maandag 15 januari 2018

Saul vergaloppeert zich

De zwager van de nieuwe koning - II

Derhalve sprak Saul tot zijn zoon Jónathan en tot al zijn knechten om David te doden. Doch Jónathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David.
1 Samuël 19 : 1


Saul is zó gefocused op David en zoekt zo koortsachtig naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen – zonder zijn vingers te branden – dat hij in onze tekst zich vergaloppeert. Voor wie niet precies weet wat dat woord betekent: “zich voorbijlopen, zich overijlen; een misslag begaan uit onbezonnenheid of door te grote drift”. Omdat het niet op een gemakkelijke manier lukt om David uit de weg te ruimen, zie je hem een steeds gevaarlijker pad bewadelen. Hij neemt steeds grotere risico’s die als uitgangspunt hebben dat hijzelf buiten schot blijft, omdat hij bang is voor God, Die met David is.

Daarbij schakelt hij anderen in die het vuile werk gaan doen. Eerst de heidense Filistijnen, maar nu zijn knechten en zelfs zijn zoon Jonathan! Mocht Gods toorn losbranden, dan zal die in ieder geval niet Saul treffen, zo denkt hij. Maar hij is een slecht strateeg, want hij neemt juist Davids beste vriend in vertrouwen en mengt hem in zijn geheime plan. Blijkbaar heeft Saul deze vriendschap niet opgemerkt of is hij zich die even niet meer bewust (hoewel sommige verklaarders dat zeggen, lijkt me dat toch niet waarschijnlijk!). Blijkbaar heeft Jonathan die vriendschap dus ook stilgehouden. Voorvoelde hij al iets? Jonathan wist daarentegen wel dat Michal van David hield en leidde hij dus een dubbelleven?
Hij reageert niet, als zijn vader dit moordplan bedenkt! Hij gaat er niet vóór staan, en zegt niet: “Vader, dat kunt u niet maken. David is uw schoonzoon! U behoort hem dus juist te beschermen! En wat heeft hij niet allemaal voor goeds voor ons en ons volk gedaan?”

Waarom spelen sommige mensen het spel mee? Zijn ze altijd verkeerd? Zijn ze altijd bang voor hun hachje? Of spelen ze undercover zodat ze zo lang mogelijk ‘meedeinen’ om zoveel mogelijk onheil in één klap te kunnen voorkomen? Is hun motivatie: zo lang ­mogelijk meedoen, zodat zoveel mogelijk duidelijk wordt wat de werkelijke motieven zijn? Of is er tot een bepaalde grens toch ook angst voor represailles in het spel aanwezig? En komt men pas in actie, bekent men pas kleur, als die bepaalde grens bereikt is? Moeilijk in te schatten en eigenlijk weet niemand precies wat iemands motieven zijn.

De tekst van vandaag begint met een zeer merkwaardig ­woordje: derhalve. Het betekent: ‘om die reden’; synoniemen zijn ‘daarom’ ‘vandaar’ en ‘daarvoor’. Toen ik ging zoeken hoe andere vertalingen dat woordje duiden/vertalen, stuitte ik op iets vreemds. De SV lijkt bijna de enige vertaling te zijn die dit woordje hier zet. Het staat er ook niet in de grondtekst. De meeste vertalingen vallen direct met de deur in huis: “Saul zei tegen Jonathan en al zijn knechten…”. Er zijn een paar vertalingen die daar het woordje ‘En’ voor zetten. Dat is een verbindingswoord met iets dat eraan vooraf gaat! Wel een ­woordje waar je gemakkelijk overheen leest. De Biestkensbijbel uit 1560 zet er dit neer: “Maer Saul sprack met zijnen soon Jonathan en met alle zijne knechten…” En de Deux-Aesbijbel uit 1562 vertaalt het als volgt: “Saul dan sprack met synen sone Jonathan ende met alle syne knechten…” Ook de Lutherse vertaling uit 1648 zet er ‘Maer…’ neer. Wat raar dat alle voorgaande en latere vertalingen daar niets hebben neergezet? Blijkbaar wilden deze vertalingen duidelijk maken dat er wel degelijk een sterk verband zit tussen het voorgaande en deze tekst. Saul is een pad in geslagen en volhardt tot in het kwadraat!
Met wat wordt er een link gelegd? Met de laatste verzen van het vorige hoofdstuk en let er dan op hoe schrijnend juist dát verband is: “En Saul zag en merkte dat de HEERE met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief. Toen vreesde Saul nog meer voor David; en Saul was David tot vijand al zijn dagen. Als de vorsten der Filistijnen uittogen, zo geschiedde het als zij uittogen, dat David kloeker was dan al de knechten van Saul, zodat zijn naam zeer geacht was.”
Saul ziet niet dat David zo geweldig is, maar Wie daar achter zit! De HEERE was mét David. En Hij was van Saul geweken! Daarbij ziet hij ook dat zijn liefste dochter liefde heeft voor David, terwijl hij alleen maar haat koestert. Vervolgens probeert hij David overal in te zetten waar het maar gevaarlijk is, maar David overwint met vlag en wimpel. Niet alleen zijn vuile plan is mislukt, maar David wordt er inmens populair door. Een valkuil voor David, dat wel. Maar de hel voor Saul! Want zijn innerlijk knoopt zich op de meest zwartgallige manier samen en ziet slechts één oplossing voor zijn eigen misère: David moet dood. Linksom of rechtsom, maar hij moet dood. Dood! Dood! Dood!! Dooooooooood.
Je ziet dat Saul aan niets anders meer kan denken. En het is dan toch weer de vraag of hij echt nooit iets van de vriendschap tussen Jonathan en David heeft gemerkt… of dat hij zo verblind door haat is dat de voeling met de werkelijkheid verliest.
Wat zal er door Jonathan zijn heengegaan? Is het niet geweldig dat hij niets laat merken? Dat hij het spel meespeelt en onderwijl op de achtergrond direct zijn plan klaar heeft gemaakt: David moet worden gewaarschuwd! Je kunt zeggen dat de Heilige Geest hem in dit moment bijstaat en gebruikt. Maar als er niet sprake was van echte liefde, had er later toch de haat uitgekomen, zoals je die ook bij Bileam ziet. Hij ging gedwee de weg die God hem beval, maar toen hij even de kans kreeg, liet hij het volk zondigen met alle gevolgen van dien! Nee, zo is Jonathan niet, de zwager van de nieuwe koning.

