vrijdag 30 augustus 2019

Hun God is sterker dan onze god

Zo maakt dan beelden uwer spenen, en beelden uwer muizen, die het land verderven,
en geeft den God van Israël de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over ulieden,
en van over uw god, en van over uw land. (1 Samuël 6 : 5)



Wij hebben vaak vooringenomen standpunten over heidenen en ongelovigen, maar hier blijkt maar weer dat ze dingen kunnen zeggen die méér inhoud hebben dan veel theologen bij elkaar kunnen zeggen! Hoe zijn deze Filistijnen tot zulke ware woorden gekomen? En lijken ze misschien op kerkmensen?

Wat ze belijden van God

Het voodoo-denken zit de mens meer in het bloed dan hij wellicht wil toegeven. Met voodoo probeert men een object te gebruiken om er een wending in het levensongeluk mee te veroorzaken. Door een zichtbaar object te gebruiken, visualiseert men de kwade macht, die op zich onzichtbaar is. Men probeert dan die boze macht in te dammen, te vervloeken of zelfs te doorboren en dood te maken.
In deze geschiedenis zien we dat denken ook terugkomen: de kwade dingen (puisten en muizen) worden gevisualiseerd en men probeert er macht over te krijgen, door ze in een doosje terug te sturen naar Israël, samen met de ark van God, die men op de een of andere manier zag als de personificatie van de God van Israël. Die ark terugsturen met dat wat Hij als plaag over de Filistijnen had uitgestrooid zou wellicht een gunstige wending voor hen kunnen betekenen.
Dat denken kom je – weliswaar in een wat andere vorm – ook tegen in de kerk. Daar wordt de zonde gepersonificeerd soms als ‘de oude mens’ en die moet je zien dood te krijgen. Daar wordt satan soms gevisualiseerd in allerlei gedrochtelijke figuren en wordt zijn macht in vormen gegoten die voor ons mensen verleidelijk zouden kunnen werken. Je zou dan je smartphone moeten vernietigen of je cd-­ of dvd-collectie, omdat daarin het kwaad zou zitten.
Begrijp me goed: zonde bestaat, satans macht valt niet te loochenen en de ‘oude mens’ is geen verzinsel op zich. Maar waar het me om gaat is de manier waarop men ermee omgaat! Denken we macht te kunnen uitoefenen op het kwaad, als we dat in iets (of iemand) duiden? Dat is tamelijk heidens denken!
De grote vraag is: moeten we wel erg bezig zijn met de zonde op zich? Of moeten we niet juist al onze aandacht richten op Christus Die met Zijn Geest deze kwade invloeden en werkingen van satan kan laten verdwijnen? Moeten we echt preken volstoppen met aanwijsbare uiterlijkheden die zogenaamd de zonde zouden visualiseren? Of moeten we juist meer Hem laten zien, Die macht heeft over álles? Onze hemelse Bruidegom, Die als het Lam én als de Leeuw naast Zijn Vader op de troon zit en altijd voor ons bidt?
De Filistijnen houden ons in die zin een spiegel voor: pakken wij onze bekering ook niet vaak op dezelfde manier aan? Maken we de zonden en de verleidingen concreet tastbaar om ze zo te kunnen beïnvloeden en bestrijden? Menen wij dus, door een strategie van religiositeit, deze kwade machten de baas te kunnen, zij het dat het een levenslange strijd is? Of durven we al te leven bij de overwinning die in Christus vast en zeker is? Dat is nogal een verschil!
Deze heidenen merken dat er met die ark van God wat aan de hand is. Die ark lijkt al die plagen te veroorzaken. Hoe krijg je grip op de zaak? Hoe kun je het kwade ombuigen en naar je hand zetten? Ze raad­plegen hun tovenaars en die adviseren dat ze de ark moeten terugsturen. Daarmee zullen ze van het kwaad verlost kunnen worden. En als je “de ark des Gods van Israël wegzendt, zendt haar niet ledig weg, maar vergeldt Hem ganselijk een schuld­offer; dan zult gij genezen worden, en ulieden zal bekend worden, waarom Zijn hand van u niet afwijkt.”
Hoe ziet zo’n offer er dan uit? Wel, dan zie je dat het bijgeloof veel met cijfers en getallen werkt en met denkbeeldige gelijkenissen. Het namaken of visualiseren van de plagen in een oplage van het aantal stadsvorsten, zou maken dat alles in perfecte harmonie is. Die Filistijnen hadden met hun bijgeloof wel helder dat God een God van orde is! Maar met hun mystiek sloegen ze het spoor van het kabbalisme in, waarmee ook veel rechts-orthodoxe kringen, als ook esoterische stromingen binnen de kerk het bos in gaan. En dan spreken de Filistijnen over het ‘God de eer geven’. Wat bedoelen ze? De Kanttekeningen leggen ons uit: “Door te bekennen dat gij met recht van Hem gestraft zijt over uw vergrijping aan de ark des Heeren.” Dus schuldbekennen is een manier waarmee je God weer laat luisteren naar je gebeden. Dat hadden die Filistijnen op zich goed begrepen!

Wat ze belijden van hun eigen god

Wat ze ook goed begrepen hadden is dat God Zich niet zomaar voor een karretje laat spannen. Hoe goed jij je schuldbelijdende godsdienstigheid ook vorm geeft… dáárin ligt geen automatische verhoring: “misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over ulieden en van over uw god en van over uw land.”
Maar ze pakken deze mogelijkheid wel met beide handen aan… omdat ‘niets doen’ geen optie is! Ook zo’n verrassend goed voorbeeld voor veel kerk­mensen! Lijdelijkheid is de dood, vinden de Filistijnen. En ze hebben er ook een steekhoudend argument bij: “Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?”
Met die God van Israël viel minder te spotten dan met Dagon! Ze willen het misschien niet zo goed toegeven, maar ze zeggen wel iets dergelijks: “misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over … uw god …” De God van Israël had laten zien dat Hij die Dagon van hen in Zijn macht had. Dagon is blijkbaar niet in staat voor zichzelf op te komen (net als Baäl bij Elia). Hij regelt geen enge ziekten en plagen. Hij toont geen weerstand te kunnen geven aan de HEERE.
Daarom springen de Filistijnen zelf maar in de bres voor Dagon. Laten we dit en dat doen, zodat die God van Israël onze god met rust laat! Hoe helder zien zij de werkelijkheid onder ogen, maar hoe blind blijken ze uiteindelijk te zijn!

Wat ze niet belijden van God

Want ja… ze belijden niet dat de HEERE de enige ware God is. Ze blijven vasthouden aan hun vaste patroon en vertrouwde godsbeeld. Ze proberen die werkelijk levende God op afstand te houden, te manipuleren, op een voodoo-achtige manier. Ze gaan dingen maken om Hem in hun greep te krijgen. Ze gebruiken voorwerpen om iets bij Hem gedaan te krijgen en weer grip te krijgen op hun afgodische leven. Daartoe was Dagon dan weer niet in staat, maar zijn profeten of tovenaars blijkbaar wel.
Grip op God en het goddelijke proberen te krijgen, dat zit sommige kerkmensen ook in het bloed. En de wet speelt daar een belangrijke rol in! Die wet is voor sommigen een tool om God tot iets te bewegen. Je strak aan regels houden – puur om de regels zelf en niet om de HEERE met heel je hart te dienen – is een begaanbaarder pad voor hen, dan Christus dienen en je verlaten op Zijn volbrachte werk! Bidden in Zijn naam ligt minder prettig in het gehoor dan de woorden van Psalm 119 vers 70: “Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.” Of vers 87 “Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.” Men gaat voorbij aan hoe de dichter het bedoelde en dat hij zich bevond in de oude bedeling, waarin de Messias nog komen moest!

