donderdag 3 mei 2018

Belofte in contrast met realiteit

Hoofdstuk 7


Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte; totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had. Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
Handelingen 7 : 17-19


Je zou het haast vergeten: Gods belofte stond nog recht overeind, maar was nog steeds niet vervuld. Het grote patroon dat God aan het tekenen was (de weg naar de vervulling) lijkt een weg de diepte in, waarin alle hoop dreigt te vervliegen. Wie niet nóg dieper leert zien of vermoeden, kan enkel schreeuwen: “HEERE, het gaat de verkeerde kant op!”
 

De ontknoping van Gods plan
Wat is het fascinerend om Stefanus bezig te zien. Hij gaat hier nog even naast zijn volksgenoten zitten en maakt duidelijk dat hij één met hen is. Hij neemt zijn hoorders mee het dal van de slavernij is. Dit stukje geschiedenis delen ze samen: ze zijn tot slaven gemaakt en de maatschappij waarin ze toen leefden, was uit op hun uitroeiing!
Het tweede aspect dat Stefanus hier inbrengt is voor ons ook heel herkenbaar! Hij wijst op de ‘groei’ van het volk en koppelt dat aan ‘God gedenkt aan Zijn belofte’. Hoewel dat een keiharde waarheid was, is die associatie heel gevaarlijk. Ook vandaag is men heel gefocust op ‘groei’ die het bewijs zou moeten vormen voor Gods bemoeienis met ons. Er moeten grote kerken worden gebouwd; hoe rechtser hoe groter de gebouwen en hoe imposanter het vertoon naar de wereld buiten de kerk. Er worden veel rechtszaken gevoerd om die bouw er door te drukken. Want als de kerkmensen die grote gebouwen zien en de expansie ervaren, krijgen ze een ­positieve kick. Het materiële ‘bewijs’ moet het geestelijke ‘bewijs’ staven. Maar hoe gevaarlijk is dat? Het is maar zeer de vraag of een grote gemeente, een eigen kerk­gebouw en een ‘eigen’ dominee (voor zolang die in je gemeente blijft!) ook een zegen is in geestelijk opzicht. Is het niet zo dat het materialisme aan de rechtse kant van de kerk het grootst is? Om nog maar te zwijgen over collecteopbrengsten en rommelmarkten en verkopingen die abominabele bedragen opleveren; maar waar wordt dat geld aan besteed? Aan het orgelfonds? Of de vergroting van het kerkgebouw? Aan de kerkvoogdij? Of aan de diaconie? Of de evangelisatiecommissie die er mee aan het werk kan in de wijk buiten de kerkmuur?
Terwijl God naar de afronding van Zijn plan gaat en dichterbij de inwisseling van Zijn belofte komt, groeit de ­bevolking in Gosen explosief. Maar dat moest anders geduid worden dan ‘zie je wel: God is met ons’. Het had een andere reden! Er zou verdrukking komen en God zorgde voor steun, schouder aan schouder! En precies dáár richt de satan zijn pijlen op!

De bedreiging van Gods beeld
Het volk hield de traditie gaande. Vaders vertelden de verhalen van vroeger aan hun kinderen. De verhalen over oud-oom of oud-vader Joseph ben Jacob, die van slaaf tot onderkoning werd verheven! Jozef; zijn naam betekent ‘vermeerderen’. Hij werd geëerd met zijn Egyptische naam ‘Tsaphnat-Panéach’, Behouder des levens. En zo eerden zijn volksgenoten daar in Gosen hem, generatie na generatie.
In hem manifesteerde zich het beeld van Gods belofte: de Messiach! Jozef was het niet, want hij stierf, maar hij was er wel een voorbode van, een type!
Het volk groeide en boogde op een onaantastbare positie, omdat de HEERE met hen was. Ze vermenigvuldigden zeer. Was dat niet de vervulling van de belofte die in Jozefs naam zat? En werden ze hier in een ver en vreemd land niet door de God van het Verbond, de Eeuwige, rijk gezegend?
Maar terwijl zelfgenoegzaamheid post vat, gaat God er een andere weg mee. Hij kijkt niet tevreden naar dat volk dat lekker groeit en hun dingen veilig stelt, maar Hij gedenkt aan Zijn belofte aan Abraham. De belofte dat het volk in ernstige slavernij zou vallen, maar daarna, op Zijn bestemde tijd, zou worden bevrijd en terug zou keren naar het Beloofde Land. Gods klok tikte door en wees tien voor twaalf aan!
De vraag is dus: wie is er bezig om het beeld van God scheef te trekken onder het volk? Wie tekent nu een verkeerd beeld van Gods handelen? Is dat de ‘koning die Jozef niet heeft gekend’ en goddeloze besluiten neemt en het volk op een weg ‘van God los’ plaatst? Of is dat het volk dat verkeerde conclusies trekt uit de groei van het volk en het passief en conservatief bogen op een gezegende geschiedenis?

