donderdag 20 juni 2019

Het lied van het Lam - 1

Al eerder zagen we dat het woordje ‘van’ in ‘Lied van…’ gelezen kan worden als ‘door’, en  niet als ‘voor’. Echter, hoe verhoudt zich dat Lied van de ene tot dat van de Ander?
Een lied van iemand, is een lied dat die iemand heeft geschreven of gecomponeerd. Maar… kun je dat ook zeggen van het Lied van het Lam? Heeft Hij dat lied gemaakt? Is Hij er de Eigenaar van? Ja… Het is alleen de vraag: direct of indirect? Heeft Hij er mensen voor gebruikt of is Hij Zelf aan het werk gegaan?
Eerst kijken we naar wat de Kanttekeningen hierover zeggen. Bij ‘Lied van Mozes’ staat: “Dat is, (het lied) waardoor Mozes God heeft gedankt voor de verlossing van Zijn volk; het wordt beschreven in Ex. 15:1 en vervolg: TOEN zong Mozes en de ­kinderen Israëls den HEERE dit lied en spraken, zeggende: Ik zal den HEERE zingen, want Hij is hogelijk verheven; het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.” Mozes begon plots te zingen zoals de Geest hem gaf te zingen… de grote werken Gods!
Maar wanneer het Lam zo’n zelfde lied zou hebben gemaakt, maakte Hij een lied over en ter ere van Zichzelf… Een stuk hiervoor heb ik gezegd dat je het dan zou kunnen zien als een lied dat het Lam (of Jezus) maakte om er de grote daden van Zijn Vader in te bejubelen. Zoals de Vader jubelde: “Dit is Mijn Zoon in Wie Ik ál Mijn welbehagen heb!” Zo zou het Lam hebben kunnen zingen: “En Hij is Mijn Vader in Wie Ik al Mijn lust heb en voor Wie Ik werkelijk álles over heb! Zelfs Mijn goddelijk eer en waardigheid!”

Tegenkanting in kanttekening

De Kanttekenaars lijken daar echter helemaal niet zo bij stil te staan. Over ‘het Lied van het Lam’ zeggen ze: “…hetwelk ter ere van Jezus Christus, het Lam van God, wordt gezongen door de gelovigen, vanwege de geestelijke verlossing door Hem verworven. Hiervan wordt hiervoor een voorbeeld gegeven: Openb. 5 : 10 en 12 : 10-11.”
Ze lijken zich als het ware helemaal niet druk te maken om Wie of wie dat lied heeft gemaakt. Toch zou ik er wel bij stil willen staan. De Kanttekeningen zoomen in op de zangers van dit lied. En dat is mooi, maar ik ben altijd wat huiverig als – juist op moment dat Christus in beeld komt – de mens voor het voetlicht wordt gebracht. Waarom moet het opeens de mens genoemd worden? Waarom gaan ze niet dieper in op hoe Jezus Zich verhoudt tot dat lied en hóe Hij daarin wordt ‘gepraised’?
Temeer komt dat gevoel boven, als ik de citaat-teksten lees: “Openb. 5:10  En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot ­koningen en priesters, en wij zullen als koningen heersen op de aarde. Openb. 12:10  En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid en de kracht en het Koninkrijk geworden onzes Gods, en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht, is nedergeworpen. Openb. 12:11  En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.”
Misschien dat Openbaringen 12 : 10 nog het dichtst in de buurt komt van wat ik hier had verwacht te horen. Die zaligen zullen als koningen heersen… ja… en? Zij hebben hun leven niet lief gehad tot (geprefereerd boven) de dood… ja… prachtig… maar dat is toch geen feit op zich? Geen doel?
En die zaligen hebben de ‘verklager onzer broederen’ over­wonnen… Maar is dat dan wat we daar in alle eeuwigheid gaan bezingen? Het zijn middelen waarlangs God tot Zijn eer komt, maar geen doelen op zich.

