verschillende bekende dingen in herinnering roepen om je ermee aan het denken te zetten. Dat is niet vermoeiend maar juist heel gezond.
Als een predikant in zijn gemeente heel veel twijfel en voorwaardelijkheid hoort, zal hij bekende dingen in herinnering roepen die vanuit Gods Woord laten zien dat God welmenend uit is op ons behoud. Dat zijn bekende teksten, maar omdat ze zijn weggezakt – door dwaalleer of omdat ze bewust in het duister worden gehouden omdat bepaalde Simon de Tovenaars in de gemeente hun gewaardeerde positie in gevaar zien komen – moeten ze worden herhaald en in herinnering worden geroepen. Zo ontstaat een helder beeld van Wie en hoe de HEERE nu is.
Dit laatste is van toepassing op de preek van Stefanus. Hij heeft nergens iets nieuws verkondigt. Hij heeft een les oude volksgeschiedenis gegeven. En die les was voor de chauvinistische joden prima te volgen. Alleen de rankschikking en de accenten waren misschien nieuw of op zijn minst spannend en verrassend. Ze zaten als het ware op het puntje van hun stoel!
Dus… Stefanus gaat op een juridische manier te werk en verdedigt zich als beklaagde tegenover zijn aanklagers. Beter gezegd: hij verdedigt God en is daarmee een profetische pleiter. Hoewel hij het plaatje natuurlijk wel opeens dieprood inkleurt!
Maar… voor ze het goed en wel door hebben zitten de aanklagers in de beklaagdenbank. En dat is typisch het werk van een advocaat. Daarom mag Stefanus ook zíjn beschuldigingen uiten. Hij is er niet op uit dat ze het Evangelie gaan geloven door overtuiging, maar dat ze voor Christus zullen vallen Die ze zelf hebben veroordeeld. En… ze hebben er nooit spijt over betuigt. Het wordt dus hoog tijd. Of… ze blijven zich verharden.

Hoe luidt de beschuldiging?
Laten we eens op een rijtje zetten wat Stefanus hier naar voren brengt:
  1. jullie werken de Heiligen Geest altijd weer tegen;
  2. jullie zijn verraders en moordenaars van de Rechtvaardige geworden;
  3. jullie hebben wel de wet ontvangen, van de engelen (of van de leiders), maar jullie hebben je er niet aan gehouden.
Kort samengevat worden de toehoorders beschuldigd van ‘sabotage’, van ‘moord met voorbedachte rade’ en van ‘bewuste wetsovertreding op alle fronten’.
Nee, inderdaad dit klinkt niet als een zendingspreek of evangelisatieboodschap! Dit is klinkklare juridische taal. Maar was Stefanus daarvoor opgeleid? In zekere zin wel, ja. Want lees Handelingen 6 : 10, waar staat: “En zij (die aanklagers die nu in de beklaagdenbank zitten) konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij (Stefanus de beklaagde) sprak.”

Waarom een rechtszaak?
En mocht je nu denken: ja maar Stefanus gaat er nu een rechtszaak van maken; daar is toch de prediking niet voor bedoeld?! Mag ik je dan toch even wijzen op het vervolg van dat hoofdstuk? Ze kregen geen voet tussen de deur bij Stefanus, waarna zij zelf juridische stappen ondernamen die resulteerden in deze spoedvergadering van het Sanhedrin! En – net zoals bij Jezus – wanneer ze geen steekhoudende bezwaren kunnen inbrengen, dan kiezen zij voor de leugen: “Toen maakten (kozen) zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God. En zij beroerden het volk, en de ouderlingen en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor den raad; en stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.”

De rollen worden omgedraaid
Het zijn de belagers van Stefanus die een juridische weg zijn ingeslagen. In elke zichzelf respecterende rechtsstaat mag de beklaagde zich met goede en ware feiten verdedigen. Maar… wanneer de waarheid dit vereist, mogen ook aan het licht gekomen feiten worden ingebracht die de zaak in een ander daglicht stellen en wellicht ten nadele van de aanklagers gaan fungeren. Mits dit maar te maken heeft met de aanklacht tegen de beklaagde. En was dat het geval in deze kwestie? Ja. Zij beklaagden Stefanus ervan dat hij de wet van Mozes terzijde schoof. Dat hij grove dingen had gezegd over de heilige tempel van God en daarmee dus blasfemie had gepleegd.
Wanneer nu blijkt dat juist zijn belagers van die feiten zijn te beschuldigen, dan is het Stefanus’ plicht om de rechter daarop te wijzen. Want ook hij mocht blasfemie niet ongestraft laten. Dan zou hij inderdaad de wet niet serieus nemen.
Stefanus neemt – na de vraag van de hogepriester of het allemaal klopt – een flinke aanloop en lijkt er aan het einde van zijn ‘preek’ met gestrekt been in te gaan. Hij veegt zijn eigen straatje niet schoon en beweert niet “ik heb niks gedaan” of “dat heb ik helemaal niet gezegd”. Hij laat alles staan zo het stond, maar hij neemt zijn aanklagers mee naar de context van zijn woorden. Die context was hun eigen hardnekkigheid, hun onbekeerlijkheid en zelfhandhaving, alsmede hun denigrerende manier van godsdienst bedrijven: anderen naar beneden trappen om zichzelf op een voetstuk te zetten.
De wet op punten aanpassen, zodat je er zelf goed mee wegkomt. Maar daar is Stefanus niet van. God nog veel minder! Als jij je vroomheid wil aanwenden als prestige, dan moet je Gods wet naar je eigen hand gaan omvormen. Want Gods wet laat geen ruimte voor snoeverijen en protserigheid. Chauvinisme waar Joden en Hollanders zo goed in zijn, is God een gruwel. Hij kiest een volk uit maar niet opdat het zichzelf op de borst zou gaan kloppen en zeggen: “Maar wij zijn het volk van God!” of “Maar wij zijn gelukkig nog zuiver in de leer!”

Hoe luidt de verdediging?
Terug naar de rechtszaal. Als de rollen zijn omgekeerd verwacht je nu een verdediging van de beklaagde aanklagers. Maar zij doen dat anders. Zijn kiezen de fysieke verdediging. En dat wordt Stefanus fataal. Maar daarmee geven ze ook de waarheid van Stefanus’ beschuldiging aan. Dit deed Stefanus niet. Hij koos voor het gesprek, het betoog in woorden. Hij heeft eigenlijk altijd de regie in handen gehouden.
We moeten overigen hierbij opmerken dat Stefanus nergens zichzelf heeft vrijgepleit. Hij name het enkel op voor de zaak van Christus. En dat is wel een dingetje tegenwoordig. Wij nemen het nogal gemakkelijk op voor onszelf. Maar zo is Stafanus niet. En zo werkt de Geest ook niet. Zelfs als er geschillen in de kerk ontstaan hebben we de zaak van Christus te zoeken. Voor Hem en voor Zijn Woord moet het worden opgenomen. En eigen identiteitshang of richtingenstrijd moet nergens om de hoek komen kijken.
Daarom vond ik de scheiding in 2004 (bij de vorming van de PKN) volgens die regel gaan en kon ik mij met eer en geweten voegen bij hen die niet konden meegaan met het eigengemaakte bouwwerk dat ontstond. Echter stond ik afwijzend tegenover voorgangers en gemeenten te midden van deze achterblijvers die hun gelijk bij de wereldlijk rechter gingen halen, waar het de legitimiteit van zichzelf en de illegaliteit van de PKN betrof. Hier kwam het eigen gelijk om de hoek kijken. Evenzeer keurde ik het af dat PKN-gemeenten hun broeders en zusters die niet mee konden probeerden met de rechter achter zich het kerkelijk leven onmogelijk te maken door opeens met een groep randkerkelijken en geboorteleden een nieuwe gemeente op te richten. Of waar het overgrote deel van een gemeente niet mee ging, men opeens een nieuwe gemeente begon, terwijl een groot deel van hen reeds was geperforeerd naar een buurgemeente, wegens liggingsproblemen. Strijd tussen broeders en zusters is meer dan eens gemengd met eigen belang.
Terwijl de aanklagers tegen Stefanus – mogelijk naar aanleiding van een ‘stichtelijk woord’ dat hij ergens sprak – aanvankelijk een discussie begonnen over woorden tegen de ‘wet’ en tegen de ‘tempel’, zette Stefanus in zijn verdediging direct in met het Verbond van God, Zijn trouw aan Zijn volk, Zijn barmhartigheid en de ondankbaarheid en wreveligheid die dat volk Hem daarvoor terug gaf. Dát moet je tegen de borst stuiten. Niet dat mensen regeltjes niet opvolgen, maar dat mensen Gods welmenend aanbod buiten de deur willen houden met vroom klinkende woorden.
Stefanus sloeg met een enorme knuppel in het voze godsdienstige hoenderhok van zijn belagers. Een stofwolk vertelde dat het inderdaad voos en leeg was. Er zat geen leven in, maar het was dode orthodoxie. Wanneer hij ze daarin klem heeft, stort hun wereld, die ze zo zorgvuldig hadden opgebouwd, in. Dat hebben ze gaandeweg de preek voelen aankomen, maar dit werd de nekslag voor hun godsdienst! En daarom reageren ze door hun oren dicht te stoppen! Ze worden uitzinnig van deze waarheid! Dit kost hun hun gezicht.