dinsdag 9 januari 2018

Als je zus verliefd wordt op jouw vervanger

De zwager van de nieuwe koning - I

Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief…
En Saul zag en merkte dat de HEERE met David was;
en Michal, de dochter van Saul, had hem lief.
Toen vreesde Saul nog meer voor David;
en Saul was David tot vijand al zijn dagen.
1 Samuël 18 : 20a, 28-29

Ja, er stond nog een ‘rekening’ open bij Saul. Hij had immers beloofd dat de overwinnaar op Goliath zou mogen trouwen met zijn dochter. In hoofdstuk 17 : 25 lezen we: “…en het zal geschieden, dat de koning dien man die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal en hij zal hem zijn dochter geven en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël.” Dit was haast het eerst dat David te horen kreeg, toen hij vanuit Bethlehem bij het slagveld aankwam. Hij had gevraagd: “Welke beloning krijgt de man die deze scheldkanon uitschakelt?” De een na de ander had hem verteld dat de man die Goliath zou doden, bijzonder grote eer zou ontvangen: zijn familie weg vrijgesteld van belasting (en dat was zeer aanlokkelijk in die tijd; denk aan Samuëls waarschuwing!) én… hij zou de schoonzoon van de koning worden. Bij dat laatste had Saul blijkbaar gezegd dat de overwinnaar mocht trouwen met zijn dochter, maar niet met welk van de twee. Waarschijnlijk is iedereen ervan uit gegaan dat het de oudste, Merab, zou zijn. Hoe oud was Michal toen helemaal? Misschien nog wel een opgeschoten puber.

Saul herinnert zich in ons hoofdstuk die belofte weer. Dat hij deze belofte, openbaar gemaakt, moet nakomen is niet het grootste probleem. Het grootste probleem is dat hij die belofte moet nakomen aan die vreselijke David. Het liefst zag hij hem dood. Maar hij durft niet, zoals Saul zoveel niet durft!
Evenwel is Saul sneaky. Hij durft David niet te doden, maar zomaar iets weggeven kan hij ook niet. Zelfs bij het inwisselen van zijn belofte (en wat had David niet gedaan, om daarvoor in aanmerking te komen!) probeert hij er nog een slaatje uit te slaan. Dat valt niet direct op; hoe doortrapt is Saul, maar hoe goedgelovig is David hier nog. Het zal ook Jonathan niet direct zijn opgevallen. Immers, de twee zijn inmiddels al dikke vrienden.
Had Jonathan zijn vader altijd anders bekeken? Was Saul, vóórdat hij koning werd, wél altijd oprecht en transparant in zijn handel en wandel? Het beeld van zijn vader zal bij Jonathan langzaamaan zijn bijgesteld. Hoe ingrijpend, of aangrijpend, is dat?!

David is een bescheiden man, wanneer Saul over een huwelijk met zijn dochter begint. “Wie ben ik eigenlijk? Ik kan toch onmogelijk de schoonzoon van de koning worden?” Die nederigheid komen we bij David ook nog tegen (gelukkig) in 2 Samuël 7 : 8, waar bij belijdt voor de HEERE: “Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?”
Dan vindt er opeens een merkwaardige bruid-wisseltruc plaats. Saul lijkt hier op Laban. Waarom deed hij dat? Dat blijft vaag. Het lijkt erop dat er andere belangen op de achtergrond speelden. Tegelijk zal ook hebben meegewogen dat hij David liever dood dan levend zag.

Maar plots wordt hij gewaar dat zijn jongste dochter, Michal, op David verliefd is geworden. Wij hebben een ingekleurd beeld van haar, maar let erop dat haar liefde voor David en Davids liefde voor haar de meest pure waren in hun beider leven. Je kunt dat prachtig lezen in het boek ‘Michal’ van Jill Eileen Smith. David stal het hart van Michal al toen hij nog telkens werd geroepen om Saul te kalmeren. De angst voor de waanzin-buien van haar vader deden Michal verlangen, aldus Jill Eileen Smith, naar de komst van David. Zijn aanwezigheid deed haar adem stokken. Maar… hij leek bestemd voor haar grote zus. Maar er kwam, zo verraadde Michal aan haar vader, een rijke man in het leven van Merab: Adriël, de zoon van Barzillaï (die later op zijn oude dag nog een rol in het leven van David zal spelen).

Terug naar de Bijbel. Saul merkt dat zijn jongste dochter is verliefd geworden op David. En dat maakt dat hij haar gaat inzetten in zijn strijd tegen David, zonder dat ze dat zelf zal hebben gemerkt. Ook zijn knechten zet hij in, om David te pressen om te trouwen met Michal. De knechen moeten op David inpraten. Maar hij noemt zichzelf, tegenover die knechten, zelfs ‘arm en verachtzaam’. Denk nog even terug aan zijn afkomst en zijn positie binnen het gezin van zijn vader! Toch liet de liefde zich niet dwingen. Achter dat liefdesspel tussen deze twee harten, moeten we wel Gods hand blijven zien.
Dat David openlijk zegt dat hij onvoldoende geld heeft om een bruidsschat te betalen, komt Saul ter ore via de knechten. Daar heeft hij een handige oplossing voor. David moet 100 voorhuiden geven als bruidsschat aan Saul. Naast dat dat een smerig werkje is, en onterend bovendien, is het ook een riskant klusje. Om de voorhuid (of wellicht wel het hele geslachtsdeel) van de vijand eraf te snijden, moet de Filistijn zelf ook zijn uitgeschakeld. Risico’s te over dat David dat niet gaat overleven. Maar niets is minder waar. Hij brengt er zelfs 200 mee!