Waarin zij lijken op veel kerkmensen

Grip op God krijgen is een hardnekkig stuk ongeloof en heidendom in de kerk. En je komt het over de volle breedte tegen. De gaven van de Geest uitbeelden, overaccentueren en misbruiken als stadia in het geloof. Ziekte en ongeval koppelen aan de kracht van jouw geloof. Maar even goed jezelf minderwaardig maken om zo te doen alsof God daarmee groter zou worden. Hij wordt enkel geëerd door onze gebeden om Zijn hulp. Als we al onze hulp van Hem verwachten dan geven we Hem de eer die Hem toekomt.
Gods adviezen zo letterlijk mogelijk naleven is wel iets dat zichtbaar en meetbaar is. Maar dat is direct ook het probleem. De mensen om ons heen moeten ons niet op waarde kunnen schatten. God kent ons hart en weet waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Dus hoe relevant is dan eigenlijk een opgedirkt leven van uiterlijkheden, waarin de hartelijke liefde tot Hem ontbreekt?
Tenslotte het ‘misschientje’, waarover deze Filistijnen spreken. Met goden weet je maar nooit. De rooms-katholiek tobt er vaak mee; de moslim is zijn levenseinde ook niet zeker; en talloze christenen meten hun geloofszekerheid ook af aan hun gestalte en daden. Maar óf God daar positief op reageert moet je maar afwachten… Waar is het vaste geloof in Hem en het vaste vertrouwen? Laten we leven van en in Zijn liefde. Laat Hém je leven niet alleen regeren maar ook vormgeven tot Zijn eer. Leer Hem kennen!

Vragen

Kende je deze geschiedenis? Hoe heb je die altijd gelezen en zijn er dingen die je nu zijn gaan opvallen? Herken je vormen van bijgeloof in de kerk? Zit er ook iets vab in je eigen leven? Wie is God voor jou?

maandag 26 augustus 2019

Uw God is mijn God!

Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de HEERE en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u! (Ruth 1 : 16-17)

Natuurlijk kan de belijdenis van Ruth niet ontbreken in deze serie! Hij zat al in mijn achterhoofd toen ik zondag op onaangename wijze werd getroffen door de uitspraak van Josafat tegen Achab: “Want Achab, de koning van Israël, zeide tot Josafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg” (2 Kron. 18 : 3).
Ja, wat onderscheid ons eigenlijk? Moeten we niet meer zoeken naar wat ons verbindt? Dat is heel actueel en modern… en je voelt je haast schuldig als je er veel kritischer in staat. Maar terecht wees de dominee erop dat Josafat hier in een dieptepunt verkeerde: zijn volk was anders en had ook anders moeten zijn in deze. Josafat wist dat er een heel groot verschil was tussen zijn tweestammenrijk en Achabs tienstammenrijk! En dat verschil zat hem vooral in de koningen zelf. Josafat diende de HEERE met héél zijn hart. En Achab verafschuwde de HEERE met héél zijn hart. Dat staat diametraal tegenover elkaar!

Eén reisdoel

“Uw volk is als mijn volk”? Dat is heel iets anders als wat Ruth zegt: “Uw volk is mijn volk”. Kijk, in de geschiedenis van Josafat bleven de twee volken los van elkaar staan, hoewel ze samen dingen gingen doen (die overigens fout waren). Maar in het geval van Ruth blijft er maar één volk en één God over.
Toen mensen zich gingen ergeren aan Jezus en Hem verlieten, zei Hij tegen Zijn discipelen: “Willen jullie ook niet weggaan?” Jezus claimt nooit. Hij laat je vrij, maar ook de weloverwogen keuze… alleen daar hangen dan wel de consequenties aan! Simon Petrus schiet in als door een wesp gestoken op: “Heere, tot Wie zouden we dan heen moeten gaan? U hebt de woorden van het eeuwig levens!”
Petrus voegt er ook nog een uitleg aan toe: “Wij hebben geloofd en bekend, dat U de Christus, de Zoon des levenden Gods bent. (Johannes 6 : 66-69) Direct daarop maakt Jezus het onderscheid tussen de elf discipelen die dat beleden en Judas! Valt je dat niet op in vers 70 en 71?
Als je op de omstandigheden let, dan kun je maar beter gaan. Wat een gedoe ook om Jezus te volgen. Het kost zoveel… Maar als je op de heerlijkheid ziet die wacht, dan blijft er maar één keuze over. Ruth en Petrus lijken in deze wel op elkaar; in veel dingen overigens niet, maar hierin wél!
Ruth verduidelijkt dat door een soort drietraps­raket van argumenten. Waar Naomi heen reist, waar ze overnacht, ja zelfs waar ze zal sterven en worden begraven, dáár wil Ruth ook zijn. Dat is wellicht nog wat aards gedacht. Maar er komt meer!

Eén volk

“Uw volk is ook mijn volk!” Dat was grootspraak als je de Thora serieus neemt. Lees in Deuteronomium 23 wie er níet in de eredienst mochten komen: “Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen tot in eeuwigheid. Ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als gij uit Egypte uittoogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, den zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. Doch de HEERE, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar de HEERE, uw God, heeft u den vloek in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad. Gij zult hun vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid.” Pittige taal! Men mocht zelfs ‘het beste’ niet voor die volken zoeken!
Hier had Naomi natuurlijk direct duidelijk moeten zijn. Nee, Ruth, jij hoort er niet bij! Jij bent vervloekt. De tegenvraag had natuurlijk geluid: “Waarom bent u dan wel naar Moab gekomen, toen er honger in Israël was? Waren wij moabieten toen wel goed genoeg? Wat een schijnheilig volk zijn jullie dan?!”
Maar die toon slaat Naomi niet aan. Of het eerlijk was of schijnheilig, laat ik even in het midden. Er is in het gezin van Naomi en Elimelech blijkbaar gesproken over het volk Israël. Deze heidense schoondochters hebben er iets van opgepikt, zodat Ruth tot deze uitspraak kwam: “Uw volk is ook mijn volk!” Blijkbaar was haar eigen volk niet aantrekkelijker dan Israël!
Door haar huwelijk met Machlon was zij nog geen jodin geworden. Als ze kinderen kreeg, zouden die half-jood en half-moabiet zijn. Hun kinderen zouden noch tegen vader Machlon, noch tegen moeder Ruth kunnen zeggen: “Uw volk is ook mijn volk”. Dat is best iets om over na te denken, als je een relatie aan wilt gaan. Beide voorgeslachten worden de voor­geslachten van je kinderen (als God die geeft), maar ook beide culturen zijn van invloed op je kinderen. Het is daarom niet zonder risico als je met een totaal verschillende achtergrond samen een relatie aangaat.