De vernietiging van Gods volk
Stefanus gaat deze vraag nog even uit de weg en lijkt bij zijn volksgenoten te blijven zitten en hen aan te stoten: “Weet je nog wat ons is aangedaan door die loeder van een Farao?” Maar je kunt niet om de vraag heen: waarom richt het oordeel zich dan juist op die grote ‘vermenigvuldiging van het volk’? Let er daarom goed op dat het volk juist dáárin wordt getroffen, waarop zij zich zo verhieven: hun groepsgrootte, het aantal leden van het volk.
Heel begrijpelijk is de redenering van Farao. Hij ziet dat volk groeien en zal een volkstelling hebben uitgevoerd, waaruit bleek dat er meer Hebreeuwse mannen waren dan Egyptische mannen. Daarbij waren die Hebreeën (dat heeft ook te maken met hun eetgewoonten en levensstijl) gezonder en sterker. De decadente dynastieën van de Farao’s, het aanzien van de Egyptische beschaving in de Oudheid, wereldwijd, heeft hen juist ondermijnd.
De Hebreeën daarentegen leefden sober, gezond en tevreden. Hoewel dat laatste ook een ‘zelfgenoegzaam’ karakter begon te krijgen. En was juist dat niet eenzelfde uitholling en ondermijning als bij de Egyptenaren?
Maar de Farao kon niet leven met deze denkbeeldige bedreiging van zijn macht. Hij zette een raar plan op: alle jongetjes moesten worden uitgeroeid. Waarom? Stefanus gaat aan deze vraag voorbij en zegt: “Opdat ze zich niet konden voortplanten.” Maar had de Farao er niet slimmer aan gedaan als hij de meisjes had uitgeroeid? Dan waren er geen jongetjes meer geboren ook! Had dat met zijn godsdienst te maken? Moesten jongetjes aan de goden van de Nijl worden geofferd en accepteerden die gode geen meisjes-offers? Dat zou kunnen. Want anders had die Farao een rare misrekening gemaakt. Mannen blijven veel langer vruchtbaar dan vrouwen en met het uitroeien van jongens zou hij pas op de heel lange termijn enig resultaat boeken. Wilde hij snel resultaat dan moest hij zorgen dat er geen baar­moeders meer waren. Satan, want hij is de genius achter dit plan, doet soms zeer domme dingen, door gebruik te maken van het beperkte mensenbrein!
Gods plan daarentegen ging onverwijld verder en zou tot zijn vervulling komen. Daar zagen de Hebreeën echter nog niets van. En dat is ook vandaag de dag nog precies zo! Als de kerken leeglopen zegt dat helemaal niet dat Gods plan zal mislukken. Sterker nog: als alle ‘kracht’ die wij menen te hebben – in het manifesteren van zuilen en fronten – wordt afgebroken, kon de HEERE weleens iets veel mooiers aan het voorbereiden zijn. Door lijden tot heerlijkheid. Het is een eeuwenlange repeterende waarheid. Let dus op de horizon, waar God een stip op heeft gezet. Die stip zal eenmaal een stad met paar’len poorten blijken te zijn. Het gaat er van komen. Wis en waarachtig!

woensdag 2 mei 2018

Leven en sterven in het geloof

Hoofdstuk 6


En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.
Handelingen 7 : 14-16




‘Jozef zien’ was een wens die vader Jacob eigenlijk allang niet meer op zijn verlanglijstje had staan. Hij had zich verzoend met het gemis van zijn lieveling en manifesteerde zijn liefde voor Jozef vrijwel zeker in zijn liefde voor Benjamin. Hoe groot was de schok die Jacob moest incasseren, toen bleek dat zijn zoon Jozef tóch nog leefde. Opeens stond er weer een oude wens bovenaan zijn verlanglijstje!
 

Ontboden
 Je kunt zeggen van Stefanus wat je wilt, maar hij verliest zich niet in details. Hij is een prediker van de grote lijnen. En dat luistert soms heel prettig.
In een paar krachtige lijnen tekent hij de oude vader Jacob, die te horen krijgt dat zijn zoon Jozef nog leeft. Ja, wat meer is: hij is onderkoning in Egypte, het land waar nog koren te koop is en waar hoop nog bestaat! Het blijft niet bij een gerucht over het in leven zijn van zijn zoon. Nee, er komt een persoonlijke boodschap bij Jacob thuis, waarin hij wordt ‘ontboden’ in het paleis van Jozef, de grootvizier.
Henk Stoorvogel schrijft in ‘Onderweg met Jozef’: “In Genesis 45 : 8* vat Jozef de positie, die hij van farao heeft gekregen, samen in drie titels: 1. Belangrijkste raadsman van de farao, 2. Bestuurder van het hele hof en 3. Heerser over heel Egypte. De titel ‘Belangrijkste raadsman van de farao’, vaak (beter) weergegeven met ‘Vader van de farao’ betekent letterlijk ‘Vader van de god’. Aangezien farao als goed gold kreeg Jozef de titel ‘Vader van de god’. Deze eretitel wijst op zijn ­belangrijke adviesrol richting de farao in het algemeen en de interpretatie van de dromen en het voorstellen van het ­reddingsplan in het bijzonder. De titel’ Bestuurder van het gehele hof’, of ‘Heer over heel zijn huis’ houdt in dat Jozef het gezag kreeg over alle landerijen en graanopslagplaatsen van de koning. […] De derde titel die Jozef kreeg was de meest verstrekkende: ‘Heerser over heel Egypte’. Als ‘Heerser over heel Egypte’, of ‘Groot­vizier over Egypte’, gaf Jozef leiding aan de regering, was hij verantwoordelijk voor de be­noeming en het ontslag van ambte­naren, was hij verantwoordelijk voor alle financiën en goederen van Egypte, controleerde hij de toegang tot de farao en had hij de supervisie over alle bouwprojecten, industrie en landbouw in Egypte. Ook was een onderdeel van deze functie het behartigen van alle relaties met omliggende volken. Vandaar dat de broers uit Kanaän ook eerst langs Jozef moeten voor ze graan kunnen kopen. Normaal […] werden deze functies […] verdeeld over twee personen, om te voorkomen dat één persoon te veel macht kreeg. Vanaf de regering van farao Sesostris II komt het echter voor dat een en dezelfde persoon beide titels krijgt. Wellicht was Jozef de eerste die deze eer te beurt viel.”

Ontmoeten
In deze positie had Jozef zich gemakkelijk kunnen verheffen boven de familie die hem had uitgespuwd en die de oorzaak was van al die jaren vol misère. Maar nee, hij wendt zijn positie aan om hen zo snel mogelijk bij zich te krijgen! Hij maakt zijn broers (letterlijk vertaald uit het grieks) tot apostelen (apostelló) om zijn vader te gaan roepen (metakaleó). Typisch het werk van een gezondene: mensen roepen namens de ­Uitnodiger. Het komt ervan: Jacob ontmoet zijn doodgewaande zoon. En hoe! Hij roept het uit: “Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!” Jozef valt zijn vader om de hals en ‘weende lang aan zijn hals.’
Maar op dat alles, datgene wat zo ingrijpend en aangrijpend is in deze ­geschiedenis, gaat Stefanus niet verder in. “En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.” Hij snelt door naar de begrafenis van Jacob en eigenlijk ook direct naar de begrafenis van Jacobs zonen, ‘onze vaders’.
Wel spreekt Stefanus over het aantal waarmee de familie naar Egypte komt: ‘vijfenzeventig zielen’. In Genesis 46 daarentegen wordt een opsomming gegeven van alle mensen die Egypte binnenkomen: zeventig zielen. Het blijft wat vaag, maar in de Kanttekeningen staat: “Anderen menen dat Stefanus boven de zeventig nog zou gerekend hebben de vier huisvrouwen van Jakob, en de twee zonen van Juda in Kanaän gestorven, zonder Jakob zelven mede te rekenen.”