Het lied voor/van het lam

Als ik de songtekst alvast lees zie ik dat daar helemaal geen mensen, slachtoffers of overwinnaars in voorkomen dan alleen de HEERE, Wiens werken groot en wonderlijk zijn, Wiens wegen (handel en wandel) rechtvaardig en waarachtig ­(betrouwbaar) zijn, Die te vrezen is, Die heilig is, Die zal worden aanbeden en Wiens oordelen eindelijk publiekelijk zijn geworden, zodat er recht geschiedt!
Eindelijk geschiedt er recht en we kijken met grote bewondering en diep ontzag naar wat de HEERE, onze Vader, aan het doen is! We zijn toeschouwers, wanneer de HEERE het voor ons opneemt. Wat een indruk zal dat maken. Op ons en op allen die het zullen zien. Zelfs op hen die door die oordelen zullen worden getroffen.
Als het ware staat daar een koor schuchter zingende mensen aan de oever van de Rode Zee, die de Egyptenaren zien verdrinken voor hun ogen. Ze hoeven er geen eentje dood te steken. Hun God veegt ze weg en breekt hun macht, waarop ze zo prat gingen… Ze knakken als rietjes en ze verzinken in ware waanzin al bubbelend in de kolkende golven.

Uitzinnige be-aming

Schuchter zingend… Nou, dat zou je kunnen denken als Gods oordelen zich ‘in de tijd’ voltrekken. Als Zijn arm het hart van een belager stopzet; als het geweld van rotsen of andere mega-grote objecten een mensenlichaam in al zijn broosheid tonen terwijl het wordt geplet; als een ademtocht stokt omdat God zegt: “Tot hier toe en niet verder…”
Maar als ik die mensen daar op het strand bij de glazen zee zie zingen, krijg ik toch een ander beeld. Schuchterheid zal niet meer bestaan. Huiver voor Gods oordelen zal weg zijn. Angst zal verdwenen zijn en bewogenheid met goddelozen zal even zeer niet meer bestaan.
Dat klinkt paradoxaal maar denk daar maar eens over na. Want dan zullen we het zo hartelijk eens zijn met de weg die de HEERE bewandelt, dan zullen we het enorm eens zijn moet hoe Hij het aanpakt. Want we zullen nooit meer kritisch naar Hem zijn. We zullen Hem ook helemaal kunnen volgen in wat Hij doet. We zeggen ‘amen’… Het had simpel weg niet anders gekund dan zó…

Tegenstrijdig?

Dat klinkt als sadisme of wraakgierigheid. Maar dat is het niet. We meten dan met hele andere meetlatten. Onze emoties zijn compleet in harmonie en het recht dat de HEERE doet is perfect recht! Er zal nooit meer een onzuiver plan worden gesmeed. Nooit meer een onjuist afweging worden gemaakt in besluitvorming op aarde. Motieven zullen altijd transparant zijn en niemand zal meer achterbaks zijn. Wat kun je daar naar uitzien, of niet?

vrijdag 24 mei 2019

Een gezang over het gezang

Ds. J. Kommerie begon zijn preek over dit gedeelte met een prachtig en passend gezang. Ik geef het graag door (Gezang 109, Liedboek). Het origineel ‘Hark the sound of holy voices’ is van Christopher Wordsworth (1807-1885), bisschop van Lincoln en dichter van heel veel hymnes; de nederlandse vertaling danken we aan Willem Barnard.

Hoor een heilig koor van stemmen,
staande aan de glazen zee,
halleluja, halleluja,
God zij glorie, zingen zijn.
Menigten die geen kan tellen,
als de sterren in hun glans,
psalmen zingend, palmen dragend,
in de hemel is een dans.
 

Patriarchen en profeten,
de getuigen van uw Geest,
koning, heilige, apostel,
martelaar, evangelist,
maagden, moeders, mannen, vrouwen
die volhardden tot het eind,
tot U baden in vertrouwen,
die nu stralende verschijnt.

Komende uit de verdrukking,
en de kleren wit als sneeuw
in het bloed des Lams gewassen
van het vuil van deze eeuw,
in vervolgingen standvastig
wachtende op U, hun Heer,
overwonnen zij de satan
en de wereld neemt een keer.

Ja, zij hebben overwonnen
met uw kruis als hun banier,
volgend U in uw verzoening,
door de diepe doodsrivier.
Met uw lijden medelijdend,
medestervend in uw dood,
vonden zij het eeuwig leven
en hun loon bij U is groot.

Nu omstraalt hen licht des hemels
en de levensbron ontspringt
waar zij juichen U ter ere
waar hun koor uw glorie zingt.
Vrede is hun deel voor immer,
liefde is hun eeuwig recht,
alle waarheid zal het winnen
en het blinkt van uw gezicht.