Eén God

Maar… onmogelijk is het niet. Mits je het volgende Ruth ook kunt nazeggen: “Uw God is ook mijn God!” In de woordkeus van Josafat zou dat hebben geklonken als: “Uw god is als onze God”. Heel hip en 21e eeuws! “Ach, we dienen toch eigenlijk allemaal dezelfde God?” “De God van de Bijbel en Allah zijn toch eigenlijk dezelfde God, nietwaar?” “Je moet niet altijd op de verschillen inzoomen, maar laten we vooral inzetten op de overeenkomsten, de dingen die ons met elkaar verbinden.” ‘Verbinden’ is misschien wel het gevaarlijkste woord uit onze tijd. Want het lijkt goed; een christelijke roeping zelfs. Maar het kan zomaar de dood in de pot worden.
We hebben niet allemaal dezelfde God… maar er is ook maar één God. Dat houdt dus in dat anderen ‘geen god’ hebben en dus verloren liggen! Dat is een boodschap die weinig verbindend werkt. Wanneer je mensen laat merken dat je bewogen bent met hun lot, omdat ze God negeren, van Hem weglopen, dan kun je diverse reacties verwachten: “Wie ben jij om je boven mij te verheffen?”, “Wie bepaalt wat waarheid is?”, “God is een verzinsel van mensen” of “God zit in ons allen; ieder heeft een deeltje van het goddelijke… dat moet je in dit leven zien te ontdekken”.
Er zijn ook reacties die minstens zo lastig zijn, omdat ze positief lijken te zijn verwoord: “Wat mooi dat jij dat ziet en dat jij zoveel aan je geloof hebt!” of “Ja mooi voor jou… ik heb daar niet zoveel mee.” Je voelt de vriendelijke afwijzing, waarmee ten diepste niet jij maar God op afstand wordt gehouden.
Ik geloof niet dat Naomi het beste voorbeeld van missionair bezig zijn is geweest. Het leven van Naomi is nergens missionair. Haar gesprek met Ruth is nog veel minder missionair… Zo zouden wij het anno nu nooit hebben gedaan. Ik heb een brochure van het FOCUS-project van de IZB voor me liggen. Ik moet er nog in beginnen, maar ik vermoed dat ik nergens de figuur van Naomi zal tegenkomen. “Ga terug” en “Ik kan je geen nieuwe toekomst geven” of “Probeer het geluk in je eigen (afgodische!) land te vinden”. Nee, ik denk dat Naomi met haar leven niet zo’n mooi beeld heeft gegeven van een leven met de HEERE. En ik vermoed dat ook Elimelech, evenals Machlon, Ruths man, niet veel hebben laten zien van Wie de HEERE is.
En toch… en toch… is er iets gebeurd. Noami, noch Elimelech, Machlon en Chiljon waren bewust met hun leven een leesbare brief. En toch… tóch is de HEERE ergens mee aan het werk gegaan. Waren het de gebeden die dagelijks werden opgedreund? Waren het de eetgewoonten, de wettische manier van leven, de liederen die werden gezongen? Nou, als ik mijn gevoel laat spreken dan vermoed ik dat het dat laatste was. Maar ik sluit het andere niet uit.
Er zijn vragen gerezen in het hart van Ruth. Goed mogelijk dat ze Machlon, nadat ze waren getrouwd, vragen heeft gesteld en dat die haar doorverwees naar zijn ouders. Dat er gesprekken ontstonden. Geen individualisme, geen focus op het persoonlijke dat jij hebt aan jouw geloof… nee, het volk Israël is daar ook bij om te hoek komen kijken, hoewel het aan de andere kant van de grens woonde!
De Messias móet aan bod zijn gekomen. De hoop die Israël had op zijn God en op Diens belofte van de komende verlosser. Wie weet dat de volksverhalen, van de sidderende koning Balak en Bileam die ‘onder de macht van díe God stond, zodat hij niet kon vervloeken, maar zegenen’ er wel aan hebben bijgedagen dat Ruth evenals Rachab (haar latere schoonmoeder!) is gaan nadenken en de Heilige Geest werd uitgestort in haar hart! Zo eenvoudig kan het gaan! Ben je je dat bewust?

Vragen

God is voor Ruth persoonlijk ‘mijn God’ geworden. Praat eens met elkaar door over hoe dat bij ons ging en hoe wij voor anderen juist dát kunnen zijn waardoor zij gaan inzien en vragen naar de HEERE. Hoe is de missionaire uitstraling van jouw gemeente (en kerk) en wat draag je daarin bij? Of ben je een sta in de weg?

zaterdag 24 augustus 2019

Lichtvaardige volkskerkgedachte

En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den HEERE, onzen God, dienen,
en wij zullen Zijner stem gehoorzamen. (Jozua 24 : 24)


Ik zie een bezorgde moeder, die haar zoon of dochter allerlei waarschuwingen meegeeft, omdat ze het gevaar kent waar haar kind mee te maken kan krijgen. En bij elke waarschuwing antwoord het kind – op een steeds luidere toon – “Jahaa… dat zal ik echt wel doen…” of “Neeheee… dat zal ik echt niet doen…” Totdat die zoon of dochter antwoord: “Maar mam, ik ben geen baby meer! Ik kan heus wel op mij zelf passen. Er gebeurt heus niks!” Met een pijnlijke blik doet moeder er het zwijgen toe.

Bezorgdheid

Nu weet ik wel dat ouders mensen zijn met een ­karakter dat ook door allerlei omstandigheden is gevormd. En natuurlijk is het zo dat in dat eigen­gereide gedrag van het kind ook iets zit van de drive die diep van binnen bij de ouder leeft. Ouders kunnen overbezorgd zijn (door wat voor omstandigheden ook) zonder dat dat persé nodig is.
Maar dat kun je niet zomaar van de HEERE zeggen. En daarin staan ouders en kinderen gelijk voor God. Als de HEERE waarschuwt is er heel vaak dat stemmetje diep van binnen dat zegt: “Ja, maar zo zit ik niet in elkaar” of “Ja, maar dat overkomt mij niet.” Een eigenwijze geest bezielt ons allen en het is die vervloekte oude mens die daar handig gebruik van weet te maken!

Affakkelen

Echter, de HEERE waarschuwt niet alleen maar. Hij geeft ons ook regelmatig een duwtje in de rug om zelf achter Hem aan te wandelen. Er zijn predikanten die uit de Bijbel juist alleen maar die waarschuwende dingen naar voren halen. Alsof God niet ook andere dingen heeft gezegd, niet méér heeft gezegd… Zo’n stuk onbalans in de preek maakt ook een vertekend beeld van God Zelf. Daarom is balans noodzakelijk.
Eén van de woorden in dit hoofdstuk waar ik langer over heb nagedacht is vers 19: “Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven.” Wat is dat voor een affakkelend gedrag van Jozua? Waarom moet dat nou zo? Het herinnerde me aan een predikant die bij ons voorging; na afloop spraken enkele jongeren hem aan over zijn preek. In de loop van het gesprek ging het over bidden, toen één van de jongeren zei dat ze alle dingen in het gebed bij de HEERE bracht. Daarop zei de predikant: “Maar je kunt helemaal niet bidden.”
Ik laat het uiterst vervelende gesprek verder rusten, maar aan juist die woorden moest ik denken, toen ik de woorden van Jozua aan het volk las: “Maar jullie kunnen de HEERE helemaal niet dienen!” Huh? Waarom niet: “Want Hij is een heilig God!” Ja? En? Dat zal het volk toch wel niet ontkennen? Maar dat wil toch niet zeggen dat je God niet kunt dienen? Van waar zo’n afsnijdende ‘preek’?

Overmoed en halfslachtigheid

Nou, als een dominee dat zou doen, moet je je heel goed afvragen wat zijn motief is. Zijn er dingen, waarop hij doelt, die maken dat hij zo iets afsnijdends zegt? Je kunt niet zomaar iets zeggen namens God, zonder daartoe de opdracht van God te hebben gekregen. En dan bedoel ik niet alleen de roeping tot het ambt, maar ook de last die Hij je heeft opgelegd.
Is Jozua zo’n zware predikant, die nooit het licht van Gods goedheid in de preek laat doorstralen? Is hij zo’n ‘dokter’ die graag zieke patiënten houdt, omdat hij anders zijn inkomsten kwijt raakt?
Nee, rond vers 19 zijn dingen waar te nemen die erop wijzen dat Jozua die woorden met een specifiek doel sprak. Het lijkt erop dat het volk overmoedig is in haar belijdenis om de HEERE te dienen. Eigenlijk moet ik het nog sterker zeggen: het is hoogstwaarschijnlijk zelfs een vorm van huichelarij dat het volk deze woorden spreekt en dat de woorden van Jozua zich juist daarop richten. Wat is er aan de hand?