Ontslapen
Ten slotte spreekt Stefanus over het graf van Jacob en zijn zonen. En daarover bestaat nogal verwarring. Abraham kocht een grafspelonk bij Hebron, de spelonk van Machpéla. Maar kocht Jacob een graf bij Sichem, het later Sichar, van Hemor. Over dát graf spreekt Stefanus hier. En hij beweert dat ook de andere broers van Jozef daar begraven zijn. Ook hier geven de Kanttekeningen enig inzicht in: “…Abraham heeft te Hebron een spelonk gekocht van Efron, den zoon van Zohar, tot begraving zijner doden, Gen. 23:16, in welke ook Jakob heeft willen begraven zijn, Gen. 49:29, 30, en alwaar ook schijnt dat de gebeenten van enige andere voorvaders van Sichem overgebracht zijn. […] het graf, dat van deze zonen van Hemor, den vader van Sichem, namelijk door Jakob gekocht was, Gen. 33:19.”
Jacob heeft dus dat graf voor zichzelf gekocht, maar in Genesis 49 blijkt dat hij toch voor Machpéla heeft gekozen. Als later het volk Israël naar het Beloofde Land terugkeert, nemen ze wel eerst de grafkist van Jozef mee om zijn gebeente uiteindelijk in Sichem bij te zetten in de familiegrot. Alleen de beenderen van Jozef zijn in Egypte gebleven tot de Exodus. Zijn broers zijn wel direct in Kanaän – en dus waarschijnlijk in Sichem – begraven.
Jozefs grafkist was tijdens de slavernij-periode een teken van hoop op Gods belofte, dat Hij Zijn volk zou terugbrengen. En vóór die slavernij was, aldus ds. René van Loon, diezelfde kist een teken van waarschuwing om zich niet te zeer te settelen in Egypte. Want dat was maar een ‘tijdelijke woning’. Het Beloofde Land was hun eigenlijke thuis! Mooie lijn, niet? Dat heeft ons vandaag ook iets te zeggen, met het zicht op het Vaderland hierboven!

dinsdag 1 mei 2018

Het geweten en Gods oordeel over een heel volk?

Hoofdstuk 5


En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs. Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit. En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
Handelingen 7 : 11-13



Als rechtgeaarde gereformeerden belijden we met een zekere ­stelligheid dat God zonden straft. Zeker zonden, die blijk geven van een groot, nationaal verval. Maar hoe gaan we om met geesteloosheid in de kerk, terwijl er zonden aan de hand worden gehouden? Of terwijl er zonden worden verzwegen ‘om erger te voorkomen’?


Is honger een oordeel?Stefanus blijft doorzagen over Jozef en zijn grote broers. De mensen moeten haarfijn hebben aangevoeld dat hij dat met een speciaal doel doet. Het is zo merkwaardig dat we aan het einde van Petrus’ Pinksterpreek onder het volk ‘verslagenheid in het hart’ opmerken, terwijl aan het einde van Stefanus’ preek straks de bom barst. In dezelfde stad, misschien zelfs dezelfde mensen en zo’n totaal andere uitwerking! Is Stefanus provocerender bezig dan Petrus? Had hij niet beter een mildere, liefdevoller toon aan kunnen slaan, zoals Daniël: “Wij en onze vaderen…”?
Stefanus gaat niets uit de weg, maar bouwt zijn preek stapje voor stapje op naar een statement. Laten we zien wat hij met de geschiedenis van Jozef en zijn broers gaat doen.
Hij verlaat even het spoor ‘Jozef in Egypte’ en neemt zijn hoorders mee terug naar Kanaän: “En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en ­Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.” Eerst stelt hij dat de honger in zowel Egypte als Kanaän heerste. Een internationale ramp. Daarna zegt hij dat er ‘grote benauwdheid’ was. Waar? In die beide landen? Natuurlijk zal dat de angst zijn voor de hongerdood. Maar waarom was er angst bij Jacob en zijn zonen? Zij hadden toch een belofte van God gekregen? Tenslotte zegt Stefanus dat ‘onze vaders’ geen eten konden vinden om hun honger te stillen. Wel, dan zou je verwachten dat er op volgt: “En zij riepen tot de HEERE en Hij verloste hen.” Maar niets is minder waar!
Nomaden trekken toch altijd, op zoek naar eten voor de kudde? Blijkbaar wisten ze dat in Egypte ook honger was. Waarom gingen ze dan niet de andere kant op? Waarom bleef Jacob vastzitten aan zijn plek? Wilde hij het graf in Machpéla niet verlaten? Werd de setteling hem nu fataal? Of wilde hij niet vertrekken, omdat hij bleef hopen op Jozefs terugkeer? Immers, als hij weg zou trekken, zou Jozef hem nooit meer terugvinden!
En de broers… Zou nu werkelijk bij geen van hen de gedachte zijn komen bovendrijven dat deze hongersnood hen weleens zou kunnen overkomen vanwege hun leugenachtigheid? Zelfs Jona kwam tot die belijdenis en liet zich in zee werpen. Maar niets van dat al! De hongersnood bleef in de clan van Israël een op zichzelf staand voorval.
 