God uit God, eerste geboren,
licht uit licht, o zonneschijn,
in wiens lichaam uitverkoren
heiligen slechts heilig zijn,
schenk ons leven uit uw bronnen,
door uw adem aangeraakt
zingen wij tot Vader, Zoon en
Heilige Geest die levend maakt.

Muziekrechten

Op elk muzieknummer rusten rechten. Ook op de lyrics, de liedteksten. Voor koren en musici is dat een belangrijke en nauwluisterende zaak! Voor componisten en tekstschrijvers is dat een groot en terecht recht. Zitten er ook ­‘rechten’ op het gezang van Mozes en die van het Lam?

Rechten impliceren bepalingen die juridisch vast liggen, zodat je niet zomaar van alles kunt doen met het object, waarop die rechten rusten. Ergens voelt ieder mens wel aan dat dat goed is. Iemand heeft en kunstwerk gemaakt, een song of een symfonie. Die persoon heeft het bedacht.
Als een anders het dan kopieert en er geld mee verdient, voel je je als songwriter of componist bestolen. Het voelt als een architect die een prachtig gebouw heeft ontworpen. Dan komt de slager en roept tegen de omstanders: “Kijk, dat heb ik gemaakt.” Er klinkt applaus voor de slager; lovende woorden worden gesproken; mensen betalen de slager entreegeld om binnen te mogen kijken. En de ­architect? Hij krijgt niets.

Recht en vrijwaring

Kijk, als er een regeling is getroffen met de architect dat de slager de eigenaar van het pand wordt, dan is de slager vrij om mensen binnen te laten in zijn pand. Dan wordt de ­architect gevrijwaard; hij kan dan dus geen rechten meer laten gelden op het pand; de slager is vrij om er mee te doen wat hij wil. Hij mag entreegeld heffen, als hij dat wil. De architect heeft ook geen recht van spreken meer, als de slager het pand wil veranderen of zo iets.
Maar… de slager zal nooit mogen zeggen dat híj het pand heeft gemaakt. Dat is en blijft een leugen. Hij zal moeten blijven zeggen dat de bedenker die en die architect was! Het concept van dat pand – en daar heb je de rechten weer – mag niet zomaar door de groenteboer aan de ­overkant worden overgenomen, om zo gemakkelijk eenzelfde pand neer te zetten!

Mozes, de dienstknecht van God

Het mag ons opvallen dat de HEERE aan Johannes vertelt dat het gezang uit Exodus 15 of Deuteronomium 32 ‘van Mozes’ is. De HEERE zegt niet: “Dat lied van Mozes was natuurlijk van Mij! Mozes heeft het toentertijd wel gezongen, maar het kwam tot stand door Míjn Tekstschrijver, de Heilige Geest. En omdat de Geest, de Zoon en de Vader Eén zijn, hebben we het hier eigenlijk over Mijn gezang!”
Nee, de HEERE laat het het lied van Mozes zijn! Diverse Psalmen zijn ‘van David’; zo is dit gezang bedacht, geschreven én gecomponeerd, door Mozes. Want hoewel het er niet zo expliciet bij staat, zal Mozes ook de melodie hebben bedacht. Als in die tijd Buma/Stemra had bestaan, dan had Mozes rechten kunnen laten vastleggen op dit lied. Misschien vind je dat een rare opmerking, maar ik ga dat verderop uitleggen, om je ergens over na te laten denken!
Echter, er staat nog iets bij: Mozes, de dienstknecht Gods. De HEERE noemt tegen Johannes niet alleen Mozes’ naam, maar eigenlijk ook Zijn Eigen Naam! En in dit verband brengt dat ons bij een speciaal gebied in de rechtspraak: van wie is een ontwerp dat een werknemer in ‘de baas z’n tijd’ maakt? Het is het ontwerp van die werknemer (dienstknecht), maar hij heeft dat gedaan voor zijn baas (Heer); die heeft hem betaald voor de tijd die hij ermee bezig is geweest. Dat moet je zien als een vrijwaring. Die werknemer kan nooit geld vangen voor zijn ontwerp. Als anderen dat willen kopiëren, moeten ze zijn baas ervoor betalen. Hooguit mag die werknemer zijn eigen naam in het colofon zetten.
Daarentegen kan die werknemer nooit zeggen: “Dat heb ík bedacht”. Hij heeft zijn werknemer niet geïnspireerd. Hij heeft hem alleen geld en omstandigheden gegeven waarin deze tot dat ontwerp kon komen. Maar wanneer zijn baas hem daarvoor voldoende heeft betaald, kan die werknemer nooit eisen dat alleen híj de eer en de winst ervan krijgt.