Volkskerkgedachte

Eerst wil ik kijken naar de belijdenissen van het volk in dit hoofdstuk. Jozua is aan het einde van zijn leven gekomen en dit is eigenlijk zijn sterfbedpreek. Hij brengt het volk de wonderen van de HEERE in herinnering (belangrijk element!). Rode draad door deze volks­geschiedenis (deze manier van historiebeschrijving vertoont gelijkenis met de manier waarop een volkskerk zijn geschiedenis beschrijft: God wordt gekoppeld aan die ene kerk voor het volk) is de afgoderij. Abraham werd geroepen uit Ur, uit het heidendom.
Dwars daar doorheen maakte God Zijn verbond met Abraham, Izak en Jacob. Hij was het volk nabij in Egypte, waar afgoden werden gediend. Hij voerde het uit de slavernij en bracht het in de vrijheid met Hem. Maar allerlei duivelse machten probeerden het volk terug te trekken in die dienst aan satan. Eerst waren het de Egyptenaren. En het volk heeft kunnen zien dat God scheiding maakte tussen hen en haar achtervolgers, heel letterlijk door voor die anderen ‘duisternis’ te zijn en voor Zijn volk juist ‘licht’! Toen kwam – we kwamen hem al tegen – Bileam die door Balak werd geroepen om dit volk niet via lichamelijke kracht, maar spirituele kracht van God af te trekken.
En tenslotte kwam het volk in het Beloofde Land waar allerlei afgodendienende volken woonden. De HEERE streed voor hen en verdreef (lees: verdierf) die volken vanwege hun afgoderij.
Wat mij zo sterk opvalt is dat de HEERE door Jozua hier nergens refereert aan Israëls afgoderij! Hij noemt het gouden kalf niet. Hij lijkt het gebeuren in Peor te zijn vergeten, waar Bileam het volk – al kon hij het niet vervloeken – tóch tot zonde verleidde, door het op de sexuele zwakke plek te raken. Ook hoor ik niets over de afgoderij van de hebzucht, zoals bij Ai. En de zonde van de onderlinge wedijver. Misschien dat juist in dat verzwijgen Gods vinger wel het duidelijks was te merken voor het volk.
En nadat al die dingen dus niet uitgesproken zijn zegt Jozua: “En nu, vreest den HEERE, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde der rivier, en in Egypte; en dient den HEERE. Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont…” (vers 14-15).
Goden die uw voorvaderen hebben gediend? Ja, Abraham en Terah in Ur. En de afgoden in Egypte. Dank daarbij maar aan die keer dat dat eruit kwam: het gouden kalf. Jozua lijkt enkel te benadrukken dat ze God moeten dienen met een oprecht hart en dus op een waarachtige (transparante) manier. Hij laat ze zelfs de keuze om dat juist níet te doen. Wat hij wil is een overtuigde keuze voor of tegen God.
Jozua sluit af met de bekende woorden: “maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!” Nou, hier zegt Jozua toch ook dat Hij de HEERE zal dienen? Waarom zegt hij dan dat het volk dat niet zal kunnen?
Het volk heeft dat in dit hoofdstuk al meerdere keren beleden: “Het zij verre van ons, dat wij den HEERE verlaten zouden, om andere goden te dienen. Want de HEERE is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn. En de HEERE heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen ook den HEERE dienen, want Hij is onze God.” (vers 16-18).
En als Jozua dan gezegd heeft dat ze dat niet zullen kunnen, ontkent het volk dat ook stellig: “Neen, maar wij zullen den HEERE dienen!” (vers 21).

Lichtvaardig

“Oké dan…” Jozua lijkt zijn tegenwerpingen te staken en zegt “Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den HEERE verkoren hebt, om Hem te dienen.” Het volk gaat direct akkoord: “Wij zijn getuigen” (vers 22).
Maar waarom die kritische noot van Jozua dan? Wel dat komt eruit in het volgende vers: “En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den HEERE, den God van Israël.” Hij doelde met zijn woorden dus op die afgoden die ze toch nog (fysiek of in hun hart) bij zich droegen! Het was een lichtvaardige (lichthartige, vlinderachtige) belijdenis, terwijl niet hun hele hart erbij was. Het lijkt erop dat ze volharden: “Wij zullen den HEERE, onzen God, dienen, en wij zullen Zijner stem gehoorzamen.” Ze waren het volk van het verbond en God was alleen hún God (exclusief) dus… Lichtvaardig toch?

Vragen

Snap je Jozua’s bezorgdheid? Kan elke prediker dat zo zeggen? Praat daar eens over door met elkaar. Snap je het volk? Herken je dat in je eigen leven? Wat is er zo dom aan het je vromer voordoen voor God, dan je bent? Waarin zit de lichtvaardigheid dat God Zijn verbond en genade aan één (volks)kerk zou bewijzen? Herken je dit soort dwalingen in jouw kerk en/of gemeente?

zaterdag 17 augustus 2019

Mijn God neemt bedriegers in dienst

En Jozua riep hen en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer ver van ulieden gezeten, daar gij in het midden van ons zijt wonende? Nu dan, vervloekt zijt gijlieden, en onder ulieden zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters, ten huize mijns Gods. (Jozua 9 : 22-23)

Wat zou jij doen, als je wist dat je gedood zou worden en er geen ontkoming mogelijk was? Vluchten zou een optie zijn, maar waarheen? Waar ben je veilig en waar loop je niet het risico uitgeleverd te worden? De Gibeonieten zaten in zo’n situatie.
Gibeon was een stad in het land Kanaän. De mensen die er woonden maakten deel uit van de Chiwwieten of Hivvieten (die we vanuit de Statenvertaling kennen als Hevieten), een stam binnen de Amorieten. Ze waren afstammelingen van Kanaän, de zoon van Cham, de zoon van Noach. De naam Hevieten betekent ‘dorpelingen’. Ze woonden onder andere in Sichem, Gibeon en bij de berg Hermon.

De list

Maar terug naar die vraag: wat zou jij doen als je wist dat je gedood zou worden? Blijkbaar wilden de mensen uit Gibeon hun stad niet verlaten en naar een veilig onderkomen vluchten. Daarom bedenken ze een list. Waarom waren ze zo bang? Ze hadden de verhalen gehoord over een volk dat zomaar over de Jordaan kwam zetten en claimde dat het land Kanaän van hen was! De sleutelstad Jericho werd veroverd op ontzagwekkende wijze en ook Ai volgde snel.
De verhalen over dat volk en vooral de God van dat volk, boezemden enorme angst in. Tegen zo’n volk kon je alleen maar verliezen! Want dat volk had een machtig God. De mensen in Kanaän – dat moet je wel goed beseffen – geloofden dus in de macht van God! Hoor maar wat Rachab tegen de verspieders zei: “Ik weet, dat de HEERE u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt. Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de HEERE, ulieder God, is een God boven in den hemel, en beneden op de aarde” (Jozua 2 : 9b-11).
Dus tóen al gingen de verhalen over Israël in heel Kanaän rond! Dat is een gegeven dat we ons veel te weinig realiseren. Bij Rachab zien we een belijdenis die in overgave eindigt. Maar bij de Gibeonieten zien we een list, die hoogstaander is dan de list die Jacob (en Rebekka) bedachten om Ezau de eerstgeboortezegen te ontfutselen!
Want… wat deden de Gibeonieten? Ze speelden toneel: ze deden alsof ze reizigers uit een heel ver land waren. En dat toneelstuk voerden ze op in het hol van de leeuw: voor Jozua’s tent! In de eerste twee verzen van Jozua 9 kun je lezen dat de volken in Kanaän een verbond sloten en eendrachtig tegen Israël wilden strijden. Maar de Gibeonieten hadden na Jerico en Ai wel door dat dat op een grote mislukking moest uitlopen. Daarom gingen ze over tot die list.