Jacob treedt opDan is daar dat verrassende bericht dat er in Egypte volop koren is. Het zijn niet de ‘patriarchen’, maar het is vader Jacob die het initiatief neemt om daar koren te gaan kopen. We horen de elf broers niet tegenstribbelen, maar het is toch ondenkbaar dat geen van hen op dat moment aan Jozef heeft gedacht? Minstens tien van die elf moeten toch de mogelijkheid open hebben gehouden dat Jozef nog in leven kon zijn?
Natuurlijk konden ze niet weten hoe het met Jozef was afgelopen. Ze moeten zich hebben ingebeeld dat, als ze hem ergens als slaaf zouden tegenkomen, ze vanuit hun positie als ‘zelfstandige ­veehouders’ wel ‘boven’ hem ­stonden en hem konden negeren. Maar het feit dat ze hem in de ogen zouden moeten kijken op dat moment moet toch een onrustmakend gevoel hebben gegeven. Zoals er vandaag tot in de kerken mensen zijn die diepweg precies weten waar ze mee bezig zijn, maar een ander ‘gezicht’ op zetten, een masker, om zich een houding te geven.
Ze gingen voor de eerste keer en kwamen geheel anders terug. Jozef had zijn broers ontmoet, maar de broers hadden Jozef nog niet ontmoet. Ze waren slechts op de hoogte van een bedreigende en strenge onderkoning, die als een Big Brother alles van hen leek te weten.
En terug bij Jacob in Kanaän was het lachen over het gekochte graan en het leven dat dat graan vertegenwoordigde, hen wel vergaan. Er stond hen een loodzware taak te wachten: Benjamin moest mee. Hij was weliswaar voor hen het kleine broertje, maar moet toch een volwassen kerel zijn geweest op dat moment!

Jozef treedt opEigenlijk verwacht je een tussenkopje dat ‘Juda treedt op’ is getiteld. Maar Stefanus volgt een heel andere lijn. Hij noemt Benjamin niet; hij zegt niets over Simeon, over Ruben of Juda. Nee, hij schildert de broers voor de ‘tweede reize’, de tweede keer op reis, om uiteindelijk weer bij de grimmige onderkoning te verschijnen. Daar staan de helden met hun beknelde gewetens! Gaat er nog geen lampje bij hen branden?
Dit zou de dag hebben kunnen worden dat ze alle elf met een hartstilstand voor Jozefs troon zouden liggen. Neergeveld door de kracht van Jozef, toen hij zei: “Ik ben Jozef!” Wat gebeurde er precies met de ‘patriarchen’? Ik denk dat tien van hen direct dachten: dit is het einde! Maar één van hen dacht: nu komt alles goed! Want mijn broer zal nu alles goed maken! ­Benjamin is de enige die niets te vrezen had. Hij had zijn broer niets kwaads berokkend. Hij had de liefde van Jozef al eerder die dag gevoeld, maar nog niet kunnen plaatsen. Maar nu Jozef zich openbaart, weet hij: het komt goed!
Het geweten van Benjamin zal zeker niet brandschoon zijn geweest, maar de ‘verschijning van zijn broer’ was een grote en zeer verheugende dag! Als Jozef had gezegd: “Komt in gij gezegende mijns vaders”, dan had Benjamin geen schrik of angstige schaamte gevoeld. Omdat hij een rechte relatie met Jozef had. Voel je de lijn naar de Messias, onze geliefde Heere en Zaligmaker Jezus Christus en Zijn Bruid?
Maar deze dag is voor Jozef ook een ingrijpende dag. Hij maakt zich niet allen bekend aan zijn broers, maar “het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar”!
Nu kwam Farao erachter dat Jozef een Hebreeër was, in zekere zin een Kanaäniet! De latere Farao zou heel anders reageren toen na 40 jaar bekend werd dat Mozes zo’n vervloekte Hebreeër was.
Voor Jozef had dit nog vervelend kunnen uitpakken. Maar het werd weer door de HEERE op wonderlijke wijze tot iets goeds omgebogen. En die schijnheilige broers? Ze vonden het leven! Jozef wilde zelfs niet eens een hard woord tegen hen spreken. Het was feest, “want deze mijn broers en… mijn vader leven nog! Kom, laten we feest vieren! Feest, zoals we nog nooit hebben gevierd! Geen hongersnood maar een onverzadigbare vreugde!” Jozef leeft en zij met hem! Zie je die peilloze diepte van overeenkomt met Jezus?

maandag 30 april 2018

Jozef als eye-opener

Hoofdstuk 4

En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen. En de patriarchen nijdig zijnde, verkochten Jozef om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem, en verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypte; en hij stelde hem tot een overste over Egypte en zijn gehele huis.
Handelingen 7 : 8-10


Was Stefanus een theologisch goed opgeleide diaken? Kunnen we hem met Paulus vergelijken? Had hij een grote Bijbelkennis, of eigenlijk een doorwrochte kennis van de Thora en de profeten? Het zijn vragen die boven komen drijven, bij het ‘beluisteren’ van zijn preek. Wat hadden we graag een download van deze ‘kerkdienst gemist’ gehad om hem nog eens te kunnen naluisteren en zijn intonatie als ook zijn passie te beluisteren! De centrale vraag is: vanuit welke kennis van de Schrift bouwt hij zijn preek op? Welke lijnen trekt hij precies?

Het verbond als basis
De besnijdenis is voor de Joden tot op de huidige dag een kloof ten opzichte van de rest van de wereld. In de besnijdenis manifesteert zich Gods persoonlijke Verbond met Zijn Eigen volk. Dat het Christendom stelt dat ‘in de plaats van de besnijdenis nu de Heilige Doop is gekomen’ is voor de Jood niet alleen een ergernis, maar zelfs een bewijs van de dwaalleer van het Christendom.
Het is ook maar zeer de vraag of de Doop de besnijdenis heeft vervangen. Is het niet duidelijk uit de Schrift te halen dat de Doop voor de ‘gojim’ (de volken) is, die Christen zijn geworden, maar dat over de besnijdenis niets staat opgetekend voor de Joden? Sterker nog, uit Handelingen 21 krijg je sterk de indruk dat Paulus zich als Jood duidelijk moet blijven houden aan de wetten van Mozes, maar dat de gelovigen uit de heidenen slechts wordt opgedragen om geen vlees te eten, afkomstig uit de offerdienst van de afgodentempels, geen vlees te eten waaruit het bloed niet geheel is weggelopen en dat ze geen hoererij en ontucht mogen bedrijven. Even daarvoor, Handelingen 15, gaat het over het Eerste Apostelconvent waar men besluit: “Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen.”
Maar waar het in al die dingen om gaat is Gods Verbond, dat we zeer serieus moeten nemen. We moeten ons niet verliezen in haarkloverij, maar recht en eerlijk voor de HEERE zijn, door Zijn Verbond te eerbiedigen, door de doen wat Hij van ons vraagt. Aan Abraham beval de HEERE dat hij voor Zijn aangezicht moest wandelen en oprecht moest zijn.
De opdracht tot het besnijden van zijn gezin en zichzelf heeft hij serieus genomen en is hij blijkbaar blijven doen. Zodoende zegt Stefanus: “Alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag…” Alzo, dus op die manier, het trouw doen wat de HEERE in  Zijn Verbond had gevraagd. Heel het doen en laten van Abraham kwam voort uit Gods Verbond.