De toepassing voor nu
Het is fascinerend om in deze rechtszaal toeschouwer te zijn. Het is een zinderende wedstrijd tussen twee strijdende partijen. Fascinerend om te zien hoe Stefanus – en achter hem de Heilige Geest, de paracleet – de rollen omkeert. Aangrijpend om te zien hoe de aanklagers, in de beklaagdenbank gedrukt, opstaan en een moord begaan op een rechtvaardige. Het is zelfs angstaanjagend, als in een horrorfilm, hoe deze godsdienstige vromen regelrechte duivels worden omdat hun ego is geknakt.
Stefanus is – en ook dat is fascinerend – niet uit het veld geslagen. Hij is zelfs in staat om te bidden voor zijn moordenaars. Hij zegt er overigens niet bij dat ‘zij niet weten wat ze doen’, zoals Jezus bad. Hij roept slechts priesterlijk om vergeving!
Maar als we zo ons vergapen aan deze geschiedenis, lopen we het risico buiten spel te blijven. Expres neem ik iets meer ruimte om op deze teksten in te gaan. Kan ik, kun jij, zomaar onbewogen blijven onder deze beschuldigingen? Ga ik wel met al deze zaken zuiver om? Ik herhaal nog even de aanklachten:
  1. jullie werken de Heiligen Geest altijd weer tegen;
  2. jullie zijn verraders en moordenaars van de Rechtvaardige geworden;
  3. jullie hebben wel de wet ontvangen, van de engelen (of van de leiders), maar jullie hebben je er niet aan gehouden.
Zou het kunnen zijn dat ik de Heilige Geest tegenwerk? Bedroef? Uitblus? Dat doe ik, wanneer ik Gods welmenend aanbod zowel als Zijn corrigerende woorden naast me neerleg. Want als ik Hem niet serieus neem, blijf ik buiten spel, maar ook buiten Zijn helende en inspirerende inwoning!
Ben ik een verrader van de Jezus, de Rechtvaardige? Een moordenaar? Het is allereerst zo dat je gaat zien dat niet alleen de Joden toen, maar ook ik nu met mijn zonden Hem aan het kruis heb gehecht. En elke zondag van vandaag en morgen zet daar nog eens een streep onder. Ook al liet Hij zich gewillig offeren, het had niet nodige geweest, als ik niet gezondigd had! En als ik Hem vandaag of morgen vergeet, waardeer ik Zijn offer en gave niet op de juiste wijze. Dat is zonde! Misschien vind je ‘verrader’ en ‘moordenaar’ heftige woorden. Maar… welke woorden zou jij er dan voor kiezen? Kies je niet heel snel woorden die jezelf ietsje positiever in deze afschilderen? En doe je dan niet precies hetzelfde als die overpriesters?
Dat brengt me bij het derde: wel de wet ontvangen, maar je er niet aan houden. “Ja, maar een mens kan de wet niet houden”, of “we zijn allemaal zondaars”, of “maar Jezus is toch voor de zonden gestorven?” Er zijn psalmdichters die zingen over ‘hoe lief heb ik Uw wet’. Soms snap ik ze niet… wat is hun intentie? Die wet veroordeelt mij toch? Ja, dat is waar. Maar waar komt die wet vandaan? Wie gaf mij die wet? Is het God de Vader Zelf niet die naar mij toekwam met Zijn Woord en wet? Niet om er mij daarmee in totale radeloosheid te storten, maar om te zien hoe nodig ik Zijn Zoon dagelijks heb?! In die wet en in Zijn Woord, waarin die wet staat opgetekend, spreekt Hij met mij! De wet is niet een dood ding dat op zichzelf staat, maar komt tot leven door de Geest: “…want de letter doodt, maar de Geest maakt levend” (2 Kor. 3:6b). Paulus zet daar een paar dingen in scherp perspectief tot elkaar. Hij zegt: de wet die verdoemt had al een enorme heerlijkheid in zich; kijk maar naar Mozes die een enorme glans op zijn gezicht had gekregen toen hij die wet in ontvangst nam (vers 7). Moet je eens nagaan hoe groot de heerlijkheid zal zijn die de Heilige Geest met Zich meebrengt (vers 8-9) als Hij mensen rechtvaardigt!
Misschien zijn we dat evenwicht in de kerk van 2018 een beetje kwijt. Helt de een naar de wet en helt de ander naar het evangelie. Maar beiden hellen langs Gods gulden middenweg en missen de essentie van Gods bedoeling! De spanning is eruit, de zeggingskracht is weggeëbt en het christelijk geloof verwordt tot een futloze manier van leven in plaats van een zaak van leven en dood.
Engelen gaven ons als het ware het volledige Woord dat in balans is. Maar bezien we het nog zoals het bedoeld was? Of zijn we een product geworden van het denken van onze tijd? En zitten we ten diepste helemaal niet meer zo ver van die overpriesters af; misschien aan de andere kant van het spectrum maar toch? Tot zover de toepassing op Stefanus’ preek.

vrijdag 6 juli 2018

De tempel versus de hemel


Hoofdstuk 16
En Salomo bouwde Hem een huis.
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere,
of welke is de plaats Mijner ruste?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Handelingen 7 : 47-50
De laatste woorden van Stefanus’ preek zijn uiterst scherp en ontkenenen een dodelijke escalatie. Maar vlak daarvoor daalt hij nog even heel diep af naar Gods wezen en woning. Diepe woorden die wellicht een ander eind van de preek doen verwachten!
God krijgt een tempel
God wil bij mensen wonen, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Maar… er is tegelijk ook een grote afstand tussen de heilige God en de zondige mens. Dat laat onze houding niet altijd duidelijk zien, maar dat laat God wel duidelijk merken en bekendmaken! Dus…
Nog even een vers terug: Salomo mag die tempel van God gaan bouwen. Een huis – en niet langer een tent – van Go(u)d. De mensen rond Stefanus hebben er nog de mond vol van. Ja, het is waar, de tempel die er nu staat is niet die van Salomo. Er is gehuild door de oude teruggekeerde ballingen, die de oude tempel nog in zijn glorietijd hadden meegemaakt. Maar deze tempel mag er ook wezen. Weliswaar een dubieus geschenk van Herodes, maar toch.
Het lijkt wel of Stefanus daarover zwijgt en slechts de aandacht op Salomo wil vestigen: die bouwde voor God een tempel! Dat is het grote verschil met Herodes… die bouwde om politieke redenen een tempel, maar Salomo bouwde een tempel ‘voor God’! Zijn hart was erbij betrokken!