Het toneelstuk en het plot

Wat speelden deze mensen dan voor spel? Zij ­“veinsden gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden lederen wijnzakken; ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude klederen aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld.” Toen ze bij Jozua in Gilgal kwamen gaven ze tekst en uitleg: “Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.”
Je snapt niet dat Jozua en de Israëlieten zo dom waren om niet verder door te vragen. "We komen uit een ver land…" Ja ja, maar welk land dan? Nou, enige achterdocht kregen ze wel: “Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken?” Ze waren zich op dat moment nog wel bewust van de afspraak die God met hen had gemaakt!
Toen vroegen ze nog een keer waar ze vandaan kwamen en ze kregen hetzelfde antwoord, maar ook nog een extra argument: “…want wij hebben Zijn (Gods) gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft; en alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, den koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharoth woonde.  Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners onzes lands, zeggende: Neemt reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zo maakt nu een verbond met ons. Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld; en deze lederen wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze klederen, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis.”
Uiteindelijk komt het tot een verbond en het meest aangrijpende wat er over de Israëlieten in het algemeen – en Jozua in het bijzonder – valt te zeggen is: “zij vraagden het den mond des HEEREN niet.” En juist dát gaat het probleem opleveren.

De straf en de zegen

Want dan breekt het moment aan dat de Israëlieten volop bezig zijn het land gewapenderhand in te nemen. En plots stuiten ze op bekende gezichten. Want na drie dagen komen de Israëlieten er achter – hoe dat weten we niet – dat die mensen met wie ze een verbond hebben gesloten, gewoon in Kanaän wonen. Hun steden worden genoemd: Gibeon, en Chefira, en Beeroth, en Kirjath-jearim. De oversten van het volk denken terug aan de eed die zij hen hebben gezworen.
“Gij zult geen vals getuigenis geven” en “Gij zult de Naam des HEEREN uws Gods niet ijdel gebruiken”. Laat je ‘ja’ echt ja zijn en je ‘nee’ ook daadwerkelijk nee. Ontrouw aan je – onder aan­roeping van de HEERE – gegeven woord is eigenlijk Hem afschilderen als een ontrouw God. En juist dát hadden de oversten van Israël goed begrepen. En dat hielden ze overeind staan, toen het volk in opstand kwam: “Toen zeiden al de oversten tot de ganse vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den HEERE, den God Israëls; daarom kunnen wij hen niet aantasten” (vers 19).
Vervolgens gaat Jozua met de Gibeonieten in gesprek: “Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van ulieden gezeten, daar gij in het midden van ons zijt wonende? Nu dan, vervloekt zijt gijlieden! en onder ulieden zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ten huize mijns Gods.”

Mijn God neemt bedriegers in dienst

Jozua houdt zijn woord; het volk krijgt hij erin mee; daaruit blijkt dat ook de HEERE er Zijn zegen aan verbindt. We zien een ootmoedige houding bij de Gibeonieten, als ze Jozua antwoorden: ”Dewijl het aan uw knechten zekerlijk was te kennen gegeven, dat de HEERE, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij ulieden al dit land geven, en al de inwoners des lands voor ulieder aangezicht verdelgen zoude, zo vreesden wij onzes levens zeer voor ulieder aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan. En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, gelijk het goed en gelijk het recht is in uw ogen ons te doen.” Dat is een prachtige houding en zie eens hoe God dat beloont! “Zo deed hij (Jozua) hun alzo, en hij verloste hen van de hand der kinderen Israëls, dat zij hen niet doodsloegen.”
Het feit dat Jozua spreekt over ‘het huis van mijn God’ tekent de kloof tussen Israël en de Gibeonieten. Wat zal het gevolg zijn? Zullen ze buitengesloten worden of opgesloten? Ongelofelijk is het te zien dat ze door de HEERE in Zijn dienst worden opgenomen!
Drie van hun steden werden aan Benjamin en één stad aan Juda gegeven (Joz. 18: 14, 25). Gibeon zelf werd een priesterstad (Joz. 21: 27). En een lange tijd, zelfs toen de ark van het verbond al in Jeruzalem was, stond de tabernakel in Gibeon en daar werd geofferd! (1 Kron. 16: 39 . 21: 29).
De Gibeonieten komen nog vaak in de Bijbel voor; maar hoewel ze vreedzaam en vroom leefden te midden van Israël liet nota bene Saul hen uitroeien (2 Samuël 21)! Des te opmerkelijker is het dat de HEERE door hongersnood duidelijk maakt aan David dat er nog een rekening open stond; zij eisen de ophanging van zeven zonen van Saul en dat wordt gehonoreerd. Luguber maar het laat zien dat God Zich altijd aan Zijn Woord blijft houden! Uiteindelijk gaan de Gibeonieten op in de Nethinim, de tempel­dienaren en worden ze niet meer los genoemd.

Vragen

Deel eens met elkaar wat deze geschiedenis met je doet? Wat zegt het over beloften doen? Wat vertelt het over Gods rechtvaardigheid en betrouwbaarheid? Welke beloften liggen erin voor de bekering van ongelovigen? Praat eens met elkaar door de overeenkomsten tussen Jezus en Jozua (hun namen betekenen hetzelfde!); denk aan Gods oordeel en de weg die Jezus baande.

donderdag 15 augustus 2019

Mijn Middelaar en mijn God

Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken;
naar Hem zult gij horen; naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling,
geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur
zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve. Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.
Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. (Deuteronomium 18 : 15-18)


In navolging van de voorgaande overdenking gaan we dezelfde geschiedenis in een ander daglicht bekijken vanuit Deuteronomium 18. Want hier komen we dezelfde woorden tegen – de vraag van het volk om niet meer naar het donderende stemgeluid van ‘mijn God’ te hoeven luisteren, maar dat Mozes als tussenpersoon of middelaar mag optreden – maar dan ingebed in een andere context!

De tweede Mozes

In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk ging het over het erfdeel van de Levieten (die dus geen eigen land kregen, maar een aparte positie innamen) en over waarzeggerij en occultisme. “Oprecht zult gij zijn met den HEERE uw God.” Een stelregel die altijd geldt.
Geen onheilsprofeten of valse profeten, maar je bent gehouden aan een eerlijke boodschap! En juist daar haakt God op in, als Hij Mozes gaat vertellen over dé Grote Profeet Die gaat komen. Hij beschrijft Hem, zonder Hem een naam te geven. Hoewel wij er duidelijk de Messias in zien, wordt in dit gedeelte de link met de Messias nog niet gelegd!
Wanneer je de Kanttekeningen erbij haalt zie je dat ze maar liefst vijf overeenkomsten zien tussen Mozes en Christus:
1. Zoals Mozes een waarachtig mens was, uit het zaad van Abraham, zo is Christus ook.
2. Zoals  Mozes het volk van God heeft verlost uit de lichamelijke slavernij van Egypte, zo heeft Christus Zijn volk verlost uit de geestelijke slavernij.
3. Zoals  Mozes tussen God en het volk stond bij het verbond van de wet, Gal. 3:19, zo is Christus de unieke Middelaar tussen God en Zijn volk bij het verbond van de genade.
4. Zoals Mozes getrouw was in het gehele huis (al het diendende werk) van de HEERE, Hebr. 3:2, zo is Christus volmaakt in het zorgen voor Zijn gemeente.
5. Mozes was een groot profeet en leraar van het volk; Christus is het Hoofd van alle profeten; door Zijn Geest hebben Mozes en de anderen gesproken,
1 Petr. 1:11. Maar dat hier de andere profeten niet bedoeld worden, blijkt uit Deut. 34:10, waar wordt gezegd dat er in Israël nooit een profeet is opgestaan zoals Mozes.
Met name het punt van het Middelaarschap is de treffendste overeenkomst en in die zin kun je zeggen dat Jezus Christus de tweede Mozes is. Het is in dat verband ook opmerkelijk dat bij de verheerlijking op de Berg naast Elia juist ook Mozes terugkeert om met Jezus te spreken over “Zijn uitgang, die Hij zoude volbrengen te Jeruzalem” Lukas 9 : 31)