Het geloof is niet erfelijkMaar… Gods Verbond serieus nemen en onvoorwaardelijk in Hem geloven, Hem volgen en gehoorzamen, is niet iets dat vanzelf van vader op kind overgaat. Elk kind moest daarin weer onderwezen worden. Elke nieuwe generatie moest de HEERE weer opnieuw leren kennen en ontdekken dat God al een Verbond met hem of haar had gesloten, vóórdat hij of zij was geboren!
Kijk maar: ‘alzo’ gewon Abraham zijn zoon Izak, ‘alzo’ gewon Izak zijn zoon Jacob en alzo gewon Jacob zijn twaalf zonen, die hier (net als hun voorvaders) ‘patriarchen’ worden genoemd. Daarmee nam Stefanus de twaalf stammen allemaal serieus. Hij zette ze op één rij. Ze hadden allemaal dezelfde opvoeding gekregen; weliswaar van verschillende moeders, maar allen van één aartsvader: Israël, de Jacob met Gods Pniël-belofte op zak!

Het zijspoor van JozefDus verwacht je dat die twaalf zonen ook allen hetzelfde spoor zullen volgen. We weten dat Ismaël een eigen weg ging, maar ja, die lag buiten Gods bijzondere belofte, de belofte van de Messias. God was er ook kraakhelder over geweest: in Izak zal die belofte voortgaan; niet in Ismaël! Zeker, Hij zou ook Ismaël zegenen ­vanwege dat Verbond met Abraham. Maar toch anders! En ook Ezau ging zijn eigen weg, want de meerdere zou de mindere dienen! Ook dat was kraakhelder. Maar dat had voor Ezau niet behoeven te betekenen dat hij ook zijn eigen pad zou trekken. Hij had Jacob kunnen dienen. Als hij maar wilde!
Echter, als de zonen van Jacob worden geboren, lezen we niet vooraf van een speciale positie voor Juda! Het lijkt erop dat dat nog lange tijd onduidelijk is gebleven. Die twaalf zonen stonden allemaal op eenzelfde manier ten opzichte van dat Verbond van God!
Hoe bijzonder is het daarom dat Stefanus in zijn preek juist een uitstapje naar Jozef maakt. Jozef heeft nooit een eigen stam gekregen; wel zijn twee zonen. Waarom pikt hij er dan juist Jozef uit om even bij stil te staan?
Jozef is binnen het gezin bij uitstek de vertegenwoordiger van de aanstaande slavernij en verdrukking. En nota bene die elf broers (let ook op dat getal en denk aan de discipelen van Jezus waarbij dat precies andersom was!) zijn daar actief de oorzaak van. De elf patriarchen, zoals Stefanus ze noemt, zijn allen (nou, misschien op Benjamin na!) de verdrukkers. Zij zijn het die hun broer Jozef verkopen en alvast in het latere ‘diensthuis Egypte’ laten ­brengen. Wat zij hem aandoen, zal hen later zelf in alle hevigheid overkomen.

Het verbondsplan van God
De hele geschiedenis van Jozef was een open zenuw in het bestaan van Israël. Een doodgezwegen zonde, die later voor enorm veel angst heeft gezorgd. Jozef heeft zich niet gewroken op zijn broers. God heeft al de stammen van Israël laten voelen wat zij hun broer Jozef hadden aangedaan.
Wij kennen dat niet zo erg meer, maar in het Oosten leefde en leeft veel meer de vloek en de zegen die zich voortzet in de lijn der geslachten. De slavernij was dus in zekere zin een straf. Maar ook een leerschool, die God wilde gebruiken; niet om Zijn ­Verbondsvolk uit te roeien maar juist in het leven te behouden.
Als je vraagt naar het waarom, blijft de Bijbel zwijgen. God wijst in Zijn Woord alleen aan dát het zo is. Hij heeft het kwade omgezet in iets enorm goeds: het behoud voor verloren zondaars.
Is dat ook niet het Evangelie dat het hele Nieuwe Testament kleurt tot in onze dagen toe? Waarom zou je dát Evangelie dan de mond willen snoeren met allerlei dogmatisch gebrabbel? Alle activiteit van God binnen het Verbond is één groot bewijs van Zijn welmenendheid! En het wacht – zoals er in elk verbond twee ­partijen zijn – op een antwoord van jou!
Jozef is de pijnlijke open zenuw voor de toehoorders van Stefanus. Het was een episode in hun geschiedenis waar ze niet graag aan herinnerd wilden worden. Maar Stefanus neemt geen blad voor de mond.

zaterdag 28 april 2018

Leven vanuit Gods beloften

Hoofdstuk 3


“En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, ­vierhonderd jaren.
En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
HANDELINGEN 7 : 5-7

Veel mensen zijn gevoelig voor ‘status’. Ze zijn pas iets wanneer ze iets ­tastbaars hebben of bij iets aanwijsbaars horen. Een christen is iemand die zijn ‘status’ ontleent aan iets dat niet tastbaar is en perspectief heeft vanwege ­Iemand Die niet aanwijsbaar en bewijsbaar is.
Belofte zonder bezit“Zo, hier is het dus.” Abraham keek om zich heen. Dit was dus het Beloofde Land dat God hem in bezit zou geven. Het zag er goed uit. Maar het vreemde was dat er mensen woonden die bij elk grassprietje konden aantonen dat dat stuk land van hen was. Abraham stond in ‘zijn’ land, maar hij had er nog geen schep grond in eigendom!
Heb je je weleens bedacht hoe vreemd dat voor hem moet zijn geweest? Bijna onwezenlijk. Thuis, maar alles is vreemd en onbekend. Hij mocht er vrij rondlopen en bouwde er zelfs vriendschappen op met de plaatselijke bevolking, maar… zíj waren de eigenaren van het land; niet Abraham!
Het tweede dat wél beloofd was, maar dat hij ook niet in bezit had was een eigen zoon. God lijkt aan dit probleem voorbij te gaan als Hij al beschrijft hoe Abrahams nazaten in ballingschap zullen komen en zelfs in slavernij terecht zullen komen; voor maar liefst vier lange, lange eeuwen!