Wat een rare zaak is dit! Dat David dit doet? We horen niet dat Sauls opdracht ook een opdracht van de HEERE is. En… Filistijnen besnijden is geen evangeliserend werd. Zeker niet als ze gedood moeten worden. Waarom doet David dit, als hij zich onwaardig acht om de schoonzoon van de koning te worden? Was hij verliefd en dreef de liefde voor Michal hem tot deze actie? Wilde hij zich bewijzen? Hoewel het raadselachtig blijft, zien we Gods stuwende hand hier achter deze geschiedenis. De HEERE was met David… dat is de rode draad. En let dus op wat dát uitwerkt! “Saul zag en merkte dat de HEERE met David was…”, lezen we in vers 28. En wat werkte dat uit?
Wat werkte het bij Jonathan uit? We lezen er niet veel over, maar merken tussen de regels door dat het hem juist meer verbond aan David. Maar over Saul lezen we: “Toen vreesde Saul nog meer voor David…”. Zou dat met David ook nog iets hebben gedaan? Was dat niet een enorme valkuil voor hem? Goliath overwonnen, het volk is idolaat van hem én de koning is als de dood voor hem. Wat een ingangen voor satan!
Of het bij David een ingang voor satan was weten we niet (waarschijnlijk niet), maar bij Saul vindt satan wel een forse ingang: “…en Saul was David tot vijand al zijn dagen.” Wat een triest leven; en hoe onnodig. Zelfhandhaving is de meest schadelijke vorm van zelfmoord.

Nog even kort terug naar Jonathan. Met het huwelijk tussen zijn vriend David en zijn zusje Michal werd hij de zwager van de nieuwe koning. Uit het al eerder aangehaalde boek van Jill Eileen Smith krijg je het idee dat er tussen Jonathan en Michal een zeer warme broer-zus-band bestond. Of dat zo was, of dat het enkel de dichterlijke vrijheid van de schrijfster was weten we niet.
Wat we wel weten is, lezend tussen de regels, dat Jonathan en David steeds dichter bij elkaar kwamen te staan, ondanks dat we in het dertigste vers lezen dat David succesvoller was dan al Sauls knechten (ook Jonathan als aanvoerder van een legeronderdeel). Jonathan kon er prima mee leven dat David zijn meerdere was. Hij genoot van hun vriendschap die bewonderenswaardig diep ging. Want samen genoten ze van de HEERE en Zijn dienst. Dát zijn echte vriendschapsbanden. Dan gaan de gesprekken ook ergens over. Geen koetjes en kalfjes, maar het leven met de HEERE op het scherpst van de snede. Zijn liefdedienst en de heerlijke rijkdom van Zijn Woord.

zondag 7 januari 2018

Voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven

De fan van de muzikant - VII

5 En David toog uit, overal waar Saul hem zond; hij gedroeg zich ­voorzichtiglijk, en Saul zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen des gansen volks en ook in de ogen der knechten van Saul.
7 En de vrouwen spelende, antwoordden elkander en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden.
14 En David gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen; en de HEERE was met hem. 15 Toen nu Saul zag dat hij zich zeer voorzichtiglijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht. 16 Doch gans Israël en Juda had David lief, want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.
1 Samuël 18 : 5, 7, 14-16


Toen Jezus Zijn discipelen eropuit stuurde, zei Hij tegen hen: “Ziet, Ik zende u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven” (Mattheüs 10:16). Ze moesten altijd oprecht zijn als de duiven. Het woord ‘oprecht’ betekent ‘zonder vermenging met kwaad, vrij van list’ of kortweg ‘niet dubbelhartig’. Maar als eerste noemde hij ‘voorzichtig als de slangen’. Dat is een onduidelijk en haast paradoxaal voorbeeld. Slangen hebben altijd een lading als bij ‘addertje onder het gras’. Juist wel iets dubbelhartigs, je tuint erin, voordat je er erg in heb. Het woord ‘oprecht’ betekent daar ‘verstandig, wijs, bezonnen en bedacht op iemands belangen’. Je hebt dan dus het vermogen om dubbele bedoelingen te doorzien. Hoe passend op David, die vriend van Jonathan werd, maar vijand van Saul!

De grandioze overwinning op Goliath is voor David niet enkel als een pluspunt uitgevallen. Het hele volk is pro-David, maar precies één persoon is hem totaal vijandig gezind: zijn werkgever Saul. Het is zeer waarschijnlijk dat David daar niet alles van heeft meegekregen.
Bij terugkeer van de oorlog en de grote overwinning voor Israël komen de vrouwen en de meisjes de soldaten tegemoet met dans en muziek. Ze zingen een zelf-gecomponeerd lied: “Saul heeft zijn duizenden verslagen…” Een enorm pluspunt voor de koning, die nog niet zo erg veel positieve impact leek te hebben tot voor kort. Het volk komt eindelijk in beweging en eert hem. Dat moet hem goed hebben gedaan. Maar juist op het moment dat hij zich als een Donald Trump gestreeld voelde, gaat het liedje net een streepje te ver: “…en David zijn tienduizenden.” Nota bene tienmaal zoveel eer voor die herder als voor de koning!