God heeft geen tempel nodig
Die tempel… daar was nu juist dat dispuut over ontstaan tussen Stefanus en die Libertijnen, Cyreneërs, Alexandrijnen en diegenen die uit Cilicië en Klein-Azië afkomstig waren (Hand. 6:9). En eerlijk is eerlijk… Stefanus draait er niet omheen. Hij ontwijkt het thema ‘tempel’ niet, door een dikke preek te houden, maar het gevoelige onderwerp te mijden.
Echter, hij laat zich niet verleiden tot een discussie over de emotie rond die tempel. Die zou overloos zijn. Maar over de intentie achter die emotie! Hij maakt daarom een ferme nuancering. Het is allemaal mooi, zo’n tempel. Maar dat heeft God helemaal niet nodig. Hij heeft geen glitter en glamour nodig om Zich te profileren, zoals de afgoden.
Wij mensen hebben reflecties nodig om zelf zichtbaar te worden. We moeten ons onderscheiden met onze kleding, onze prestaties, onze kennis, onze auto of ons huis. Noem maar op. Statussymbolen noemen we dat. Symbolen, tastbare dingen waaraan je je status (grootheid) ontleent. Maar God is zo anders!
Nu kun je denken: maar God wilde toch Zelf in een tabernakel wonen? Alles in die tabernakel blonk en schitterde. Je zag er iets in terug van Zijn hemelse heerlijkheid. Ja, dat is waar. Maar het gaat er ook niet om dat God wel of niet in een tempel kan wonen. Het gaat erom (lees eens goed de Kanttekeningen) dat God Zich niet laat opsluiten in onze bekrompen wereld. Alsof Hij gebonden is aan Zijn huis.

Geen snoeverijen
Jeremia, ver voor Stefanus, moest het volk aanzeggen dat zij niet prat moesten gaan op Gods aanwezigheid. Jeremia moest het volk eigenlijk om dezelfde reden wakker schudden, als dat in Samuëls tijd was, toen Hofni en Pinehas dachten dat, wanneer de ark maar in het leger was, God ook wel bij hen zou zijn en zij onoverwinnelijk voor de vijand zouden zijn. Niets is minder waar!
Jeremia riep: “Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!” Het volk bedreef ten diepste afgoderij met Gods huis. Ze zeiden: “Kijk, dit en dit en dit… zie je wel? Dat is allemaal het huis van de heilige God. Dus…” Ze kenden gewicht toe aan de zichtbare dingen en bouwden zo hun eigen gemaakte godsdienst op. Allemaal zicht- en tastbare dingen van God. Maar… God was eruit verdwenen!
Waak dus voor snoeverij binnen de kerk. Er is niets zo gevaarlijk als een valse gerustheid: “O, het komt allemaal wel goed”. Maar er is net zo veel gevaar in mensen die zwaar gewicht toekennen aan bijzaken in de kerk. Die hun godsdienstige status ontlenen aan zwaarwichtige dingen, maar die zijn ijdel zonder God!
Jeremia wees het volk keihard op hun hart: hoe staat je hart voor God? Je kunt bulken van vroomheid, maar als het is voor eigen imago dan is het doelloos!

Welke profeet zegt wat?
“Zoals de profeet zegt…” zegt Stefanus. Wie citeert hij? Hij lijkt te beginnen bij het gebed van Salomo, over wie hij daarnet zei: Salomo bouwde voor God een tempel. Toen die tempel klaar was, wijdde Salomo deze in met een enorm offerfeest.
Denk je eens in hoe het er in de stad moet hebben gestonken van dat verbrande vlees en dat vergoten bloed! Maar voor God was dat een heerlijk ruikend offer, want er zat een welmenend hart achter!
Salomo sloot deze plechtigheid af met een prachtig gebed (waaruit ook onze trouwtekst komt: “Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis”, 1 Kon. 8:29a) en bidt: “Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.” (2 Kron. 6:33).
Toch heeft Stefanus het niet over een koning, maar over een profeet. Weliswaar profeteert (verkondigt) Salomo hier, maar laten we kijken wat Stefanus citeert uit Jesaja: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?” (Jes. 66:1). God speelde de onschuld, alsof Hij niet wist waar Hij woonde. Maar volgens Stefanus had God ook gezegd: “Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?”
Dat klopt want ook Jesaja gaat verder namens God in vers 2: “Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE…” Als je denkt ‘ik ga God iets geven’ of ‘ik ga voor God iets presteren’, dan is steevast Zijn nuancering: “Ja, maar wat geef je Mij eigenlijk? Je geeft Mij toch gewoon iets van mijzelf terug? Denk nou niet dat jij iets groots presteert. Ik kijk niet naar je offer of je gave, maar naar je hart: hóe geef je?”

Het hart achter je daden
Het is in die zin opmerkelijk dat Stefanus de rest van dat tweede vers niet noemt: “…maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” En ik geloof niet dat ik teveel zeg als ik beweer dat die discussieerders deze tekst wel uit hun hoofd kenden en die tekst prima konden afmaken! God ziet je hart achter je daad!
Ook Jezus had iets gezegd over Gods woning: “Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods” (Matth. 5:34) en “En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.” (Matth. 23:22). Uit deze woorden van Jezus wordt duidelijk dat Hij Zich ergerde aan die lege en goedkope manier waarop zogenaamde vromen praatten over de hemel (en de hel)! Zweer er niet bij, als je niet beseft hóe betrouwbaar en heilig die plek en God Zelf zijn.
Dan kun je als vanzelf de vraag stellen: mag je dan wel zomaar zweren bij de tempel? Ik denk dat je dat wel kunt doorvertalen: als je niet werkelijk beseft hoe heilig Gods huis is, omdat Hij er woont, dan besef je niet wat je zegt. Dan staat dat vrome praten eigenlijk gelijk aan blasfemie en vloeken.