De eerste ballingschapStefanus zoomt nog een stukje dieper in. Abraham leefde als een vreemdeling in zijn eigen huis… en nog vóór hij er zich thuis kon voelen, sprak God al over een vier eeuwen durende ballingschap in een of ander ‘slavenhuis’. Het volk, uit Abraham gesproten, zou een slavenvolk worden! En God, zo betoogt Stefanus, voorzei al dat ze kwalijk behandeld zouden worden. Mooi is dat! Het uitverkoren volk van God krijgt, nog vóór het is geboren, te horen dat ze zullen worden mishandeld.
Waarom doet Stefanus dit zó? Waarom zoomt hij hier al in op de slavernij die later zou komen? Waarom wil hij deze link leggen tussen ‘volk van God zijn’ en ‘kwalijk behandeld worden’? Het wordt niet echt duidelijk in dit gedeelte. Het blijft daarom gissen. Maar Stefanus moet al iets hebben gezien van wat Paulus later zo knap, maar best ingewikkeld, onder woorden brengt in de brief aan de Galaten: “Nu, zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn Zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus. En dit zeg ik: Het verbond dat tevoren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis teniet te doen.”
De Kanttekenaars zetten ons op dat spoor. Stefanus wil stapje voor stapje naar Christus zien te komen. Jullie beroemen je op de wet van God, maar weet je wel dat de belofte al veel ouder is? En dat die belofte niet gericht is op het tijdelijke: het land, of de zoon van Abraham? Nee, al die beloften hebben een dieper en verder weg liggend doel: Jezus Christus. Je zou de preek van Stefanus dus met recht een Christo­centrische preek mogen noemen. En dat is best lastig, vanuit het Oude Testament, in de context die de Joden er telkens aan willen hangen. Begrijpelijk is wat rabbijn Lody van de Kamp onlangs zei: de Messias van de Joden is een ándere dan die van de Christenen. Hij had die zin niet andersom kunnen uitspreken, want Jezus de Messias, de Koning der Kerk is werkelijk de Joodse Messias. Daarmee gaan we niet op het spoor zitten van ‘de kerk in plaats van Israël’. Zeker niet! Maar we moeten onze Joodse broers en zussen wakker schudden. En dat is wat Stefanus gaat doen. Hij probeert eerst aanknopings­punten te verzamelen. Om die tenslotte allemaal in te brengen bij zijn slotbetoog!
Wat hij hier preekt over ballingschap of vreemdelingschap kenmerkt helemaal het Christelijk geloof. Wij zijn hier op aarde omringd door vrienden en bloedverwanten, maar we zijn vreemdeling en bijwoner. En niet alleen dat: wij zullen ook ondervinden dat men ons kwalijk behandelt. Omdat we een volk zijn met een belofte van God op zak. Het is niet de bedoeling dat we gaan pronken met die belofte, maar dat we er werkzaam mee zijn bij God!

Welkom thuisTenslotte spreekt Stefanus over het moment, allemaal al vier eeuwen van te voren beloofd, waarop het volk van God weer thuis mag komen: “…daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.”
Er was er nog niet eentje geboren van die ‘zij’ die zullen uitgaan! En nu al spreekt God over de terugkeer uit de slavernij en dat ze weer tot hun doel zullen komen: “Mij dienen”. En nog wel op ‘deze plaats’! Stefanus stelt het haast voor, zoals het ons ook voor ogen staat, als wij onze ogen hier op aarde zullen sluiten: we zullen van hier uitgaan (heengaan) en we zullen onze HEERE dienen op de plek die Hij ons aanwijst en belooft!
Gods beloften komen heel vaak in de knel met de werkelijkheid. Althans, zo bekijken wij het. Maar God werkt zo vaak door de onmogelijkheden heen, dat is haast meer regel dan uitzondering. Echter, nog nooit is er één van Zijn beloften níet uitgekomen. Zou daarom de eeuwige heerlijkheid voor ons ook niet de mooiste en heerlijkste belofte zijn, waarnaar wij rijkhalzend uitzien? Thuiskomen bij de Vader. Verlang jij er ook naar? Voor Stefanus zou het nog hooguit een uur duren!

vrijdag 27 april 2018

Met de deur in huis

Hoofdstuk 2


En hij zeide: “Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in ­Mesopotamië, eer hij woonde in Charran;
En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran.
En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.”
Handelingen 7 : 2-4

Als jij je zou moeten verweren tegen medegelovigen die menen dat jij een dwaalleraar bent, waar zou je dan beginnen in het gesprek? ­Stefanus begint met vader Abraham van wie ze allen afstammen. De vraag is: waarom? Hij lijkt haast met de deur in huis te vallen.
Het publiek aangesproken
Na de vraag van de Hogepriester, of het klopte wat er werd beweerd, neemt de beklaagde Stefanus vrijmoedig het woord. Hij spreek zijn publiek aan met ‘broeders’ en met ‘vaders’. Dat is opmerkelijk. Met ‘broeders’ spreekt hij zijn leeftijdsgenoten aan, maar wist de grens uit tussen hun verschillende afkomst. Stefanus de Griek had een andere – en voor sommigen zelfs een inferieure – komaf, dan de geboren en getogen Joden in Jeruzalem.
Met ‘vaders’ spreekt hij op een respectvolle manier de ouderen en de eerbied­waardigen in zijn publiek aan. Zo komt hij heel dichtbij. Van daaruit kan hij ze ook gemakkelijk meenemen naar hun gemeenschappelijke origine: onze vader Abraham. Hoewel niet duidelijk is of Stefanus een directe afstammeling van Abraham is, is deze wel zijn geestelijke stamvader.
Even tussen twee haakjes: hij heeft wel direct de aandacht; zijn maiden-speech wordt niet onderbroken en iedereen kan hem volgen in zijn betoog. Ze kennen de materie, ze herkennen de namen en kunnen plaatsen wat hij zegt. Dat is een heel belangrijk aspect bij het preken!