Als Saul oprecht als de duiven was geweest, dan had hij David alle eer gegeven. Immers, hijzelf durfde het duel met Goliath niet aan, terwijl hij toch een kop groter was dan de meeste Israëlieten. Maar dat bleek niet toereikend voor de bijna drie meter hoge reus uit Gath. Slechts drie meter lengte was voldoende om Saul en ook Jonathan de moet in de schoenen te doen zinken. Maar het boeide David totaal niet. Hij zag op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof! Met mijn God spring ik over muren… Mijn hemelse Vader kan alles!
En als Zijn naam wordt getart, zal Hij ook moed geven om de spotter te doden. En zo gebeurde het. David wordt in een heldendicht bezongen door de meisjes. Maar ik hoor niet dat hij – net als Paulus en Silas later – tussen te menigte springt en hen sust: ik ben maar ene man van vlees en bloed. Geen lof aan mij, maar aan de HEERE Die de overwinning gaf. Hem komt alle eer. Jammer. Herken je die houding?

De andere dag al heeft die boze geest Saul zover dat hij in een vlaag van verstandsverbijstering een speer richting David gooit. Die ontwijkt hem en speelt blijkbaar gewoon door. Maar nogmaals gooit Saul een speer om hem aan de muur te prikken. Weer mis! In plaats van dat dit Saul tot razernij brengt – dat zou je bij hem wel verwachten – schrikt hij ervoor terug. Hij merkt dat de HEERE met David is en dat de HEERE van hem is geweken. Zou David de nieuwe koning zijn? Saul moet dit toch wel hebben vermoed. Want hij gaat dubbelzinnig door met een moordplan.
En wel zo: hij geeft David een erepositie in zijn leger, maar op een vervaarlijke plaats. Een taktiek die David later op ook Uria zal toe­passen! Maar waar David ook wordt heengestuurd, hij keert iedere keer terug als overwinnaar. Het leek niet op te kunnen!
Dat maakte Saul wanhopig. Maar het maakte Israël buiten zinnen! Geheel Israël en Juda hadden David lief, staat er. We lezen niets over Jonathan, gek genoeg. Maar dit zou dezelfde uitwerking op de kroonprins hebben kunnen hebben. Niettemin worden die twee juist meer naar elkaar toegedreven. En in het komende gedeelte zal blijken dat er nog een extra band wordt gelegd tussen die twee hartsvrienden: de familieband.

Over David staat er in vers 5 dat hij zich ‘voorzichtig’ gedroeg, overal waar Saul hem heenstuurde. Ook in vers 14 staat dat David zich voorzichtiglijk gedroeg op al zijn wegen. En dat de HEERE met hem was. Voorzichtig. Daar heb je dat woord weer. Het kan betekenen ‘verstandig’, ‘inzicht hebben’, ‘begrijpen’, maar ook voorspoed hebben. En ook dat is waar. Maar het betekent ook gewoon ‘voorzichtig zijn’. David kreeg door dat Saul hem wilde ‘elimineren’. David liep niet weg en koos niet voor de meest veilige weg. Zou hij terug hebben gedacht aan de zalving die Samuël namens de HEERE aan hem had gedaan?
Later zou David wel uitroepen: Er komt nog eens een dag dat Sauls plan zal slagen, om mij uit de weg te ruimen. Maar hier merken we van die angst geen spoor. Mogen we dit opvatten als een rotsvast vertrouwen op Gods beloften? Ik denk het wel. En daar is alle reden toe. Want… de HEERE was met hem. En Saul had dat door!

woensdag 27 december 2017

Het zielsverbond tussen ­Jonathan en David

De fan van de muzikant - VI

Jónathan nu en David maakten een verbond,
dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.
En Jónathan deed zijn mantel af, dien hij aanhad, en gaf hem David;
ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe en tot zijn boog toe
en tot zijn gordel toe.
1 Samuël 18 : 3-4


Het gebeuren rond de dood van Goliath heeft duidelijk sporen in het leven van Saul, David en Jonathan getrokken. Het feit dat David de reus wél heeft durven tegemoet treden moet voor Saul al een stukje aversie hebben opgeroepen. Maar misschien had hij nog gehoopt dat David het niet zou overleven, zodat hij zichzelf kon rechtvaardigen: “Zie je nou wel, het is ook geen doen tegenover zo’n overmacht en tegenover zo’n reusachtig persoon”. In Sauls beleving werd Goliath met zijn bijna drie meter lengte een monsterlijk groot wezen dat de toren van Babel in het niets deed verzinken. Maar in de beleving van Davids pure ziel was Goliath vooral een God-tergende kabouter. Vanuit God gezien was alles een stofje aan de weegschaal!
In die visie ontstond de verwijdering tussen Saul en David, maar ontstond een bijzondere verbondenheid tussen Jonathan en David! Had Jonathan zich geschaamd, omdat hij na die overwinning op de Filistijnen nu opeens de moed niet had om het volk te verlossen? Of heeft hij dat ontbreken aan moed als een vingerwijzing van God gezien? Is hem misschien opeens duidelijk geworden wat de reden was dat hij dit keer niet de moed had om voor Gods zaak te strijden? Kwamen die woorden van Samuël opeens kraakhelder bovendrijven in zijn herinnering: “De Heere heeft vandaag het koningschap van u ­afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan iemand die het meer waard is dan u.” Was het Jonathan gaan dagen, dat deze herder uit Bethlehem wellicht die ‘iemand die het meer waard is dan u’ was? Was het kwartje gevallen toen David het hoofd van Goliath afhakte, en werd Jonathan herinnert aan de hakkende Samuël die Agag evenzo bewerkte?

Wat doet dat bij Jonathan? Heeft hij een aardje naar zijn vaartje? Gistte de jaloezie vanuit zijn binnenste op en begon hij die David ook een vervelend kereltje te vinden? Zocht hij gelegenheid om van hem af te komen? Immers, David was zijn overduidelijke concurrent voor de troon! Niets van dat alles.
Jonathan wordt beheerst door een andere geest; de Geest des HEEREN, Die hem vervult met eerbied en aanbidding van Gods weg. Met David, dat is hem opeens heel duidelijk, krijgt het volk een goede, krachtige en godvrezende koning! Jonathan zou altijd geassocieerd blijven met zijn vader. De eenmansacties die hij ondernam, waren wel succesvol, maar werden niet gevolgd door het overige van het leger! En dat was een veeg teken. Op de actie van David was het hele leger in actie gekomen en hadden een verpletterende nederlaag toegebracht aan de Filistijnen.
David had geen woord teveel gezegd over hoe het met de Filistijnen zou aflopen, nadat hun kampvechter, de reus Goliath, zou zijn gevloerd. De woorden van de HEERE, die David mocht profeteren, waren uitgekomen; tot in detail!