De nieuwe Profeet

Hoewel er al meer mensen in de Tenach de revue zijn gepasseerd met profetische gaven, is de periode van de profeten nog niet echt aangebroken. En juist nú gaat de HEERE beginnen over de grote Profeet.
Die nieuwe Profeet gaat hetzelfde doen als Mozes: optreden als Middelaar tussen God en het volk. Wij staan achter de gebeurtenissen, maar voor Mozes en het volk moet dat nog wat vaag zijn geweest. Wie was die Profeet? En wat was Zijn taak? Zou Hij de opvolger van Mozes worden, Die hen in het Beloofde Land zou brengen? Nou, in zekere zin wel, maar zij wisten nog niet wat wij wel weten!
Deze nieuwe Profeet wordt in combinatie met iets merkwaardigs genoemd: die geschiedenis dat God op de berg Horeb Zijn wet kwam afkondigen en Zijn verbond kwam sluiten; en het volk kon het niet aan om naar Gods stem te luisteren. “Want daar hebben jullie op de berg Horeb om gevraagd op de dag dat jullie daar bij jullie Heer God moesten komen. Toen zeiden jullie: ‘We willen niet langer de stem van de Heere God horen en dit grote vuur niet langer zien. Want we zijn bang dat we erdoor worden gedood.’ Toen zei de Heere tegen mij: ‘Het is goed wat ze hebben gezegd. Ik zal hun een profeet geven, iemand uit hun eigen volk, een Israëliet zoals jij…”
In die context brengt God dus die nieuwe Profeet ter sprake! Communiceren met de HEERE levert te veel angst op bij de mensen. Er is iemand nodig die dat namens hen kan doen en die Gods wil duidelijk kan uitleggen en begrijpelijk kan maken.
Je ziet er – naast Christus Die het volkomen en intens volmaakt heeft gedaan – een profielschets van alle predikanten en evangelisten! Dit is de positie van de mensen met profetische gaven. Zij kunnen alleen zó functioneel zijn in deze roeping en taak. Zij die voorganger zijn in een deel van Gods wereldwijde gemeente, dienen een overeenkomst te vertonen met Mozes en vooral met Christus!

De meerdere Mozes

Maar… dat de vergelijking met Mozes mank gaat mag ook duidelijk zijn. Nog een keer halen we de Kanttekeningen erbij: “Mozes lijkt op Christus, behalve natuurlijk Jezus’ eeuwige Godheid, Zijn onbevlekte mensheid en het zaligmakend ambt (Zijn verlossing van de zonde) van onze Heere Jezus Christus.”
Een tolk is iemand anders dan een mediator die twee partijen bij elkaar brengt. En een mediator is weer iemand anders dan een schuldsaneerder. Mensen die door God worden geroepen, zullen maar één van die taken vervullen. Maar Christus doet het allemaal in één. Mozes was zondaar en kon nooit de grote schuld van hemzelf voor God vereffenen. Laat staan die van het hele volk van Israël. Om maar te zwijgen van de schuld van de gehele wereld!
“Maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden.” (Hebr. 9 : 7)
Sterker nog, Mozes krijgt allerlei instructies over het offeren voor de zonden. Maar geen enkel offer kon die schuld daadwerkelijk wegnemen. Dat is best een lastig punt… hoe ging dat dan met de gelovigen uit het Oude Testament? Nou, daar is Paulus tamelijk ondubbelzinnig over in Hebreeën 10 : 10-18): Het offer van Jezus was eenmalig en volkomen. Want “een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen, maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods; voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten. Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. En de Heilige Geest getuigt het ons ook; want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden; en hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.”
Je merkt, Christus is niet alleen een grote Profeet, maar ook een bijzonder grote (Hoge)Priester! “Dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods; zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.” (Hebr. 10 : 21-22) Hier zie je ook weer dat “waarachtig hart” en dat gereinigd geweten terugkomen, waarmee we begonnen.

Dezelfde God

Waar nu die meerdere Mozes is gekomen, zou je ook zomaar het idee kunnen krijgen dat God Zich heeft aangepast. Alsof God nu tevreden is gesteld en jij en ik zomaar met God kunnen omgaan en doen en laten wat we willen. Want onze zonden zijn toch vergeven?
Dat we vrijmoedig tot God mogen gaan door de Weg die Christus, de meerdere Profeet en Priester heeft gebaand, daarover is Gods Woord duidelijk. Maar dat dit betekent dat je op een platvloerse manier met God kunt omgaan, omdat de schuld toch wel vergeven is, is totale onzin. God is en blijft een heilig God. Zijn wet is door Christus vervuld, maar niet afgedaan. Dus als je zondigt, veroordeelt die wet je weer… Immers, het gebod toont de zonde aan; daar heeft God zwart op wit staan wat goed is en wat fout!
Christus’ offer is voor alle wedergeboren gelovigen alles omvattend. Maar daarin zit geen enkele ruimte om te zondigen. Sterker nog, dat wil je dan niet meer. En “als je somtijds uit zwakheid tóch in zonde valt”? Dan moet je die zonde belijden en er niet in blijven liggen en zeker aan Gods beloften “niet vertwijfelen”!

Vragen

Wat vind je van de vergelijking tussen Mozes en Jezus? Zoek eens op, op welke plaatsen dit in het Nieuwe Testament terugkomt. Christus is de hoogste Profeet, maar ook de volmaakte Priester. Wat troost jou erin? En wat kun je daarmee in het evangelisatiewerk?

dinsdag 13 augustus 2019

'Onze God' lijkt een God op afstand

De HEERE, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb. […] En het geschiedde, als gij die stem uit het midden der duisternis hoordet, en de berg van vuur brandde, zo naderdet gij tot mij, alle hoofden uwer stammen, en uw oudsten, en zeidet: Zie, de HEERE, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden des vuurs; dezen dag hebben wij gezien, dat God met den mens spreekt, en dat hij levend blijft. Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; indien wij voortvoeren de stem des HEEREN, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven. Nader gij, en hoor alles, wat de HEERE, onze God, zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de HEERE, onze God,
tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen. (Deuteronomium 5 : 2, 23-27)


Regelmatig wordt ’s morgens in de kerk de wet uit Deuteronomium 5 gelezen in plaats van Exodus 20. Rondom deze tweede wetsvoorlezing vinden we een paar opmerkelijke feiten over de houding van het volk ten opzichte van de HEERE.

Leven in een verbond

In Deuteronomium komt Mozes nog een keer terug op het gebeuren bij Horeb. Op Jozua en Kaleb na wist niemand uit eigen ondervinding wát daar had plaats gevonden. Theoretisch moeten ze allemaal hebben geweten dat God daar Zijn wet gaf. Ook moeten ze iets hebben geweten van het verbond dat de HEERE met Zijn volk had; maar hoe en wat, dat wordt niet echt duidelijk. Maar Mozes speelt er wel op in!
Al direct in vers 2 van dit hoofdstuk schetst hij het kader waarin deze geschiedenis plaatsvindt: “De HEERE, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.” Daar slaat het ‘onze’ op Mozes zelf. Hij is één met zijn volk, wanneer hij dit vertelt. Samen kijken ze terug naar wat God deed. Hij kwam bij de mensen wonen! Weliswaar hoog op een berg (terwijl ze later de ark zouden gaan maken en de tabernakel waar God dichtbij de mensen wilde wonen).
De HEERE kwam niet alleen met angstaanjagend vertoon van wolken en donkerheid, maar ook met daverende donder. En… via Mozes, de middelaar van het Oude Testament, maakte Hij duidelijk dat Hij met Zijn volk wilde spreken. Spreken? Dat vulde het volk met huiver; zoals bij Adam in het paradijs.