Eergierig of eergevig?

Door Mozes in het juiste perspectief te schilderen, laat de HEERE zien Wie de rechten van dít lied toekomen. Het gezang van Mozes is daarom vrij te gebruiken, maar niemand kan ooit zeggen dat hij of zij dat lied heeft bedacht.
En – dat maakt deze situatie zo anders dan de onze, hoewel… – als je Mozes zou vragen “Hoe kwam je op zo’n briljant lied?”, dan zal hij je direct zeggen: “Soli Deo Gloria! Zijn Geest inspireerde mij en vulde me met zóveel aanbidding van de HEERE – vanwege Zijn grote daden aan ons zondaars bewezen – dat het lied er als vanzelf uitbarstte! Het was niet meer tegen te houden.”
Geen moment zou Mozes zijn ogen halfdicht knijpen, zijn hoofd wat schuin omhoog houden, met zijn handen de revers van zijn jasje omklemmen en met een aardappel in zijn keel pronken: “Tjaaa, dat is het mysterie van mijn briljante brein. Hoe onstaan dit soort dingen… Ja, daar moet je heel veel voor denken. Je geest richten om het licht in jezelf en inzoomen op het grote zijn van de vrije geest. Dat heb je of dat heb je niet…”
In chargeer natuurlijk vreselijk. Maar je snapt dat ik met dit schilderij van de ego-Mozes iets wil zeggen. Hoe vér sta jij af van die Mozes, wanneer jij iets moois hebt gemaakt of iets goeds hebt gedaan? Hoe ziet jouw gezicht eruit als mensen je prijzen om wat je hebt gedaan?
Of erger nog: wat is jouw motivatie, wanneer je wat doet? Ben je eergierig of eergevig? Wanneer je een schilderij hebt gemaakt dat er geweldig uitziet, een boek geschreven hebt dat wordt aangekondigd als best-seller, een dissertatie hebt geschreven waarmee je cumlaude afstudeert… durf je het dan ook aan om en publique God de eer te geven?
Toen ik 12,5 jaar aan de zaak was sprak ik een paar eenvoudige dankwoorden uit, waarin ik de oorzaak van mijn dank ook noemde: De HEERE, Die mij kracht en gezondheid gaf om het werk te doen; ik refereerde daarbij aan een collega die op diezelfde dag met de VUT had willen gaan, maar die datum niet haalde omdat hij eerder overleed. Na afloop maakte een collega een geintje en zei: “Je hebt ons niet eens bedankt… Alleen God! Beetje jammer…” Ze knipoogde en grijnsde en ik wist dat ze doelde op de woorden over God. Ze had het dus goed begrepen.

Rechten op liederen en teksten

Er is nog één ding dat ik wil noemen in dit verband, waarover je eens zou moeten nadenken. Dat heeft te maken met die rare zinsnede over Mozes en de Buma/Stemra. Kun je als christen geld vragen voor songs die je hebt geschreven over God? En – dat vind ik nog veel opmerkelijker – kun je als theoloog geld vragen voor een boek dat mensen het Woord van God leert begrijpen en God Zelf leert kennen? Nu weet ik beroepshalve dat het maken van een boek geld kost. Betrekkelijk veel geld ook! Dat maakt dat een boek – afhankelijk van de oplage (en dus het lef waarmee een uitgever de uitgave aandurft) – iets moet kosten om de onkosten te dekken.
Maar mag jij als theoloog/schrijver daar geld voor vragen voor jezelf? Wiens boek is het en bij wie/Wie liggen de rechten? Wie komt de winst toe? Of – nóg anders – pleeg jij plagiaat, wanneer je aan de hand van Gods Woord jouw eigen boek tekstueel vormgeeft?
Nog een stap verder: enige tijd geleden werd De Bijbel met Uitleg gemaakt en uitgegeven. Het boek in een harde band kost 50 euro! Terecht kost het boek geld. Maar 50 euro per exemplaar? Via bmuonline.nl is deze nu ook digitaal in te zien. Daarvoor heb je een gratis account nodig. Dan kun je alleen maar de Bijbeltekst met de kanttekeningen lezen, de engelse King James erbij lezen en teksten markeren en notities maken. Wanneer je echter de hele Bijbel met Uitleg wilt lezen – en dat doet toch echt onder voor de Studiebijbel – dan kost dat je zomaar 15 euro per jaar. Daar krijg je dan ook de Korte Uitleg van Matthew Henry bij en het plan ligt er om nog meer bijbel­verklaringen toe te voegen.
Natuurlijk zitten daar dus ontwikkelingskosten in. Maar moeten echt álle kosten worden gedekt, bij het verspreiden van de Bijbel en het leesbaar maken van de Schrift? Voel je de spanning? Zijn we met Gods Eigen Woord niet op een heel commerciële manier bezig om er zelf rijker van te worden (financieel gezien)?