Wat Jonathan nu doet verdient onze aandacht. De Basisbijbel beschrijft dat als volgt: “Jonatan sloot een verbond met David. En hij gaf hem zijn mantel en zijn wapenrusting. Zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.” Let er op dat David de uitrusting van Saul niet aan wilde trekken, maar nu de totale uitrusting van Jonathan als een offer van verbondenheid krijgt uitgereikt. Als David deze uitrusting wel heeft aangetrokken (en dat is zeer goed mogelijk), is dat direct ook duidelijk geworden in het leger van Saul. Ze moeten die uitrusting hebben herkend: de mantel van Jonathan, diens zwaard, boog en zelfs de prinselijke gordel van Jonathan…

Dat er niet bij nog meer mensen een kwartje is gevallen, toen ze daarna David zagen: de nieuwe kroonprins! Ook de nieuwe kleding van Jonathan moet vragen hebben opgeroepen: “Jonathan! Waar is je eigen mantel? Waar je gordel? En waar de boog, waar je zo perfect mee kon schieten? Jonathan, wat is er aan de hand?” Wat zou het antwoord zijn geweest? Een uitwendig, vaag antwoord? Of een mooi geestelijk antwoord over vriendschap en ontferming: de kroonprins en de herdersjongen? Of zouden man en paard zijn genoemd: “Luister mannen, ik doe een stapje terug, want onze God heeft David als de opvolger van mijn vader gezalfd! Hij zal jullie nieuwe koning zijn.”

In het vervolg zullen we Jonathan vooral als Davids schaduw zien. Al in het volgende vers lezen we dat David voortaan meestreed in het leger van Saul. Daarbij was hij wijs en verstandig. Daarom maakte Saul hem aanvoerder van het leger. Het hele volk en alle dienaren van Saul mochten hem graag. Ja… maar de Statenvertaling gebruikt een opmerkelijk woord: David gedroeg zich voorzichtiglijk. Dat kan inderdaad ‘verstandig’ betekenen, maar dat voorzichtige kan ook duiden op het feit dat David begon door te krijgen dat Saul hem in gevaarvolle situaties probeerde te brengen, zodat hij op een veilige manier van hem af kon komen. Want ja, het volk hield hem in ere, maar onderwijl spinde Saul op wraak, zonder dat zijn persoon er schade van zou oplopen. Het net begon zich om David te sluiten. Langzaam… heel langzaam. En juist het volk zou daarin jegens Saul een aanjagende factor zijn! Weliswaar rekende Saul niet met God. Jonathan daarentegen beschermde David als zijn eigen ziel.

Een vriendschap op zielsniveau

De fan van de muzikant - V

Het geschiedde nu als hij geëindigd had tot Saul te spreken,
dat de ziel van Jónathan verbonden werd aan de ziel van David;
en Jónathan beminde hem als zijn ziel.
1 Samuël 18 : 1


In stoere heldenverhalen, in boekvorm, strip of film, zijn de ­dappere strijders altijd spierbundels die uitmunten in kracht, slimheid en vooral ongenaakbaarheid. Ze steken met kop en schouders boven de rest uit. Hoewel daar de laatste jaren ook best wel verandering in is gekomen en zijn soms ook zwakke, sullige helden de overwinnaars.

Maar terug naar ons bijbelverhaal: David is niet het lieve jochie met zijn gladgekamde haartjes en zijn satijnen vingertjes die tokkelen op zijn harpje. Niks geen engelachtige verschijning. Met één ferme hauw hakt hij het hoofd van Goliath van diens romp. Het reusachtige hoofd – dat toch wel bijna anderhalf keer zo groot moet zijn geweest als dat van David zelf – rolt bloedend opzij. Het gezicht was sowieso bebloed, vanwege de steen die het voorhoofd van de reus had doorkliefd. De steen was in het voorhoofd gezonken als was dat een pakje boter. Zelfs zo’n gladde steen zal niet een gladde snee hebben achtergelaten, die een vlijmscherp mes zou hebben gemaakt. Het moet een gapende wond zijn geweest met versplinterde stukken schedelbot. En de aanvankelijk angstig opengesperde ogen waren al gesloten bij de klap die het logge lichaam op de grond heeft gemaakt.
Met in zijn ene hand het loodzware en enorme zwaard, bukt hij zich en houdt het hoofd van de reus – hoe zwaar zou het hebben gewogen? – aan diens haren omhoog. Alleen al aan die twee details kun je zien dat David over forse kracht beschikte. Dat hij dat harnas van Saul niet aan kon was niet omdat hij nog een jochie was. Nee, David was de katachtige, niet gebouwd voor logge beschermings­artikelen zoals een maliënkolder of harnas. Hij was, net als Jonathan, meer de besluiper dan de zwaar bepantserde verdediger. Vandaar!

De reus was nog te zwaar bepantserd dat hij zijn schild zelf kon blijven dragen. Dat deed zijn wapendrager (lees 1 Samuël 17 : 41). Luid brallend had hij David getart. Maar dat had David niet aangezet tot daden. Nee, het was omdat Goliath God en Diens kracht en majesteit had gehoond. “Kom maar eens hier, ventje! Dan voer ik je vlees aan de vogels en de wilde dieren!”, had de reus luidkeels gebrald. David had nergens op zijn eigen kracht geboogd. Hij snoefde niet toen hij riep: “Jij komt naar mij toe met een zwaard, een speer en een schild. Maar ik kom naar jou toe namens de Heere van de hemelse legers, de God van het leger van Israël, de God die jij hebt uitgedaagd. Vandaag zal de Heer jou in mijn macht geven. Ik zal je verslaan en je hoofd afhakken. Vandaag zal ik de lijken van het leger van de Filistijnen aan de vogels en de wilde dieren voeren. Dan zal de hele wereld weten dat Israël een God heeft. En al deze mensen hier zullen toegeven dat de Heer niet redt door zwaarden en speren. Want de Heer Zelf strijdt voor ons. Hij geeft jullie in onze macht.”