Huiveren voor het verbond

We vinden dat overigens ook voor Exodus 20, waar de wetsafkondiging wordt aangekondigd als een gebeuren binnen de context van het verbond! “Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijne. En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn.” (Exodus 19:5-6)
God zoekt – wat een onbeschrijfelijk wonder – het gesprek met Zijn volk, maar Zijn volk deinst achteruit en zoekt de distantie! Er is huiver voor deze nabijheid van de HEERE.
Ja, het is waar dat de HEERE Zelf ook heeft aangedrongen op distantie; ze mochten de berg waarop Hij zou neerdalen, niet aanraken. Ieder die dat tóch deed zou met pijlen worden doorschoten. Er moest, om ongelukken te voorkomen, een hekwerk om de berg worden gemaakt.
Vervolgens – na een grondige heiliging van het volk – gaat Mozes de berg op en pendelt vervolgens tussen de HEERE en het volk heen en weer. Het is opmerkelijk dat in Exodus 20 wel wordt gesproken over de wet, maar er klinkt vanuit het volk nergens ‘onze God’ of ‘mijn God’. Het lijkt er veel meer afstandelijk aan toe te gaan dan in Deuteronomium 5.
Niettemin is er – ondanks de ompaling van de berg – grote huiver voor de HEERE. Met wil het minste en geringste risico niet lopen om buiten de lijntjes te kleuren; want dat betekent je dood!

Spreken dankzij het verbond

En toch… toch spreekt God met Zijn volk! Weliswaar via de tolk Mozes, maar toch… En het is niet zomaar iets wat God vertelt: het zijn de leefregels die passen bij Zijn verbond. Mozes krijgt die regels woord voor woord te horen en hij moet ze goed onthouden en doorgronden. En vervolgens moet hij afdalen naar het volk, om alles door te geven.
Uit al die regels van God blijkt nog eens te meer hoe heilig Hij is en dat interpreteert het volk weer als iets huiveringwekkends. Zij kunnen niet goed omgaan met heiligheid die passend is bij de HEERE. Nota bene hún God! God maakt scheiding tussen Jood en heiden en buiten Hem is geen enkele hoop op leven! In plaats van dat het volk in pure aanbidding en lofprijzing uitbreekt, deinst het terug.
Om het contrast nog duidelijker te laten zien pakken we er de versie van Deuteronomium 5 bij. Want daar spreekt het volk wel over ‘onze God’, maar het doet, alsof die God een huiveringwekkende bedreiging voor hen is. Een God op afstand! En dat is raar. Daar geeft de HEERE ten diepste geen enkele reden toe. Als er al afstand is, dan zit die bij ons.

Vrezen ondanks het verbond

God en Zijn volk waren bij Horeb ‘on speaking terms’, althans, er ontstond een heel merkwaardige en onhandige communicatie, waarin Mozes als tussenpersoon fungeerde. Maar was dat nodig?
“Dit heeft de Heere met een luide stem vanuit het vuur en de donkere wolken op de berg tegen jullie gezegd. En dat was alles wat Hij zei. Hij schreef alles op twee platte stenen en gaf die aan mij. Jullie hoorden dus de stem uit de donkere wolk en zagen het vuur op de berg. Toen kwamen jullie leiders naar mij toe en zeiden: ‘Onze Heere God heeft ons Zijn hemelse macht en majesteit laten zien. We hebben Zijn stem uit het vuur gehoord. Vandaag hebben we gezien dat God met een mens spreekt en dat die mens toch in leven blijft. Maar toch zijn we bang dat we zullen sterven! Want dit grote vuur zal ons nog verbranden. Als we nog langer de stem van onze Heere God horen, zullen we erdoor worden gedood. Want hoe kan een mens de stem van de levende God uit het vuur horen spreken en in leven blijven? Wil jij alsjeblieft naar Hem toe gaan om te horen wat onze Heere God te zeggen heeft. Vertel ons daarna wat Hij tegen jou heeft gezegd. Dan zullen wij naar je luisteren en het doen’.” De Heere hoorde wat jullie tegen mij zeiden. Hij zei tegen mij: ‘Ik heb gehoord wat dit volk tegen je heeft gezegd, en het is goed. Ik wilde wel dat ze altíjd zoveel ontzag voor Mij en voor Mijn wetten zouden hebben. Dan zou het voor altijd goed gaan met hen en hun kinderen. Ga en zeg tegen hen dat ze naar hun tenten terug moeten gaan. Maar jij moet hier bij Mij blijven. Want Ik ga jou alle wetten en leefregels geven die jij hen moet leren. Daar moeten ze zich aan houden in het land dat Ik hun ga geven’.”
Het is hartverwarmend dat de HEERE niet boos wordt, maar accepteert dat ze angstig zijn. Dat zegt overigens niet dat Hij het prima vindt en zo wil laten! Er is immers een verbond dat een nauwere relatie zou mogen verwachten.
Vind je het ook zo ontroerend en mooi wat de HEERE tegen Mozes zegt? “Maar gij, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke…” God wijst als het ware naar een plekje naast Hem; het mag misschien menselijk zijn geformuleerd, maar het raakt me: “Blijf dicht bij me, Mozes! Hier, dicht bij Mij is het goed toeven. En hier dicht bij Mij kun je ook goed horen hoe je Mij blij kunt maken met je leven, hoe je Mij kunt liefhebben en dienen.” Er komt een liedtekst bij me boven:

Er is een plaats van ware rust,
dicht bij het hart van God.
Een plaats, waar ’t kwaad is uitgeblust,
dicht bij het hart van God.

O, Jezus, Die als Redder 
kwam van het hart van God,
houd ons die op U wachten,
dicht bij het hart van God.

Er  is  een  plaats  van  troost  en  moed, 
dicht bij het hart van God,
er is een plaats, waar Jezus wordt ontmoet,
dicht bij  het hart van God.

Er is een plaats die ’t hart bevrijdt,
dicht bij het hart van God,
een plaats, aan vrede en vreugd gewijd,
dicht bij het hart van God.

Jezus ontmoeten doe je dicht bij het hart van God. Is dat geen geweldig mooie samenvatting van dit gedeelte. Dus wie God op afstand houdt, zal vrijwel zeker Jezus niet ontmoeten

Vragen

Herken je dat ook uit je eigen leven of omgeving: het spreken over God op grote afstand? Praat daar eens met elkaar over door en leg uit wat je daarmee bedoelt. Probeer ook eens te achterhalen wat de oorzaak daarvan kan zijn. Tegenover die afstandelijkheid, die het volk jegens God heeft, zet de HEERE juist de nabijheid in het middelpunt. Hij wil Mozes dichtbij Hem hebben. Vertel eens waarom dat was. Herken je daar iets van in de kerk (de preken en op andere momenten, wanneer gemeenteleden met elkaar in gesprek gaan). Verlang jij ook naar Gods nabijheid? Hoe zoek je die?

maandag 12 augustus 2019

Mijn God doet wat Hij belooft

Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht des HEEREN, mij uitgezonden heeft van Kades-barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was. Maar mijn broeders, die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks smelten; doch ik volhardde den HEERE, mijn God, na te volgen. Toen zwoer Mozes te dien zelven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, dewijl gij volhard hebt den HEERE, mijn God, na te volgen. En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft… (Jozua 14 : 7-10a)

Je zou de geschiedenis, waaraan Jozua refereert, een contrast met dodelijke afloop kunnen noemen. Het verhaal leest als een volksverhaal bij het kampvuur. Waar zijn we in terecht gekomen, in Jozua 14? Wel, het land wordt verdeeld onder de stammen. Negen en een halve stam zijn over de Jordaan getrokken om het land in te nemen nadat ze het vooraf hebben verdeeld. Dit gebeurde via het lot en overeenkomstig het bevel dat Mozes had gegeven aan het volk.