Onze vader Abraham
Veel preken beginnen met een duidelijk voorbeeld voor jongeren, doeners en hen die snel zijn afgeleid. In Stefanus’ dagen was dat nog niet de gewoonte, maar je zou eigenlijk kunnen zeggen dat zijn preek één aaneenschakeling van voorbeelden is. Hij begint bij Abraham. Waarom?
Dat is een lastige vraag. Op de site van OudeSporen* staat een Bijbelstudie over dit gedeelte waarin het volgende staat:
“Stefanus is het werktuig van de kracht van de Heilige Geest die getuigt van de ­verheerlijkte Christus, die nu zó aan Israël werd voorgesteld, nadat ze Hem al verworpen hadden in Zijn vernedering. Vanaf de val tot de zondvloed werd de mens, hoewel hij niet zonder getuigenis werd gelaten, overigens aan zichzelf overgelaten. Er waren geen bijzondere wegen en instellingen van God. Het resultaat was de zondvloed, die om zo te zeggen kwam om de aarde van haar verschrikkelijke verontreiniging en geweldpleging te zuiveren. Op de nieuwe aarde begon God Zich met de mens bezig te houden. Bij Noach zien we hoe de regering werd opgedragen aan de mens. Maar bij Abraham, dat iemand door verkiezende genade werd uitgeroepen en Gods beloften ontving, toen de wereld de demonen diende. Dat was het begin van de geschiedenis van Gods volk. […] Hij [Stefanus] begint dus met hun geschiedenis vanaf het begin van Gods weg, namelijk vanaf Abraham, die werd uitgeroepen door de openbaring van de God der heerlijkheid. Abraham was wel traag om te gehoorzamen, maar hij werd ten slotte door Gods geduldige genade in Kanaän gebracht. Niettemin was hij een ­vreemdeling in het beloofde land; en slavernij zou het deel van zijn nakomelingen zijn, totdat God in genade tussenbeide kwam. Het deel van de gezegende patriarch was dus niet dat hij de beloften bezat, maar dat hij een vreemdeling was. Terwijl het deel van zijn nakomelingen gevangenschap zou zijn, totdat God hen met een sterke arm zou verlossen. Niets is zo treffend als de kalme verhevenheid boven omstandigheden die Stefanus openbaart. Hij vertelt de Joden een geschiedenis die ze niet konden ontkennen, een geschiedenis waarop ze zich ­beroemden. Maar die geschiedenis veroordeelde hen geheel en al. Ze deden precies zo als hun vaders.”

Preken als Jezus
Hoewel dus de insteek van deze preek best scherp was, nuanceert Stefanus zijn woorden wat door dat woordje ‘onze’. Hij zet zich naast zijn publiek. Tegelijk grijpt hij ook terug naar iets dat erg leefde bij de Joden: “wij zijn Abrahams kinderen”. Ze beroemden zich graag op hun afkomst. Daar had Jezus ook eens de vinger bij gelegd: “Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken Abrahams doen.” (Johannes 8:39). Zou Stefanus deze woorden toen ook hebben gehoord en daarom juist bij deze Abraham zijn begonnen in zijn preek?

Charran en Kanaän
Stefanus spreekt over Charran, dat je moet lezen als de fonetische vertaling van het Hebreeuwse ‘Haran’, dat je als ‘Charan’ uitspreekt. Haran… dat was zijn broer, zowel als de plaats onderin Turkije, vlak boven Syrië, waar ze vanuit Ur naartoe reisden. Had Haran die plaats naar zichzelf genoemd? Dat lijkt haast niet, want hij moet al in Ur zijn gestorven. Toen God Abraham riep, vertrok hij uit Ur en nam zijn vader Terah mee, alsmede zijn vrouw Saraï en zijn neef Lot, de zoon van Haran.
In Haran bleef Abraham om niet erg duidelijke redenen hangen; het overlijden van zijn vader Therah bracht hem weer in beweging op de weg van Gods belofte. Het is duidelijk dat God welmenend roept, maar dat de mens niet per definitie volgt. Niettemin legt Stefanus de vinger bij het accent ‘gehoorzaamheid’ en stelt Abraham als een goed voorbeeld voor. Stefanus zou zo instemmen met de Hebreeënbrief: “Door het geloof is ­Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren derzelfde belofte. Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is” (Hebreeën 11 : 8-10).

Het dispuut of twistgesprek met Stefanus, geschilderd door Vittore Carpaccio, 1514, 147 x 172 cm,
Pinacoteca di Brera, Milaan

woensdag 25 april 2018

Twee geesten tegenover elkaar

Hoofdstuk 1


En de Hogepriester zeide: “Zijn dan deze dingen alzo?”
Handelingen 7 : 1

Op het eerste gezicht een onbeduidende tekst. Gewoon een vraag of de aanklachten die de Grieken uitten tegen Stefanus klopten. Maar is dat zo? Laten we eens goed naar de plaats van de tekst kijken en naar de persoon die hier spreekt.