De hemel
Ook in deze zinnen van Stefanus’ preek moeten we constateren dat hij enorm veel tussen de regels zegt. De kracht van zijn preek zit misschien wel juist in de dingen die hij niet zegt, maar trefzeker bedoelt! Soms dacht ik: waarom zegt hij het niet onomwonden, zoals hij dat in de laatste woorden zal doen? Toch vermoed ik dat hij het met een reden deed. Tussen de regels stond de boodschap die een oprecht hart had verbroken, maar die een onoprecht hart verhardt!
Stefanus wist wie hij voor zich had. Hij wist dat hun kennis op topniveau was, al konden ze hem niet weerstaan vanwege “de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak” (Hand. 6:10). Hier staan niet twee mensen tegenover elkaar, maar hier staat satan grimmig en gemelijk tegenover God, Die hij maar niet kan verslaan! Als die mensen voor Stefanus misschien dan nog niet al het ‘tussen de regels verzwegene’ konden aanvullen, satan in ieder geval wel! Dit woord had deze mensen moeten verbreken, maar Stefanus werd hier gebruikt om opnieuw de satan de -veroordelen, als voorschot op de totale en eeuwige -verdoemenis.
Maar als Stefanus het over de hemel heeft is het tot slot toch wel goed om daarover ons beeld even scherp te stellen. Hoeveel preken horen wij over de hemel? Hoeveel boeken lezen wij daarover? En hoeveel tijd brengen wij in ons aardse bestaan door met de overdenking van de hemel? Of zijn we druk met dit aardse bestaan? Of hoe een mens nog eens zalig kan worden? Of wat Gods volk zegt over God en over de bekering van mensen? Of wat wij vinden van hoe een christelijke levensstijl eruit zou moeten zien? Zijn we misschien wel heel druk bezig met Jezus en Gods liefde en vriendschap? Zijn we druk met praisen, opwekking en rust in God te midden van een stressvol leven? Er is zoveel religiositeit in en rond de kerk, maar zijn we ook bezig met onze eind-bestemming?
Elke reiziger, zeker voorafgaand aan een vakantietrip, is bezig met de doelen die hij wil bereiken en de dingen die hij wil gaan bezichtigen. Het reisdoel is belangrijk omdat dat nauw verwant is aan de beleving die je wilt gaan ervaren. Dat gevoel trekt ons dus naar het doel. De indrukken, de sfeer en beelden die je wilt gaan opsnuiven zijn de kostbare herinneringen die je na afloop mee naar huis wilt nemen. Daar wil je dan op gaan teren. Die vergelijking gaat in zekere zin wat mank. Omdat de hemel niet een reisdoel is waar je tijdelijk wat indrukken wilt gaan opdoen om ze mee te nemen naar huis. De hemel ís je thuis. En als het je thuis is, dan is het nodig daar veel over na te denken. Wat trekt mij daar, of beter: Wie trekt mij daar? Waarom zou ik er willen zijn? Wat ga ik daar hebben, dat ik nu nog niet heb? Dat is verbonden aan ‘heimwee’ (wee naar heim, ofwel pijnlijk verlangen naar huis)!
Vervolgens is dat de plek waar Iemand is: de HEERE. Wij gaan daar Jezus zien, jawel. Maar het draaide in Zijn leven nooit om Hemzelf! Hij wilde mensen met Zijn Vader verzoenen. Als mensen zich dus blijven blindstaren op Jezus Christus en nooit eens goed gaan bedenken Wie God de Vader is voor hen, dan klopt er iets niet! Wij verlangen er niet naar Jezus, althans niet ‘alleen’ naar Jezus. Wij verlangen er naar onze Vader Die in de hemelen woont.
Wij gaan er zien hóe Hij is, hóe Hij in Zijn huis wordt gediend en aanbeden. We gaan meedoen met engelen en zaligen. En dan buigen we niet voor een hooggeplaatst Persoon, maar we buigen in liefde voor en intense verbondenheid met Gods Vaderhart. Zijn en ons hart zijn aan elkaar verbonden.
Kijk, het beeld van Jezus en Zijn bruid roept de associatie op dat God de Vader onze Schoonvader is. Dat is veel te veel afstandelijk. Daar gaat het bijbelse beeld van Christus en Zijn bruid dus mank. Ook het beeld van Vader en Zoon gaat wat mank, omdat we, voor we het weten, de Vader loskoppelen van de Zoon. Ze zijn een op een manier die we dán pas zullen bevatten. Dit krijgen we nu nog niet klein. En juist daarom is het zo nodig om niet stil te blijven staan (ook al mag je je dat best regelmatig in herinnering brengen, om je des te meer aan de HEERE te verbinden) bij het offer van Gods Zoon, maar verder te komen naar het doel van dat offer: Gods Vaderhart. Waar dat hart ‘klopt’ is de hemel. Waar we dicht bij Hem zijn, doen wij de diepste impressies op van de hemel. Hem verheerlijken (hoewel Hij al volmaakt heerlijk is) is het heerlijkste dat er bestaat. Maar dat vind je niet heerlijk, wanneer je het hier op aarde prima naar je zin hebt. Of wanneer je alleen maar kan praten over de Bijbel en de komma’s en de punten in delen van teksten. Dan schiet je enorm voorbij aan het echte doel van je bestaan. De hemel is je oorsprong: daar ben je bedacht en gecreëerd door God, ook al deed Hij dat fysiek in de baarmoeder van je moeder. De hemel is ook je bestemming. Daar klopt het hart van je Schepper, de Vader Die de minuten staat af te tellen tot je eindelijk thuis komt. Hij verlangt ernaar en dat verlangen zou wederkerig moeten zijn. Is het daarom teveel gevraagd om meer in de hemel te ‘wandelen’ (Fil. 3:20)?

donderdag 21 juni 2018

God wil bij mensen wonen


Hoofdstuk 15
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide,
dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Welken ook onze vaders ontvangen hebbende,
met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten,
die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen,
tot de dagen van David toe;
Dewelke voor God genade gevonden heeft,
en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
En Salomo bouwde Hem een huis.
Handelingen 7 : 44-47
O ja, Stefanus had lelijke dingen gezegd over de tempel. Stefanus?
Ze beschuldigden hem ervan, terwijl Jezus het had gezegd!
Bij verstek werd Jezus dus eigenlijk veroordeeld in Stefanus.
Maar… had Stefanus dan een hekel aan de tempel? Bijzonder is dat hij juist in zijn preek bijzondere aandacht heeft voor het huis van God.
Een paar jaar geleden bracht het bekende koor ‘Vox Jubilans’ uit Waddinxveen een bijzondere bewerking uit van Psalm 5. De bewerking was gemaakt door André van Vliet en geweldig getoonzet. De climax zat hem in het laatste vers, dat in de normale zetting van de psalm werd gezongen, maar in kracht opbouwend, zodat de rillingen je over de rug lopen bij de laatste regel:

’t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

Wonderlijk genoeg staand die woorden niet in de onberijmde tekst! Daar blijft God als het ware nog op afstand, maar in de berijming komt Hij zelfs bij Zijn volk wonen. En – misschien ligt het aan mij – dat aspect krijgt vooral een diepere dimensie bij de wederkomst. Dan zal God definitief bij Zijn volk wonen, op een manier die zelfs het Paradijs te boven gaat!

Huis van Go(u)d
Op de zondagsschool kon je vroeger punten sparen en die inleveren. In een van de hoogste klassen koos ik boekje met de titel ‘Huis van Go(u)d’. Op het omslag staat ook het woord ‘Welkom’… dat vond ik toen al bijzonder. Welkom in Gods huis! De titel was in goud gedrukt en de u van Goud was outline gemaakt, waardoor je dus zowel ‘God’ als ‘Goud’ kon lezen.
Het is inmiddels in heel wat talen vertaald en nog steeds te koop bij de Zakbijbelbond. Het boekje vertelt over de tempel en is mooi geïllustreerd: “De tabernakel, het heiligdom van het volk van Israël vóór de tempel, met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen, worden in woord en beeld gebracht en toegelicht in het licht van de Bijbel. Een prachtige brochure over de geestelijke betekenis van de tabernakel, voorzien van full colour foto’s van een model van de tabernakel, dat vervaardigd is door een goudsmid. Leerzaam en praktisch voor jong en oud. Kan ook uitstekend gebruikt worden voor evangelisatie.”
Juist bij deze tabernakel zet Stefanus in en laat zien dat God opdracht gaf tot het maken van een huis voor Hem. Hijzelf maakte daarvoor de ontwerptekening en de al eerder genoemde Bezaleël en Oholiab werden door God begiftigd met Zijn Geest en waren in staat dit kunstwerk te maken conform het ontwerp. God wilde wonen bij mensen en Hij maakte voor Zichzelf een huis, maar schakelde daar mensen bij in! Het hele volk wordt er zelfs bij betrokken door hun giften en praktische inzet!