Tot slot: moeten al onze schrijfsel via een uitgever worden uitgegeven? Kun je niet veel goedkoper en doel­treffender de digitale weg bewandelen en Bijbelstudies en meditaties kosteloos ter lezing aanreiken? Verrijk niet je eigen portemonnee, maar elkaar in geestelijk opzicht. Als je dat op een geordende en goed gearchiveerde manier doet, blijft al je werk ook voor het nageslacht bewaard.
Laat overigens mensen niet afhankelijk zijn van jouw schrijf- en studiewerk, maar stimuleer ze om zélf op zoek te gaan in het Woord. Ze moeten niet jouw naam roemen over je zuivere of bijzondere en aansprekende uitleg. Doe net als de Samaritaanse vrouw, die Jezus’ woorden doorgaf. Toen haar stadsgenoten – nieuwsgierig gemaakt door haar woorden (en die zullen echt niet diepgravend theologisch zijn geweest) – bij Jezus Zelf kwamen zeiden ze na afloop tegen de vrouw: “Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.”
Op deze hele kwestie heb ik geen definitief en sluitend antwoord; het enige dat ik wil is dat je er over nadenkt! Want stel je voor dat die Samaritaanse vrouw geld had gevraagd voor haar woorden (vanwege de esthetische woordkeus of de pakkende en unieke manier waarop zij die presenteerde aan haar stadsgenoten)! Wie zou er dan zijn gekomen? Wie zou er dan de eer hebben gekregen? Wiens woorden waren het? Dus wie/Wie kan rechten claimen?
Wanneer die dag van de glazen zee en de citers van God zal aanbreken, zullen aan God alle rechten worden toegekend. Hem zal alle lof en eer zijn. En wat dit zo bijzonder maakt: het zal volmaakt, ongestoord en tot in eeuwigheid zijn.

woensdag 22 mei 2019

Het Lied van Mozes 2

De vorige overdenking legden we de link tussen Openbaringen 15 en Exodus 15. Het lied van Mozes zou dus daar aan de Rode Zee zijn gezongen. Maar is dat de goede link? Het is wel voor de hand liggend, maar klopt het wel?
Misschien ben je even verbaasd over deze vraag, als ik was toen ik verder zocht naar uitleg over dit stukje van de Bijbel. Allereerst kwam ik een joodse uitleg tegen die direct naar Deuteronomium 32 verwees. De StatenVertaling zet al voor het laatste vers van hoofdstuk 31 een tussenkopje ‘Het lied van Mozes’!
Ook andere uitleggers gaan met een boog om het verhaal van de doortocht door de Rode Zee heen en wijzen direct naar Deuteronomium 32. Dus we moeten daar toch eens beter naar kijken: “Toen sprak Mozes voor de oren der ganse gemeente van Israël de woorden dezes lieds, totdat zij voltrokken waren” (Deut. 31:30). Een lied dus, dat Mozes aan het einde van zijn leven heeft gezongen; een zwanenzang eigenlijk!
En niet zomaar een lied, als kunstzinnige uiting van zijn emoties, maar een lied dat het volk moest opschrijven én met nadruk moest instuderen: “En nu, schrijft ulieden dit lied en leer het den kinderen Israëls, leg het in hun mond, opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen de kinderen Israëls” (Deut. 31:19).
Er volgens nog tien verzen met argumenten waarom dit lied zo belangrijk is voor het volk; daarna zet Mozes met zijn 120-jarige stem het lied in. Een huiver en intense aandacht moet zich van die honderdduizenden daar voor hem meester hebben gemaakt. Dit lied maakte direct indruk, omdat een stervende het zong. Maar de Heilige Geest was werkzaam; dus niet alleen de menselijke emotie, maar ook de werking van de Geest legden beslag op het volk!