En zo was het gebeurd. Terwijl het leger van Israël de door angst overmande Filistijnen achternajaagde, ging David iets merkwaardigs doen. In vers 54 lezen we: “David nam het hoofd van de Filistijn mee en bracht het naar Jeruzalem. Maar de wapens van de reus legde hij in zijn tent.” Twee dingen vallen direct op: dat David de wapens van Goliath voor zichzelf houdt aanvankelijk; en dat hij dus een eigen tent had (terwijl we hem toch even daarvoor bij vader Isaï vandaan zagen komen, nietwaar?). Het zwaard zou een overwinningstrofee gaan worden, die David in Nob afleverde om die voor de ark van het ­verbond neer te leggen als offer aan God. David werd er dus nooit zelf groot mee. Later zou hij dat zwaard weer ophalen, toen hij moest vluchten voor Saul. Maar hoe kwam David aan een eigen tent? Of was het de tent van zijn broers? Merkwaardige details!

Maar… het hoofd van Goliath nam hij dus mee naar Jeruzalem. En nadat het leger weer terug was van het verjagen van de Filistijnen en Saul weer in zijn paleis was (of was het de staftent in het leger?) vroeg hij aan David: “Wie is je vader?” Merkwaardige vraag, terwijl hij al eerder, zie het vorige hoofdstuk, een bode naar Isaï had gestuurd met de mededeling dat David bij hem bleef. Er lijken delen van deze hoofdstukken te overlappen en zorgen voor verwarring.

Terwijl David nog met dat grote hoofd van Goliath in zijn hand staat, brengt Abner hem bij Saul, waar hij vertelt wie zijn vader is: “Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, de Bethlehemiet”. Let op de keuze van zijn woorden! Blijkbaar is er nog meer gezegd. En daar heeft ook Jonathan bij gestaan. Want toen David zijn verhaal had gedaan, sprong er een vonk over in de ziel van Jonathan. Er staat in de tekst dat de ziel van Jonathan werd verbonden aan die van David. Er staat niet dat Jonathan geïnteresseerd raakt in David, of dat hij bewondering voor David ging koesteren (dat is nog introvert) of misschien zelfs verliefd werd op deze sterke held (want die mensen zijn er ook die een homo-relatie tussen Jonathan en David willen bewijzen). Er staat slechts dat er een vriendschapsband ontstaat op zielsniveau. Ondanks dat ­bloedende hoofd van de reus!

Herkende Jonathan iets in David, vanuit zijn eigen geestelijk leven, toen hij hem hoorde praten met zijn vader? Dat zou eens goed kunnen. Maar dat die twee zielen zich aan elkaar verbonden lijkt toch vooral ook een wisselwerking te zijn. Er gebeurt dus niet alleen iets in het hart van Jonathan, maar ook in dat van David. Bijzonder, zulke grote stoere en heldhaftige mannen! Ze blijken in één klap ‘gewoon mens’. Het staat er helaas niet met zoveel woorden, maar het lijkt toch het werk van Gods Geest. Hoe prachtig is dat?!

zaterdag 23 december 2017

Waar is Jonathan nu?

De fan van de muzikant - IV

Toen Saul en het ganse Israël deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich en vreesden zeer.
1 Samuël 17 : 11


Ook het verhaal van Goliath (hoe groot was die reus nou eigenlijk?) is een echt kinderbijbelverhaal. Toch zul je merken dat veel details uit de Bijbel geromantiseerd en anders geïnterpreteerd zijn in de kinder­verhalen.
Waar moet je deze geschiedenis plaatsen? Hoeveel tijd zat er tussen het vorige hoofdstuk en dit? Dat wordt niet erg duidelijk. Het zou zelfs kunnen zijn dat deze geschiedenis er ergens tussenin hoort. Hoe het ook zij: er is opnieuw oorlog met de Filistijnen en de beide legers staat in een patstelling bij het Eikendal.

Om die patstelling te doorbreken gaan de Filistijnen ‘spelen’ met de Israëlieten. Dat aspect is belangrijk in deze geschiedenis. Ze gaan een conferance opvoeren, een slapstick, waarmee zich zichzelf vermaken, de Israëlieten belachelijk maken. En ja, zoals dat in de conferancewereld ook vaak gaat, dan moet God er ook aan ­‘geloven’. Omdat zij zelf andersgelovig zijn en van dat geloof vast overtuigd (dankzij de vele overwinningen die ze hebben behaald), maken ze de God van Israël belachelijk.
Juist dát aspect is in deze geschiedenis de rode draad. En eerlijk gezegd maken de Israëlieten geen goede, standvastige indruk van het leven met de God van Abraham, Izak en Israël! Hun angstige houding is antireclame voor de Almachtige.

Als de Filistijnen nog slechts hadden gehoond met het volk Israël dan was het nog maar de vraag of God had ingegrepen. Maar nu wordt Zijn heilige naam getart en belachelijk gemaakt. Er wordt een beeld van Hem gegeven als van een ‘dode god’ of een ‘angstig wezen’ of van een ‘onmachtig godje’.
Nogmaals, ook hier komt de naam van Jonathan niet voor. Misschien dat je de vorige geschiedenissen wat vergezocht vond om er Jonathan bij te halen (hoewel daar toch wel goede redenen voor waren); echter, juist bij déze geschiedenis had ik toch wel de naam van ­Jonathan verwacht!