God wil bij mensen wonen
Over dat mysterie gaat de kinderbijbel die we op dit moment met onze kinderen lezen: ‘God wil bij mensen wonen’. Een sterke titel met een bezondere vertelwijze.
Laat dat wonder eens op je inwerken. De heilige God die in de onbeschrijfelijk grootse en heerlijke hemel woont, gaat wonen in een kleine tent. Zeker, het blonk er enorm van goud en er was van alles te zien, dat iets vertelde over God Zelf. Maar het is toch in geen verhouding met de heerlijkheid die God in de hemel heeft?
Stefanus gaat weer in de wij-vorm verder: “De tabernakel was te midden van onze voorvaderen in de woestijn. Zo had God het geïnstrueerd aan Mozes, conform de afbeelding (werktekening) die Hij aan Mozes had laten zien op de berg. Onze voorvaderen hebben die tabernakel ook gekregen; wat een wonder! En Jozua bracht die tabernakel mee in het land dat voorheen door heidenen werd bewoond. Die werden verdreven door God en Hij gaf dat land in ‘betere handen’ zo leek het: de handen van onze voorvaderen!”
Ik interpreteer de toonzetting van Stefanus een beetje, maar dat is wel zo’n beetje de strekking van zijn woorden! Die heidenen met hun eigengemaakte goden werden uit de weg geruimd en God wilde er een beter land van maken, door er Zijn volk in de laten wonen. Zijn volk zou toch een betere godsdienst moeten kennen, nietwaar? Stefanus maakt geen toepassing op zijn woorden. Ik vermoed dat hij die toepassing overlaat aan zijn luisteraars die slim genoeg waren.
Hij slaat ook de hele periode van de richters over; zelfs Saul wordt niet genoemd. Een boekwerk vol met zwarte bladzijden. Nee, hij steekt in een keer door naar David, de man naar Gods hart. Die kreeg er zin in om een huis voor God te bouwen.
Zelf woonde hij in een prachtig paleis. Hij was een herders jongen geweest en was niet veel luxe gewend. Hij was aan het hof gekomen bij Saul; daar was waarschijnlijk meer luxe. Hij was opgetrokken met Jonathan, een boerenzoon die vroeger op de boerderij in Gibea ook niet veel goud en glitter gewend was. Maar beide jongens waren godvrezend en ze wisten dat de tabernakel er nog steeds was, bij Samuël.
Die tent kenden ze, al zal die er waarschijnlijk niet meer zo hebben uitgezien als die eerste. De algemene mening is dat er inmiddels een ‘tijdelijk houten gebouwtje’ was met de entourage van de tabernakel. Dat gebouwtje kon ook gemakkelijk worden afgebroken en verplaatst; daarom vinden we dat heiligdom nu eens in Gilgal, dan weer in Silo, in Nob en vervolgens in Gibeon. Dat was enige jaren geleden voor mij wel een verrassing; ik had er nooit zo bij stilgestaan. Ik geef graag een fragment weer van christipedia.nl hierover:

Sinds Saul al de bewoners van de priester-stad Nob (1 Sam. 22: 19) liet ombrengen, verliezen wij het vaste spoor van het vervoerbare heiligdom uit het oog. Wel bericht de Kroniekschrijver dat het te Gibeon gestaan heeft, totdat de tempel van Salomo gereed was en dat Salomo en het volk aldaar plachten te offeren op het door Bezaleël vervaardigde, koperen Brandofferaltaar (2 Kron. 1:3-6, 13;
1 Kron. 21: 29).
Onder Eli, Samuël, David en Salomo zijn Tabernakel en Ark gescheiden geweest, misschien als teken van het ongenoegen van de Heer daarover, dat het volk van het Verbond niet leefde naar Zijn Wet.
David bracht de Ark in de stad van David “op haar plaats”, in het binnenste van de tent, welke hij daartoe had opgeslagen
(2 Sam. 6:17): “Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers. (HSV)
Bedoeld wordt zonder twijfel een andere tent dan de Mozaïsche Tabernakel; de handeling van David is alleen goed te begrijpen, wanneer de Mozaïsche Tabernakel destijds niet meer bestond. Deze Davidische hut bedoelde de koning toen hij tot Nathan sprak hetgeen wij lezen in 2 Sam. 7: 2; zij komt sedertdien herhaaldelijk in de geschiedenis voor (zie 2 Sam. 15: 25; 1 Kon. 1:39; 2: 28v; vgl . 1:50vv.; 3: 15) en werd later met haar toebehoren en met de Bondsark uit de stad Davids in de tempel van Salomo gebracht en daar bewaard. Ook de Kroniekschrijver maakt meermalen melding van deze Davidische Tabernakel (1 Kron. 16: 1; 6: 32; 9: 21; 23:32; 2 Kron. 5: 5). Een nadere omschrijving hebben wij van Davids tabernakel niet. Toch verdienen enkele -bijzonderheden de aandacht.
Vooreerst, dat David in 2 Sam. 7: 2 van zijn tent dezelfde uitdrukking bezigt, waarmede in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de afzonderlijk tapijten aangeduid worden (Statenvert, gordijnen); ten tweede, dat in het woord van God tot Nathan, 2 Sam. 7:6, de Godswoning met twee woorden (tent en woning) aangeduid wordt, welke in de beschrijving van de Mozaïsche Tabernakel de gewone uitdrukkingen zijn voor het geitenharen en het byssus-dekkleed (alleen of met inbegrip van het houten getimmerte), evenals zij ook in Ps. 78:60 van het heiligdom te Silo gebruikt worden. Ten derde zij herinnerd, dat Nathan geen onderscheid maakt tussen de Davidische en de Mozaïsche tent. Men kan uit een en ander afleiden, dat beide grote overeenkomst met elkaar zullen gehad hebben, te meer daar David zijn tent niet inrichtte volgens eigen goeddunken maar volgens de overgeleverde traditie. Hij zal ze ook wel rijk versierd hebben, waarmede 2 Sam. 7: 2 niet in tegenspraak is.
Toen Salomo’s tempel voltooid was, kregen de overblijfsels van de tabernakel een plaats in één van de zijvertrekken van de tempel (1 Kon. 8 :4, 2 Kron. 5 :5).
De door Mozes opgerichte tabernakel was eenvoudiger dan de door Salomo -gebouwde tempel, die Gods tentwoning als heiligdom verving. De tempel week op allerlei punten van de Tabernakel af.

De toekomst
Het is vooral de profeet Ezechiël die iets heeft geschreven over Gods aanwezigheid in de toekomst. Die aanwezigheid wordt ook ‘tabernakel’ genoemd, zeg maar Zijn woning of aanwezigheid bij de mensen. Israël zal weer in het Beloofde Land worden verenigd tot één volk, onder één Herder (de grote Zoon van David) en Gods tabernakel zal voor altijd bij hen zijn (hoor je daar diezelfde woorden uit Psalm 5 weer terug? Zou de berijmer dit in gedachten hebben gehad?
“Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid. Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.
(Ezechiël 37 : 26-28, HSV)
In Hebreeën 8 en 9 gaat het ook over de tabernakel als beeld van de hemel. Dat was de plek waar Christus binnenging met Zijn Eigen bloed. Het is juist deze tabernakel waarin Stefanus zo meteen een inblik krijgt. Even schoof God het voorhangsel van het Heilige der Heilige weg en zag Stefanus de troon van God. Niet de ark waarop God op aarde woonde, maar de hemelse troon van God.