Het erfeel van Kaleb

Jozua en Eleázar de priester hebben de leiding om deze taak zorgvuldig uit te voeren met de leiders van de families. En plotseling lezen we dat het volk bij Jozua komt met Kaleb, de zoon van Jefunne. Met een reden: ze komen met Kaleb mee om hem bij te staan in deze kwestie. Wat is er aan de hand?
De stam van Juda was het eerst aan de beurt en de verdeling van het land dat hén zal toekomen wordt in Jozua 14 en 15 beschreven. ‘Het volk’ dat hier met Kaleb meekomt, moet je opvatten als de familiehoofden van Juda. Zij hielden toezicht, zodat helder was dat alles eerlijk verliep.
En nu staan ze daar met Kaleb, die een van die familiehoofden binnen de stam van Juda was. Hij is verreweg de oudste van heel het volk: 85 jaar! Daar kom ik zo op terug. Zijn verlangen naar een erfdeel is opvallend: dat is gebaseerd over een belofte!
Mozes, de grote leider, is gestorven. Jozua is hem opgevolgd. Vroeger vormden Jozua en Kaleb een bijzonder duo. Zij waren die twee verspieders die vertrouwden op de HEERE, terwijl de andere tien verspieders zeiden: het zal ons nooit lukken om dit land in te nemen.
Door heel die kwestie was het hele volk veertig jaar lang door de woestijn getrokken en uiteindelijk overleden. Alleen de kinderen van het volk mochten het Beloofde Land binnen gaan én … Jozua en Kaleb! Maar met Kaleb was iets bijzonders. Hem was beloofd dat hij een stuk land zou krijgen.

De belofte van God

Ja, je kunt wel claimen dat aan jou iets beloofd is, maar het is nota bene ruim veertig jaar geleden! Mozes is overleden. De enige die dit kan bevestigen is Jozua… Waar baseert Kaleb dit op?
Het eerste dat opvalt is Kalebs doeltreffendheid. Hij heeft, tel maar na, vijfenveertig jaar gewacht op de vervulling van deze belofte, zo lezen we in dit hoofdstuk. Wat een volharding en lijdzaamheid!
Maar waar baseert hij zich op? In Numeri 14 lezen we: “Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden. Want al de mannen die gezien hebben Mijn heerlijkheid en Mijn tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben en Mijn stem niet zijn gehoorzaam geweest; zo zij het land hetwelk Ik hun vaderen gezworen heb, zien zullen! Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien. Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.”
Er staat hier in vers 21-14 nog geen concrete plaats die hij zal krijgen, maar er wordt hier wel een grote en stellige belofte gedaan, omkleed met argumenten!
Ook Deuteronomium 1 : 34-38 noemt de belofte wel, maar niet de specifieke plaats van het erfdeel: “Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig en zwoer, zeggende: Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, hetwelk Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien en hem zal Ik het land geven waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft den HEERE te volgen. Ook vertoornde Zich de HEERE op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar ook niet inkomen. Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israël doen erven.”Dat laatste was voor Mozes een bepaald pijnlijker belofte dan die van Kaleb (en natuurlijk Jozua)! Maar… nog steeds geen concrete plek; al helemaal geen woord over Hebron!

Pleiten op Gods beloften

Ger de Koning legt veel van dit bijbelgedeelte mooi uit, zij het misschien wel wat vergeestelijkend, maar neem dit eens mee: “Voor Kaleb zijn dat allemaal geen loze woorden. Hij gaat nu claimen wat hem is beloofd. Dat is taal die naar het hart van de HEERE is. Kaleb betekent ‘van ganser harte’. Zo deed hij alles en zo doet hij het nog steeds. Wij moeten ook geen lauwe christenen zijn. Hij verhaalt hoe het hem vergaan is, toen hij vijfenveertig jaar geleden was uitgezonden en zijn medeverkenners het hart van het volk deden versmelten. Hij bleef met zijn hele hart aan zijn ­opdracht gewijd (vers 8). Mozes bevestigde dat hij de Heere volkomen was nagevolgd (vers 9). Die toewijding is er nog steeds als hij hier voor Jozua staat. Vanwege die toewijding krijgt hij Hebron (vers 14).”
Toewijding en vastberadenheid zijn de wapens en sieraden van een levend christen. “Ik bouw op U!” en “Met mijn God dring ik door benden…”

Hebron en het reuzengebergte

Blijven we nog steeds met de vraag zitten: was hem nou Hebron beloofd of was hem niet iets specifieks beloofd? Het lijkt erop dat hem alleen maar was beloofd dát hij een erfdeel zou krijgen. Als eerste is de stam van Juda aangewezen om een deel op te eisen en Kaleb stapt naar voren omdat hij een bijzondere belofte van de HEERE had gekregen. Het land dat hij zal kiezen (denk hierbij eens aan de geschiedenis van Abraham en Lot!!!) zal hij vervolgens moeten veroveren. Zo werd niet alleen het land verdeeld, maar ook de veroveringsstrijd
Nog even Ger de Koning: “Nu moet hij nog steeds volharden, want hij heeft het nog niet. Hij moet het nog veroveren. Maar hij spreekt vol vertrouwen uit dat hij erin zal slagen. Hij wil het gebied met reuzen en versterkte steden. Hij ziet de werkelijkheid, het is geen hoogmoed. Maar hij rekent op de trouw van de HEERE. In bescheidenheid spreekt hij over “misschien” (vers 12). Hij rekent niet op eigen kracht, hoe sterk hij zich ook voelt, maar op de HEERE. Maar als de HEERE dan ook met hem is, is er bij hem geen enkele twijfel over de uitkomst.”
Hoe anders ging dat in de geschiedenis van Lot en Abraham toen elk van hen een stuk land moest kiezen! Kaleb koos de weg van de meeste weerstand maar ook de weg waarop de HEERE Zijn grootste wonderen kon tonen. Zo had Kaleb groot ontzag en aanbidding voor God.

Mijn God

Jozua zegent Kaleb en honoreert diens keuze voor het gebergte waarop Hebron lag; en dat werd hem gegund omdat, zo zegt vers 14, hij “volhard had den HEERE, den God Israëls, na te volgen”!
Het ging Kaleb niet in eerste instantie om dat stuk land; ook wel, maar het ging hem vooral om de betrouwbaarheid van de HEERE. En hij was er het levende bewijs van!
Hij was niet beter dan de overige elf verspieders. Ze kregen de taak om het land te verspieden en verslag uit te brengen. Jozua en Kaleb keken, namen waar, maar verifieerden dat met de kracht en macht van de HEERE. “Mijn broeders lieten het hart van het volk versmelten, maar ik volhardde de HEERE, mijn God, na te volgen.” Dat was geen arrogantie! Dat was kinderlijk vertrouwen!
En Mozes zingt als het ware een refrein: “Jij en je kinderen zúllen dat land in bezit nemen en er een eeuwig erfdeel krijgen omdat… je volhard hebt om de HEERE mijn God (!) na te volgen.” Die twee verstonden elkaar: een persoonlijke band met de HEERE is onmisbaar in de strijd van het geloof!
“En kijk! De HEERE heeft gedaan wat Hij had beloofd: hij heeft me gespaard, al die 45 jaar lang!” Kaleb wijst niet op zichzelf, maar op de HEERE. Kaleb was slechts de illustratie bij Gods trouw. En met die God zal hij ook verder het land binnengaan. Met zijn God zal hij kloeke daden gaan doen. En Gods kracht zal hij in ontvangst nemen wat schier onneembaar leek. Ken je daar iets van? Trekt het je? Is deze God ook jouw God? Noem hem ook maar “mijn God!”

Vragen

Wat vind je van Kalebs houding? En wat vind je van de interpretatie van Ger de Koning hierover? Hoe reëel waren die andere tien verspieders? Wat had jij voor een verslag gedaan? Wat zegt het je dat Kaleb juist het gebergte van de reuzen kiest als erfdeel? Verlang je ook naar zulk geloofsvertrouwen? Praat er eens over door.