Het is geen nieuws dat het volk bang is. Zo lang Saul in beeld is leren we het volk al kennen als angsthazen, die liever wegkruipen dan moedig de confrontatie aangaan en de oorlogen des HEEREN wil gaan voeren. Niks geen ‘met mijn God dring ik door benden’ of ‘met mijn God spring ik over een muur’! Maar meer dan eens maakte Jonathan dan het verschil.
Dus: waar is hij nu? Is ook hij, met zijn wapendrager, bevangen door angst? Waar is de Jonathan die, door een twintigtal Filistijnen neer te sabelen, de hele menigte van het leger van de vijand op de vlucht sloeg? Als dan niemand durft, is daar opeens David. Was hij zo dapper, zo heldhaftig? Ja, dat was hij wel, maar we zagen in een vorig hoofdstuk dat hij gezalfd was en dat de Geest des HEERE vaardig over hem werd. Saul was weliswaar gezalfd, maar de Geest was van hem geweken, maar David was daadwerkelijk vervuld van de Heilige Geest!

We lezen het antwoord op de vraag uit het vorige hoofdstuk: “Wie moest er nu voor de schapen zorgen?”. Vers 15 zegt: “Doch David ging heen en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.” Dat plaatst deze geschiedenis wat meer naar voren óf het is inderdaad zo dat hij regelmatig aan het hof was, maar ook zijn werk als schaapherder in de woestijn bleef uitoefenen.

Hoor maar wat grote broer Eliab er in toorn uitgooit, als hij dat irritante broertje David zo verontwaardigt tegen de mensen in het kamp hoort ‘preken’: “Waarom zijt gij nu afgekomen en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen opdat gij den strijd zaagt.” Hé ­irritantje, ga liever op je eigen schaapjes passen en laat ons het grote werk maar doen. Vertel mij wat voor een buitenbeentje jij bent met je ammonitische roots. Je bent gewoon altijd druk bezig om ons een hak te zetten en het met je vrome gezicht altijd beter te doen. We horen er de wrevel in doorklinken van de broers van Jozef; en Isaï en Jacob zijn de ‘slechte’ vaders die hun zonen maar slecht in toom kunnen houden.

David antwoord zijn schamperende broer op kalme wijze: “Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?” Ik kom hier niet zomaar voor mijn eigen plezier! Onze vader heeft mij naar jullie toegestuurd. Dus…

Je kunt zeggen: Moet dat nou zo, broertjes? Maar die woordenwisseling heeft wel gevolgen: Saul krijgt te horen wat David hier zegt. En vanwege die woorden laat hij hem halen. Dat is wel vreemd… Saul kende David toch al? Of moeten we deze geschiedenis inderdaad toch iets eerder plaatsen dan het moment waarop David wordt ontboden aan het hof om harp te spelen?
Saul hoort het verhaal, dat de soldaat vertelt, aan en laat David bij zich roepen. David steekt meteen van wal. Hij heeft de defaitistische stemming geproefd en snapt er werkelijk niets van. Als je de HEERE vreest en dient, dan is die god-loze houding toch niet mogelijk? “En David zeide tot Saul: Geen mens ontvalle het hart om zijnentwil (Goliath). Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden” (vers 32).

Tot hiertoe even. Wij vragen ons af: Waar is Jonathan nu? David vroeg zich in alle ernst af: Maar waarom maken mijn broers hier geen einde aan? De werkelijke geestelijke strijd is soms wel een strijd tegen vlees en bloed. En teveel mensen schuwen die strijd omdat ze bang zijn hun onoprechte gezicht te verliezen. Doe er niet aan mee! Maar volg David, want het imago van God wordt aangetast. Daarom!

vrijdag 22 december 2017

De band tussen Gods kind en iemand met een boze geest

De fan van de muzikant - III

Alzo kwam David tot Saul en hij stond voor zijn aangezicht;
en hij beminde hem zeer en hij werd zijn wapendrager.
1 Samuël 16 : 21

Hoe ging dat ook alweer met David en dat harpspelen? De verhalen die ik mij nog herinner tekenden David als die kleine herdersjongen die op zijn harp speelde. Sommige verhalen lieten hem alleen halen als Saul weer in een dip zat, anderen lieten hem wel aan het hof wonen, maar… hij was enkel en alleen harpspeler. De enige vraag die je nog zou kunnen hebben is: wie moest er nu voor de schapen zorgen? Moest vader Isaï dat nu gaan doen of toch een van die andere broers? Wat deden die andere broers eigenlijk? Als ze hem voor de schapen lieten zorgen, waar vulden zij dan hun dagen mee?
Laten we vooraf vaststellen dat het oorlog was. Oorlog met de Filistijnen. En de oudere broers dienden in het leger van Saul. Dat zal in het volgende hoofdstuk wel blijken. Maar David… was hij wel die lieve kleine herdersjongen?

Als Saul aan zijn knechten vraagt om te zoeken naar een man die goed kan spelen (waarop?), heeft één van de knechten al direct een goed voorstel: “Zie, ik heb gezien een zoon van Isaï, den Bethlehemiet, die spelen kan, en hij is een dapper held en een krijgsman en verstandig in zaken en een schoon man; en de HEERE is met hem.” Die lieve herdersjongen was deze man opgevallen. Het mooiste dat hij noemt is ‘de HEERE is met hem’. Moet je eens even op je in laten werken. Dat is weliswaar het laatste dat deze knecht tegen Saul zegt, maar dat is blijkbaar van doorslaggevend belang! Immers, de hofhouding heeft wel door dat die ‘dip’ waarin Saul zich regelmatig bevindt, wordt veroorzaakt door een boze geest. Een boze geest van God. De Kanttekeningen spreken over ‘melancholie’, sombere depressiviteit. In onze dagen wordt dat niet persé in een vakje geplaatst waarop staat ‘boze geest van God’. Dat is een psychische gemoedstoestand die “zich kenmerkt door een verdrietige kijk op het verleden of een onvervuld verlangen”. Nou, dat laatste past ook wel bij Saul!