De plaats van de tekstWie alleen dit hoofdstuk leest, zal niets merkwaardigs zien in deze woorden. Een soort inleiding op het dispuut tussen de Joodse leidslieden en Stefanus. Maar er is nogal wat aan vooraf gegaan. De hele aanstelling van Stefanus tot diaken zelfs! Daar gaan we straks dieper op in. Eerst bladeren we een vers terug in de Bijbel.
Er hadden dreigende en venijnige beschuldigingen beklonken in de raadszaal in Jeruzalem. Stefanus had iets gezegd over Jezus. Dat was natuurlijk bloedlink! ‘Jezus’ was een beladen naam daar. En al helemaal wát Hij gezegd had. O ja, het waren opnieuw valse beschuldigers die waren opgetrommeld om te getuigen. De geschiedenis leek zich te herhalen! Hoor maar: “En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op ­lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.”
Eveneens valse getuigen hadden dat ook tegen Jezus getuigd, misschien wel in deze zelfde raadszaal: “Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen” (Mattheüs 26:61).
Gelogen was het nog niet eens. Immers in Lukas 19: 43 kun je lezen wát Jezus had gezegd: “Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden ­benauwen; en zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.”
Jezus’ woorden waren een steek in hun hart, om hen tot inkeer te brengen. Maar dit had hen juist verhard! Men stond nu vlak voor de vervulling van deze woorden: de verwoesting van Jeruzalem! Na de beschuldiging had Jezus gezwegen. Zou dat een leefregel zijn: niet in het verweer gaan? Zou ook Stefanus blijven zwijgen? Het lijkt erop. De mensen houden hun adem in. Lees Handelingen 6:15 maar: “En allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels.”
Iedereen ziet dat er iets bijzonders met Stefanus gebeurt. Zijn glanzende gezicht intrigeert de mensen en niet hij maar zij zwijgen… En het is juist dít aspect dat je moet beseffen, bij het lezen van het eerste vers van hoofdstuk 7! Iedereen is onder de indruk en concludeert: dit lijkt wel het gezicht van een engel. De hemel is heel dichtbij; God is heel dichtbij! En precies op dít moment opent juist de Hogepriester zijn mond: “Zijn deze dingen alzo?”

De persoon die spreektHier spreekt de man die gezalfd is tot Hogepriester over Gods volk. Dat zalven was maar niet zomaar een formaliteit. Het was de visualisering van de vervulling met de Heilige Geest. Deze man zou, vanwege die vervulling, bij uitstek in staat moeten zijn om Gods werk van mensenwerk te onderscheiden! Hij zou het moeten kunnen beoordelen vanuit zijn eigen geestelijke ervaring. Niet dat je kunt oordelen over harten, ook al ben je een priester, maar je kunt wel haarfijn ­aanvoelen of dit uit God is of niet. Nog even los van wat er tegen Stefanus werd betoogd. De Hogepriester kon ook dat gezicht zien… als hij zijn ogen er maar niet voor gesloten had gehouden. Immers, de omstanders zijn er direct door getroffen.
Is dat geen gevaarlijke mogelijkheid? Zo dicht bij Gods werk en het tóch duiden als satanswerk?! De Hogepriester staat hier als gezalfde tegenover… ja, tegenover nóg een gezalfde! Ook Stefanus gezalfd. Hem was – evenals de zes andere diakenen – de handen opgelegd door de apostelen. En zo was ook hij vervuld met de Heilige Geest en toegerust voor zijn taak. Maar over Stefanus lezen we nog vóór dat moment al dat hij vervuld was met de Heilige Geest! Hij was geen vroomprater, geen uitwendige vrome, maar aan hem merkte iedereen dat hij was vervuld met de Geest van God.
Nu staan hier twee gezalfden tegenover elkaar. Toen David tegenover Saul stond – toen die hem naar het leven stond – ­wilde hij zijn hand niet aan het leven slaan van de gezalfde des Heeren. En deze man?

Gods Geest in Stefanus
In vers 5 van hoofdstuk 6 staat nog iets: “Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes…” Het is opmerkelijk dat deze aspecten alleen van Stefanus worden genoemd; je mag verwachten dat ze ook golden voor de zes anderen. Immers als er ambtsdragers moeten worden gekozen is het zaak dat we omzien naar mensen vol van de Heilige Geest en van geloof; en niet enkel naar mensen die enthousiast en positief zijn.
Maar wat houdt dat ‘geloof’ in? Als je de Kanttekeningen leest krijg je een beetje een domper: “Geloof: getrouwheid, die in dit ambt voornamelijk vereist wordt.” Het is inderdaad een mogelijke vertaling van dit griekse woord ‘pistis’.  Maar het woord komt toch van ‘peitho’ dat ‘zich laten overtuigen’ of ‘overreden’ betekent, als ook ‘geloven’. De Kanttekeningen lijken dit woord iets teveel af te zwakken.
Het is ook juist deze vastberadenheid, vurigheid en gedrevenheid die we een vers verderop tegenkomen: “En Stéfanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.” Ook nu staan deze dingen er weer alleen van Stefanus, maar dat zal zijn omdat met hem deze geschiedenis verder gaat. Echter, de dingen die Stefanus deed vielen wel op en wekten jaloezie. Zoveel is wel duidelijk. Het is juist ook de jaloezie die de wortel is van de aversie tegen hem. En aanvoerder van die zonde is… de Hogepriester.

Verzet tegen de GeestStefanus en de andere zes diakenen zijn Grieken; met reden gekozen, zodat zij des te beter de Grieksen konden bedienen. Want juist bij hen begon het protest, omdat de apostelen hen te vaak in de kou lieten staan, toen ze het te druk kregen.
En nu komen er juist uit de hoek van de ‘buitenlanders’ vooraanstaande mensen in opstand tegen de krachten en wonderen die Stefanus deed door de Heilige Geest: “En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd der ­Libertijnen, en der Cyreneërs, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus. En zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.”
Stefanus pareerde met grote kracht de stekelige vragen van deze ‘wijze’ mannen. Had hij dat moeten doen? Veroorzaakte hij zo niet onnodige aversie tegen het geloof? Was dat nou nodig? Dat zijn terechte vragen, niet om dan maar met ‘nee’ te antwoorden; maar juist om eerlijk na te denken over ‘hoe sta ik in de kerk?’ Ben ik in staat om de polemiek met stekelige ­dwalingen aan te gaan voor de zaak van Christus? Ben ik in staat en bereid om het zuivere Woord van God te laten klinken in een milieu waar eigenzinnige godsdienst de boel verzuurt en verziekt? Mag de zaak van Jezus Christus mij wat kosten en oefen ik mij in geloof, Geest en standvastigheid?

De inwijding van Stefanus als diaken, door Vitore Carpaccio, 1511, Staatliche Museen, Berlin