Slotopmerking
David wilde een blijvend huis voor God maken, maar hij mocht dat niet. Zijn zoon, de vrede-koning, mocht dat wel. En toch gaat Stefanus in het volgende gedeelte in op het feit dat God niet gebonden is aan een plek, waar Hij zou wonen. De eerste tabernakel was 30 el lang en 10 el breed, maar Salomo bouwde een tempel die tweemaal zo groot was: 60 el bij 20 el! En nog was dat voor God maar een klein hutje (het woord hebreeuwse tabernakel kan ook worden vertaald met hut). Niettemin moet je je erover verwonderen dat God tóch bij mensen wil wonen. Als we daarvan meer doordrongen zouden zijn en ook leven in het besef dat Hij bij ons woont, dan zouden we ook een intenser en dieper leven kennen. Dan zijn we ons ook meer bewust dat Hij erbij is in onze zorgen en ellende. Maar ook in de gesteggel in de kerk en het gediscussieer over details die niet relevant zijn. Het gekke is: hoewel we geen tabernakel meer kennen, toch ís Hij bij ons. Waar twee of drie in Zijn Naam bij elkaar zijn, ís Hij er ook! Elke kerkdienst en elke bijbelstudieavond. Ja zelfs in onze binnenkamer. Hoe relevant is dit besef in onze gemeenten en ons persoonlijk leven? Juist met het zinderende verlangen naar Zijn eeuwigblijvende aanwezigheid?

maandag 18 juni 2018

Kunstenaar versus kunstenaar


Hoofdstuk 14
En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden,
gelijk geschreven is in het boek der profeten:
Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd,
veertig jaren in de woestijn, gij huis Israëls?
Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch,
en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen,
die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden;
en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn,
gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide,
dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Handelingen 7 : 42-44
Je eigengemaakte beeld aanbidden heeft iets aandoenlijks, zo zagen we in het vorige hoofdstuk. Het sterrenstelsel aanbidden, dat niet door jou is gemaakt, is nog wel wat anders! Het heelal heeft altijd al een -bijzondere aantrekkingskracht op mensen. Het is door God gemaakt… en toch vindt God die eigenzinnige godsdienst complete afgoderij!
Fake godsdienst
Wat hebben de Israëlieten die veertig jaar in de woestijn gedaan? Ik had er als kind toch altijd het beeld bij van: moeizaam door het zand sjokken, voor straf. Ook dacht ik dat het volk netjes de offerdienst uitvoeren die God had geboden aan Mozes. Maar hoe schokkend is het om te lezen dat God een vraag stelt: “Hebben jullie ook slachtoffers en allerlei opoffering aan Mij gebracht?” Alsof Hij wilde zeggen: “Heb je ooit wel eens wat laten zien aan Mij dat op -gehoorzaamheid leek? Praat me er niet van! Nooit!” Dat is toch wel een harde boodschap voor het volk. De vraag is: zegt Stefanus dit, doordat hij de historie zelf inkleurt, of omdat de Heilige Geest dit zegt? Dan zou dat dus terug te vinden moeten zijn in het Oude Testament.
Het zijn de onthutsende woorden aan het einde van Psalm 95: “Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!” Om zo maar één voorbeeld te noemen. Maar Stefanus spreekt niet over de Psalmen, maar over de Profeten! Eigenlijk legt hij hier een link naar Amos 5 : 21-23, waar Amos in een even venijnige woordenstroom moet zeggen namens de HEERE: “Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken. Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luiten spel niet horen.”
En die woorden kende de luisteraars van Stefanus. Dat waren vervelende woorden. Want je kunt wel zeggen dat dat allemaal vroeger is gebeurd en dat jij daar geen deel aan hebt. Maar zo denkt een Jood niet. Hij is één met zijn volk en één met zijn historie. Dit soort vervelende situaties zijn een zwarte bladzijde in het boek van toen én van vandaag!
Dat Stefanus juist dit element aanhaalt in zijn preek, steekt zijn hoorders. Want ze voelen perfect aan hoe hij dat bedoelt. Meer nog dan wij, vermoed ik. Want let er maar eens op dat hij hier niet spreekt in de wij-vorm, maar in de zij-vorm: “En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden…” Hij doet dus, alsof hij er ook even niet bijhoort en alsof het ook niet over zijn luisteraars gaat. Zou daar misschien juist de angel voor hen zitten? Luisterden zij tussen de regels?

Afgodendienst
Kijk, als je niet beter weet en je nooit anders gewend bent geweest, is het niet zo vreemd wanner je afgoden dient. Wie God nooit heeft gekend of persoonlijk ontmoet, weet niet beter. Als je opgroeit in een dorp of stam waar Moloch, of Remfan, wordt aanbeden, denk je dat dat allemaal klopt; je denkt zelfs dat jij de juiste god aanbidt!
Maar toen ik als kind een bijbelverhaal hoorde over het volk Israël dat de afgoden ging dienen, vond ik dat raar. Het zal het verhaal van Jerobeam zijn geweest, die zijn volk verbood naar Jeruzalem te gaan en gebood om God slechts in Dan en Bethel te dienen bij de gouden kalveren! Toen dacht ik: dat is raar! Al die mensen hebben God, de God van Abraham, Izak en Jacob, gekend en gediend en nu opeens komt er een koning die zegt dat die gouden kalveren God zijn.
Of die keer dat het verhaal ging over Achab die het volk verbood in de God van het Verbond te geloven en gebood om Baäl te dienen. Een god van vreemde volken, vijanden van Israël zelfs! Opeens moest het volk allemaal vergeten Wie God was en doen alsof… ja doen alsof Baäl nu God was. Ik snapte niet dat je nooit meer aan God dacht en dat je nooit eens dacht: “Wat doe ik eigenlijk? Wat doen we met zijn allen? Dit is toch allemaal nep?” Die mensen keken toch naar dat beeld van Baäl? Die wisten toch wel dat dat beeld nooit bewoog en nooit van zijn plek kwam? Die wisten toch gewoon dat het allemaal nep was?
Of, andere verhalen, die priesters of medicijnmannen of druïden van heidenstammen. Die zijn toch op een keer begonnen met die vreemde godsdienst? Want als je helemaal teruggaat in de tijd kom je bij Noach en zijn zonen, die allen precies wisten Wie God was. Ooit is er dus iemand begonnen om wat anders te gaan doen en geloven! Dat snapte ik dus als kind al niet. En ik vond het zo gaaf aan God dat Hij er al van eeuwigheid was! Al leverde mij dat weer andere vragen en raadsels op, waar ik niet zomaar een antwoord op wist. Dat wel. Maar toch…

Wie zijn die afgoden?
Stefanus heeft het over Moloch en Remfan. Of eigenlijk over ‘het gesternte van uw god Remfan’. God is in gesprek met Zijn volk en praat in de jij- en jullie-vorm: ‘uw god’, ‘die gij gemaakt heb’ en ‘die gij opgenomen hebt’. Misschien ben je nieuwsgierig wie die goden zijn. Op internet vind je tal van artikelen over wie die goden zijn en ik waag me daar toch niet aan. De schrijvers spreken elkaar nogal tegen en… het leidt ons af van de boodschap. Moloch komen we in de Bijbel tegen. Men beweert dat hij als een kalf-mens wordt afgebeeld. Dat element ‘kalf’ moet je goed onthouden. Vaak vertelt men dat het een groot beeld van koper was, met een enorme oven erin. Een beeld met uitgestoken armen waarin kinderen werden gelegd. En de priesters roffelden dan keihard op hun trommels om de ouders niet te laten horen hoe de kinderen krijsend verbrandden.
Remfan wordt hier eigenlijk genoemd als ‘het gesternte van Remfan’. Hoewel daar dus een beeld stond dat mensen hadden gemaakt, symboliseerde dat beeld iets van de zon. In die twee goden zelfs zou de zon worden aanbeden als een alles-verzengende oven. Het zou kunnen.
Ook kom ik op internet een aantal sites tegen die over symbolen schrijven. Met name christelijke symbolen die wij nu nog kennen en ‘aanbidden’. Bijvoorbeeld het kruis en de vis (ichthus), maar ook hebben wij speciale gevoelens bij de hexagon, de zogenaamde Davidsster. Sommige overgeestelijke evangelischen en ‘orthodoxen’ waarschuwen ons om zulke symbolen met een heidense origine te gebruiken. Het kruis is volgens hen niet een positief teken, maar het tegenovergestelde van het geloof. Het is het teken van de vloek! En de vis is een verwijzing naar de vis-god Dagon, die iets te maken zou hebben met Nimrod, de bouwer van Babel (Babylon). En dat is in het verband van onze tekst wel interessant. Ook de Davidsster is een occult teken. Maar toch… de HEERE leert ons niet in de symbolen te roemen, maar in de betekende zaak! Wij roemen niet in brood of wijn, maar wij heffen onze harten in de hemel om Hem te aanbidden Die in deze tekenen ons nabijkomt en laat zien en proeven Wie Hij is, Wie Zijn Zoon is en wat Hij voor ons heeft gedaan. We blijven dus niet hangen in symbolen, maar steken af naar de diepte: de betekende, eigenlijke, zaak!