Waarom koos Mozes de vorm van een lied?

Had het niet gewoon een brief kunnen zijn? Mooi om te lezen dat de Kanttekeningen hun kunstzinnige gevoel niet hebben opgeborgen in de kast van de orthodoxie: “het lied werd door God in den vorm van een lied gegeven, zodat het volk de inhoud ervan beter zou kunnen leren en onthouden.”
Sterker nog, als Mozes zegt “leg dit lied in hun mond” betekent dat: “zorg ervoor dat zij (ook het nageslacht) het goed begrijpen, van buiten leren, en zingen kunnen en op die manier dagelijks ‘in de mond’ hebben.”
Dat zingen heeft ook een doel: opdat we de HEERE niet vergeten en Zijn daden, waarschuwingen en straffen, alsmede Zijn genade en goedheid niet zouden vergeten. Dit soort liederen tekent ons een evenwichtig beeld van de HEERE!

Waarom geen verwijzing naar dit lied?

Dit zijn allemaal prachtige en waardevolle Kanttekeningen bij Deuteronomium 31 en 32; maar de vraag blijft knellen: ­waarom verwijzen de Kanttekeningen bij Openbaringen 15 daar dan niet naar? Waarom pakken ze de simpelere link naar Exodus 15, waar eenzelfde plaatje wordt getekend en Mozes inderdaad ook een lied aanheft? Een lied, nota bene, met even heftige en indrukwekkende accenten van Gods majesteit en rechtvaardigheid, maar ook van Zijn genade en goedheid?
Nu wist ik dat de meeste Kanttekeningen bij het boek Openbaringen van Wilhelmus a Brakel zijn. Toen ik keek hoe hij over ons tekstgedeelte schreef in het derde deel van zijn boek ‘De Redelijke Godsdienst’, zag ik dat hij enkel de link met Exodus 15 legde. Dat zal de reden zijn dat we in de Kanttekeningen niet ook de link met Deuteronomium 32 mee krijgen. Echter, die is er wel.
Opmerkelijk dat ik in twee preken uit de rechtse hoek van de kerk – ds. J.S. van der Net (GG) en ds. W.E. Klaver (CGK, Bewaar het Pand) – geen enkele verwijzing naar Deuteronomium 32 hoorde dan enkel die naar Exodus 15! Het lijkt erop dat er in die kringen niet zo breed wordt gelezen bij de voorbereiding van de preken.

De schaduwkant van dit lied

Terug dus naar Deuteronomium 32. Waarom moet het volk Israël dit lied zo goed uit hun hoofd leren? Het lijkt haast wel een volkslied te moeten worden! Ik las ergens:

“… een lied van Mozes. Dat hij in opdracht van God moest maken en dat het volk uit het hoofd moest leren, zie hoofdstuk 31:19. Waar gaat dat lied over? Over hoe God met zijn volk omgaat, en om zal gaan. God geeft Israël het land Kanaän. Maar wanneer het volk daar eenmaal woont zullen ze andere goden gaan dienen. De Here zal daarop reageren met straf. Andere volken zullen Israël in het nauw drijven. Want, en dan zijn we in vers 36, ‘de Here wil dat zijn volk inziet dat Hij de enige God is. Hij is de God die leven geeft. Hij is de God die redding biedt. […]
God zet zijn woorden kracht bij (in vers 40) door te zeggen: ‘Ik ben eeuwig.’ En dat geeft Gods woorden ook een enorme kracht en reikwijdte. Als een mens iets zegt – iets belooft, of ergens mee dreigt – maar die mens sterft, of de dag waarop het had moeten gebeuren verloopt, ja dan kan die mens zijn woorden niet waarmaken. Maar God is eeuwig. Hij leeft eeuwig. Hij kan dus altijd zijn woorden waarmaken. Zijn beloften. Maar ook zijn dreiging.”