Daarnaast wordt David – en dat beeld kom ik nauwelijks in een kinderbijbel tegen – door deze knecht uitgeschilderd als heldhaftig, onverschrokken in militaire zaken en ‘verstandig in zaken’. Dat laatste moet vooral worden opgevat als ‘welsprekend’. Het poëtische gen dat David bezit, zal daar zeker toe hebben bijgedragen.
Saul laat deze jongen halen “die bij de schapen is”. Blijkbaar wist hij dat David een schaapherder was. Niet direct een positie die past bij het hofleven. Maar… als David voor Sauls troon staat, is Saul direct onder de indruk. Dat moet vooral te maken hebben met Davids voorkomen, zijn uiterlijk.
Direct wordt gecommuniceerd met vader Isaï dat David aan het hof blijft. Als argument wordt gegeven: David heeft genade in mijn ogen gevonden. Hij mocht die herdersjongen wel. Nou, jongen.

Ik moet mijn beeld van David ook hierin bijstellen: hij was een dapper man, niet voor een kleintje vervaard. In het volgende hoofdstuk zal David tegen Saul vertellen: “Uw knecht weidde de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg. En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem. Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen…” Kleine David, speel op je harp? Pas maar op! Hij draait je zo je nek om!

Vergeet niet dat Saul een grote vent is, die met kop en schouders boven de mensen uitstak. Die heeft het niet zo snel op kleine jochies. Saul was onder de indruk van Samuël; dat had deels te maken met diens onberekenbare macht, omdat God met hem was. Maar Samuël was ook geen kleine jongen. Hij hakte in het vorige hoofdstuk Agag met een paar klappen in stukken. Misschien dat die distantie jegens Samuël wel heeft meegewogen in Sauls affectie jegens David. Een soort balans in zijn geestelijke onbalans.

En laten we eerlijk zijn: David heeft zijn waarde bewezen. Dat lezen we in het laatste vers van dit hoofdstuk: “En het geschiedde als de (boze) geest Gods over Saul was, zo nam David de harp en hij speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem en de boze geest week van hem.” Het musiceren van David is voor Saul een ‘verademing’. We lezen dat David ‘met zijn hand’ speelde; hij tokkelde op zijn harp. Maar is het teveel gezegd als we veronderstellen dat hij ook zal hebben gezongen? Het kan haast niet anders. Muziek werkt helend, maar David heeft ook de kracht van het woord bij de muziek ervaren. Hij uitte er zijn innerlijk in, wanneer hij psalmen maakte tot eer van God. En David nam zelden een blad voor de mond. Het kan haast niet anders – zeker als iedereen de psychose van Saul duidt als een kwade geest van God – of David heeft naast de muziek ook de tekst van zijn lied ingezet. Zingen jaagt de duivel op de vlucht.

Dat moet Jonathan ook hebben gehoord en meegemaakt. Hier raakte hij van onder de indruk. Misschien dat hij zelf niet zo mooi kon zingen en wellicht ook niet zo muzikaal was. Maar hij heeft gezien dat dit een machtiger wapen is dan het zwaard, de speer of de boog. Hiermee jaag je niet alleen de vijand, maar zelfs de satan op de vlucht! Zou er ergens aan het hof nog zo’n figuur zijn geweest, waarmee Jonathan zich geestelijk een wist? Ik vermoed daarom dat de woorden die David zong, Jonathan hebben geraakt. Het riep herkenning op en over enige tijd lezen we dat hun zielen zich verbonden hebben.

Nog één aspect uit de dagtekst is onbesproken gebleven. David is wapendrager bij Saul geworden. Jammer dat de Kanttekeningen er niet verder op ingaan. Is de huidige wapendrager van Saul ontslagen? Had Saul nog geen wapendrager? Jonathan had er in ieder geval wél een; en wát een team was dat! Was Saul jaloers?
Toen ik googelde op deze tekst, vond ik een merkwaardige site, van Rens Kopmels, die de tekst ánders interpreteert. Er staan namelijk nogal vaak ‘hij’ en ‘zijn’; maar wie is wie? Kopmels zegt: “Alzo kwam David tot Saul en hij [David] stond voor zijn [Saul] aangezicht; en hij [David] beminde hem [Saul] zeer en hij [David] werd zijn [Saul] wapendrager.” Dan is het dus David die Saul bemint… Gods kind dat affectie heeft met dit verbondskind dat erbuiten staat. Dat is een mooie gedachte. Kopmels legt er de vinger bij dat David zich nooit wilde ontdoen van Saul; terwijl het andersom wel zo was! Daar zit het grote verschil tussen Gods kinderen en de kinderen van de duisternis.
Maar terug naar die wapendrager… In een bijbelstudie van ‘Oude Sporen’ las ik toch weer: “Dan staat er geschreven dat Saul veel van hem hield (vs. 21). David genoot zoveel vertrouwen van de kant van Saul, dat hij zijn wapendrager werd. Hij bleef in de dienst van Saul; en zodra de boze geest over Saul kwam, nam hij de citer en speelde. Het citerspel schonk Saul verlichting: hij voelde zich beter, omdat de boze geest van hem week (vs. 22-23). Sauls liefde was gebaseerd op Davids citerspel, dat ervoor zorgde dat hij zich beter voelde en de boze geest van hem week.” Maar wanneer David populairder wordt dan Saul, onder het volk, slaat die liefde om in nietsontziende haat!

Wapendrager… het is de vertrouweling, de rechterhand en de man die zorgt dat de heer de handen vrij heeft om succesvol te ­handelen. Een dienende taak, niet zonder gevaar. Saul ziet in David niet alleen soelaas voor zijn psychoses, maar hij ziet in hem ook ­voordeel in de oorlogen. David is meer dan een wapen- of muziek­instrumentendrager! Hij is zijn mascotte, waarmee hij God claimt.