Wat zijn die afgoden?
Toch noemt Stefanus deze goden om er iets mee te zeggen. Wat zijn die goden? Al de goden van de heidenen zijn ijdelheid, zingt Psalm 96:

Al d’ afgoon zijn slechts ijdelheden,
Maar God, Die van ons wordt beleden,
Is ‘t, Die de heemlen heeft gesticht
En voor Zijn Goddlijk Aangezicht,
Zet eer met majesteit haar treden.

Dat zegt de HEERE om Zijn volk gerust te stellen. Naast dat het de waarheid is, steekt Hij hen een hart onder de riem door hen te laten zien dat die goden helemaal niets kunnen doen! Wees maar gerust, ze stellen niets voor. Ze zijn van hout gemaakt, mooi versierd met goud, zilver en gekleurde stenen en verfstoffen. Maar iemand heeft ze ooit zelf bedacht, ontworpen en -gemaakt! God noemt ze in de tekst een afbeelding die jullie hebben gemaakt om te aanbidden. Men wilde iets tastbaars van God hebben. Daarom hebben ze kunstig ontworpen beelden gemaakt naar een eigen interpretatie, afbeelding en ontwerp.
Een vers verder gaat het over de tabernakel die Mozes moest laten maken. Ook daar noemt de HEERE een ‘ontwerp’; dat was de afbeelding die God liet zien aan Mozes, op de berg Sinaï. God maakte een werktekening: kijk zo moet je het laten maken. En Ik heb twee mannen met Mijn Heilige Geest vervuld; die kunnen dat precies zo uitvoeren: Bezaleël en Oholiab waren door God Zelf uitgekozen als uitvoerders. En zij hebben het ook keurig en perfect uitgevoerd. Mij lukt dat nooit, iets natekenen, precies volgens het voorbeeld. Mijn vrouw kan dat altijd wel heel goed. Bij mij wringt het meestal. Ik teken liever iets zelf uit mijn hoofd, zonder voorbeeld. Maar deze twee mannen maakten het dus wel precies zo, zoals God het bedoeld had! En God was er blij mee, want Hij liet merken dat Hij er Zelf in wilde wonen. Dus was het goed!

Kunstenaar versus kunstenaar
De HEERE stelt Zich dus als Kunstenaar tegenover die kunstenaars die die afgodsbeelden zelf hadden gemaakt. Hij is de grote Kunstenaar Die de hemel en de aarde heeft geschapen. Hij liet een tabernakel bouwen, maar nergens was een afbeelding van Hemzelf te zien!
Als iemand een portret van jou maakt dan ben je benieuwd hoe het is geworden. Klopt het schilderij of de tekening met het beeld dat jij van jezelf hebt? Lijkt het? Vaak valt het tegen, maar dat ligt niet altijd aan de kunstenaar.
Echter, nu gingen die menselijke, -heidense, -kunstenaars wel een beeld van God maken. God heeft gezien wat ze ervan gemaakt hadden. Wat ze accentueerden aan Hem of juist weg lieten. Wat ze scheef trokken of opblaasden. Zeker weten dat God Zich nooit heeft herkend in die beelden die er van Hem zijn gemaakt.
Is dat trouwens ook niet een puntje van aandacht bij het beeld dat wij verbaal van Hem maken? Zijn wij in staat een volledig en volmaakt beeld van Hem met woorden te schetsen? Schiet dat niet altijd tekort? Is Hij in woorden te vangen? Zou het kunnen zijn dat de HEERE Zich ook niet herkent in het beeld dat wij, dat predikers, leraars en ouders, van Hem maken? Moet Hij zeggen: “Dat beeld dat jij van Mij maakt is maar een eigengemaakt ontwerp en niet de werkelijkheid van Wie Ik ben! Je bent een eigengeschapen karikatuur van Mij aan het aanbidden! Maar Mij heb je geen offer en geen opoffering gegeven!”
Misschien is het geen Moloch- of Remfanbeeld, maar aanbid je een of andere oudvader, een theoloog, een voorganger of een ander ‘voorbeeldfiguur’.

Karikatuur en oordeel
God dreigt met een nieuwe ballingschap ‘op gene zijde van Babylonië’. De andere kant van Babel? De kant van de grote hoer uit Openbaringen? Het kamp van satan? Definitief? Ja, dat is het risico dat je loopt als je niet genoeg hebt aan het beeld dat God Zelf heeft uitgetekend in Zijn Woord en vooral in Zijn Zoon, daar aan het kruis!
Er komt een einde aan Gods geduld. De Geest bedroeven doet Hem terugtrekken. De Geest uitblussen doet Hem verdwijnen en naar elders vertrekken. Naar Noord-Korea, naar Kenia, naar Saoedi-Arabië, naar Ghana, naar China naar Afghanistan of naar Somalië. Dwars door de vervolgingen van Al-Shabaab, een of andere overheid, Kim Jong-un, Taliban of IS. Wie zal het zeggen? Welke kunstenaar volg jij?

woensdag 13 juni 2018

Afgoderij heeft iets zieligs


Hoofdstuk 13

Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte; zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want
wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is. En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
Handelingen 7 : 38-41
Afgoderij heeft iets zieligs, zoals Stefanus het op een haast conference-achtige manier beschrijft. Zoals John Piper eens zei tijdens zijn speech ‘Don’t waste your time’, over mensen en hun American Dream, die een leven lang druk waren met hun schelpenverzameling en op de Jongste Dag tegen de grote Schepper van het heelal zeiden: “Here it is, Lord, my shell collection. Look, Lord, my shell collection.” Aandoenlijk bijna!
Holle godsdienst
Stefanus blijft nog even bij Mozes stilstaan, maar eigenlijk schildert hij iets uit dat met het volk te maken heeft. Iets vervelends, wat ze liever niet meer hoorden. Hij haalt geen oude koeien uit de sloot, trouwens. Want zonden die bedekt zijn moeten we niet meer boven tafel trekken. Zo gaat God er ook niet mee om. Maar hier herhaalt zich de geschiedenis. Daarom snijdt Stefanus deze oude wond, met die open zenuw, weer open. Maar… we hebben hier toch niet te maken met een gouden kalf op zo iets? Maakt Stefanus niet een karikatuur van de hele situatie? Is hij wel fair bezig?
Hij gebruikt de geschiedenis van het gouden kalf – hoe merkwaardig is het dat juist dit symbool als prijs voor de beste film wordt gebruikt! – om iets aan te tonen in het handelen van het Joodse volk ten opzicht van … hemzelf? Nee, ten opzichte van Jezus! Hij neemt zijn luisteraars mee, bij de buitenkant van hun godsdienst vandaan, naar de binnenkant. De holle binnenkant. Ze volgen Gods geboden, maar hoe? Is dat voor ons misschien op voorhand al een les?

Ongehoorzaamheid
Wie was Mozes? In het voorgaande heeft hij Mozes uitgeschilderd als een profeet. Een speciale profeet zelfs. Want, zegt hij nu in vers 38, deze Mozes was in gesprek met de Engel des HEEREN (let op dat hij het hier niet heeft over ‘God’ in het -algemeen, maar over ‘God de Zoon’!).
Het volk had tegen Mozes gezegd dat die maar met God moest praten, want zij konden de aanwezigheid van God niet verdragen. Ze werden er doodsbang van. Onthoudt dat element: bang voor God!
Je zou dus verwachten dat het volk ontzag liet merken voor Mozes. Hij had wel eerbied voor God, maar was niet bang. Hij durfde bij God te zijn, zelfs veertig dagen lang! Terwijl zij met een paar minuten al niet meer wisten waar ze blijven moesten. Zij hebben dus heel duidelijk gevoeld (!) dat ze voor God niet konden bestaan. Van zo’n houding mag je toch goede vruchten verwachten? Wordt zo’n houding in onze kringen ook niet erg aangeprezen en bewierookt?
Wat zich daar op die berg Sinaï heeft afgespeeld wist het volk niet. Maar Mozes kwam wel met twee bewijsstukken naar beneden: de Stenen Tafelen, de platte stenen van het Verbond, zoals deze uitdrukking in de Basisbijbel wordt vertaald. Het woord ‘lu-ach’ betekent plank, tableau of plaat. Deze stenen waren niet zo groot als een grafzerk, want dan kon Mozes ze niet helemaal meenemen naar beneden. Waren ook geen grote granieten billboards met een heel verhaal erop. Het waren twee platte stenen, die draagbaar waren, en waarop aan de voor- en de achterkant Tien Woorden stonden gekerfd. Tweemaal dezelfde woorden: een kopie dus. Schilderijen en afbeeldingen van Mozes met twee enorme zerken met gebod 1-4 op de ene en 5-10 op de andere steen zijn puur fictie.

Contrast
Wel, die stenen waren dus ook de bewijsstukken dat Mozes daar iets met God had gecommuniceerd; of eigenlijk: dat God iets concreet had opgedragen aan Mozes. Hij kwam daar niet naar beneden van een gezellig onderonsje, maar met een missie!
Hoe groot is dan het contrast, wanneer je Mozes met die heilige opdracht van de grote en barmhartige God van het Verbond (God de Zoon Zelf, die later díe Profeet zou worden, waarover Mozes zou spreken!) de berg ziet afkomen en beneden die janboel rondom dat gouden kalf ziet! Het is alsof je na een indringende en bewogen preek, de kerk uitloopt en keihard de radio aanzet met deathmetal- of hardcoremuziek. Het zout van de tranen nog op je wangen, maar je ogen klappen dicht en je headbangt op de satanische cadans van de beat.
Het is dit mega-contrast waarover Mozes zo fulmineert en woest de zo heilige stenen neersmijt in het dal. Ze barsten uiteen, maar het blust de toorn in Mozes niet. Er moet meer gebeuren. Ook Mozes vormt een contrast in zich. Zijn toorn explodeert tegen een heel volk. Heb je je wel eens afgevraagd waarom zo’n massa van duizenden mensen zo onder de indruk is van die ene man die daar dwars door hun feestje komt stuiven?
Nee, zijn gezicht glansde niet, zoals dat later wel gebeurde toen Mozes opnieuw op de berg bij God was en opnieuw twee stenen met de Tien Woorden kreeg. Nee, deze eerste keer is er aan Mozes niet zo iets te zien. Maar stiekum denk ik wel dat Stefanus deze geschiedenis als een hint gebruikt naar zijn eigen glanzende gezicht, dat ze nog maar enkele minuten geleden hebben kunnen zien!

Aversie
Ongehoorzaamheid is een naar woord. Maar dekt dat de lading van wat Israël hier onderaan de Sinaï deed? Is daarmee gezegd wát hun intentie was? Nee. Daarom zet Stefanus resoluut het mes in deze stinkende wond! “Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte…” Ze waren niet maar was wereldgelijkvormigheid aan het plegen. Ze kantten zich tegen Mozes (en daarmee tegen God Zelf) en verlangden weer terug naar Egypte (en uitten dus een aversie tegen Gods Beloofde Land)! En dat is desastreus!
Daarbij is het dus aandoenlijk om te zien dat ze hun goud bij Aäron komen brengen en dat hij er een beeld van gaat maken van een afgod die hij zich nog herinnert uit Egypte. Een stoer stierkalf.
Zo dan, daar heb je je god die lekker voor je uit gaat. Al hadden ze honderd jaar gewacht, dat kalf was nooit van zijn plek gekomen. Ze hadden het nota bene zelf in elkaar gesmolten. En kijk eens… ze vallen voor het beeld neer en dansen er als een stel bezetenen rond.
Zielig
Jeremia steekt er in hoofdstuk 10 al de gek mee – hoewel zijn profetie vooral bedoeld is als troost voor Gods volk dat wordt aangevallen – als hij kijkt naar wat de heidenen allemaal bedenken om maar niet in de HEERE te geloven. Ze zijn niet alleen van God los, maar ze willen dat ook koste wat het kost blijven. Daarom vullen ze die leegte zo krampachtig gedreven in met afgoderij: “Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan […] In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden. Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning […] Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.”
En hij zegt eigenlijk ongeveer hetzelfde als Jesaja in hoofdstuk 40 deed: “Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen? De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe. Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele. Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?”

En ook Daniël moet names God iets dergelijks zeggen tegen Belsazar, wanneer hij uitlegt wat er met die woorden ‘mene, mene, tekel, upharsin’ op de muur wordt bedoeld: “…de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.”

Stefanus vat de geschiedenis met het gouden kalf als volgt samen: “En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.”

Wie is hier nu God?
Sprak hij eerst in de dagtekst nog over ‘onze vaderen’, nu zegt hij allen ‘zij maakten’, ‘zij brachten offers’ en ‘zij verheugden zich in het werk van hun handen’. Die cynische toon moet het volk niet zijn ontgaan. Het doet aandoenlijk aan. “Kijk dan, ze hakken, smeden en versieren een beeld alsof het een cupcake is! En dat selfmade ding zetten ze neer, gaan er in een kringetje omheen staan (er gebeurt niets) en opeens, als bij toverslag, is het het een god. Een machtig god nog wel, die voorop gaat en de hele meute loopt er achteraan richting … ja, richting Egypte zou je denken. Naar huis. Toch?
Gek genoeg maken ze nog geen aanstalten om op reis naar huis te gaan. Ze blijven daar onderaan die berg hangen. Het gaat niet erg hard met die god voorop. Of is het de levende God Die hen bij deze plek houdt, om ze te laten zien Wie Hij werkelijk is? Dat wordt geen fijne les, maar wel een heel leerzame. Hoe smaakt water moet goudpoeder? Dat is nog gevaarlijk ook! Inwendige besmetting. Metaaldeeltjes in je buik en vaten. Een langszame maar gestadige dood vermoedelijk. Niemand heeft het overleefd. Sterker nog, er waren er die diezelfde dag nog door de stam van Levi zijn gedood! Kon dat gouden kalf dat allemaal niet verhinderen? Flikkerde er geen bliksem uit de egyptische goden-hemel toen Mozes dat gouden kalf aan poeier sloeg? Nee, het bleef ademloos stil. En opnieuw is er tussen die duizenden niemand die Mozes een halt toe roept. Wie is hier nu God?
Een predikant zei eens: dat gouden kalf was geen afgod, maar de zichtbaar -gemaakte vertoning van God. Men had moeite met een onzichtbare God. En hoe actueel is dat? Maar mag God nog zijn zoals Hij wil zijn? Maakt dat eigenlijk iets uit? Moet Hij passen in ons voorstellingsvermogen? Of kan Hij even goed God zijn, als Hij onzichtbaar is? Het lijkt er in deze geschiedenis op dat ze Mozes als de belichaming van God zagen. Toen de zichtbare Mozes weg bleef waren ze God kwijt. Zit daar niet een lijn in die we vandaag de dag terugzien in de kerk? Zijn ook vandaag niet heel veel rechtzinnige mensen ‘godsdienstig’ bezig met een zichtbare God in ‘houdingen’, in ‘staten’, in  ‘ervaringen’, in ‘predikers’, in ‘oudvaders’, in ‘klanken’ en ‘tale Kanaäns’. “Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. […] Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.” Wat een God. De levende God! Onze God!