Het lied dat Mozes voorzingt is er één met twee kanten: een positieve, zonnige kant en een donkere schaduwkant! Het voorzegt al op voorhand dat het volk in zonde zal vallen, dat vijanden hen zullen overheersen… Maar wél met een doel: om hen weer terug bij de HEERE te krijgen. En die vijanden, dat is opnieuw de zonnige kant, zullen door de HEERE worden aangepakt, omdat ze Zijn volk hebben onderdrukt.
En mocht het volk twijfelen aan Gods bedoelingen, dan doet de HEERE er een eed bij. Niet dat Hij niet te vertrouwen zou zijn, maar omdat het volk naar God kijkt, zoals ze zélf zouden reageren. Zelf zouden ze iemand, die hen kwaad heeft aangedaan, niet zo gemakkelijk vergeven. Nu ze tegen de HEERE hebben gezondigd, denken ze – door hun bekrompen zicht op Hem – dat Hij ook wel met enige reserve naar hun ‘biecht’ zal luisteren: “Eerst maar eens zien of jullie het wel menen!” Maar zo is de HEERE niet! Hij komt met die de zwakke mens tegemoet!

Liederen vallen samen

Tot slot: het lied uit Deuteronomium 32 kan dus heel goed een link hebben met het Lied van Mozes uit Openbaringen 15. Al blijft het vreemd dat ook hier in de Kanttekeningen geen verwijzing naar Openbaringen 15 wordt gemaakt! Het ene zal het andere niet uitsluiten; beide liederen slaan dezelfde toon aan en… ze vallen ook gelijk met het Lied van het Lam! Zou Hij soms de componist van het lied zijn geweest? Het heeft er alles van weg!
De joodse bron, waarmee ik begon zegt tot slot nog iets waardevols dat ik wil doorgeven:

“Verrassend is dat in Openbaring 15:3 het lied van Mozes als het ‘Lied van het Lam’ wordt aangeduid. Deuteronomium 32 wordt ‘het Lied van het Lam’ genoemd. Men zou normaal het zachte, lamachtig aspect van de Messias niet associëren met de felle en gewelddadige energie van het Lied van Mozes, maar in Openbaring is het Lam ook een Leeuw. De Messias is de bewerker van deze laatste verlossing. “Hier is de volharding van de heiligen die de geboden van God en hun geloof in Yeshua bewaren.” (Openbaring 14:12)

Als we dus naar de oordelen kijken die in de beide liederen van Mozes worden bezongen, dan kun je stellen dat die aan de glazen zee voorgoed achter de rug zijn, voor al Gods kinderen. In het Nieuw Jeruzalem zal geen oordeel meer behoeven te worden voltrokken. Geen zonde en geen ongerechtigheid zal er binnenkomen! Geen ramp of overheersing zal meer kunnen benauwen. Maar wat meer is: geen zonde zal meer kunnen worden gedaan tegen God! Is dat niet het allerdiepste geluk dat ons wacht? Nooit meer zondigen; nooit meer distantie met de HEERE. Want Hij zal dan ALLES én IN ALLEN zijn!

Het Lied van Mozes 1

Om nog even te blijven in de sfeer van odes – gezongen of geschreven – hier twee gedichten van Isaäc da Costa (1798-1860) uit 1846, over dat Lied van Mozes, uit Exodus 15.

’k Zal van Jehovah, mijn Bevrijder,
Het lied doen galmen uit mijn mond.
Hy heeft het paard en Zijn berijder
Ter neêr geslingerd tot den grond.
Hy is mijn God, mijn Roem, mijn Zege,
De God mijns vaders! ’k Geef Hem eer.
Dat de aarde zich van schrik bewege!
Zijn Naam is Held. Zijn Naam is Heer.
   
Het volk van Cham met ros en wagen
Het zeepad dreigend ingetreên, -
Zy zijn gevallen, daar wy ‘t zagen,
Zy zijn gezonken als de steen.
Ik zal van hulp en uitkomst spreken.
Uw rechterhand heeft ze verplet.
Gy hebt hun lijken tot een teeken
Aan de oevers der Schelfzee gezet.

De wateren, in twee gekloven,
De waatren stonden op een hoop
By ’t licht des vuurkoloms van Boven, -
En zie! de Zon hernam haar loop ...
Daar sprak de vijand: “’k Zal vervolgen!
’k Zal koelen aan dat volk mijn moed.
Mijn zwaard is dorstig en verbolgen.
Opslorpen zal mijn zwaard hun bloed.”

o God! Gy bliest! ’t Zijn golven weder,
En – der Egyptenaren dood!
Zy stortten in de diepte neder!
Zy kleefden aan den grond als lood.
Wie is als Gy, o God der goden?
Wie is als Gy, geducht in macht?
Die wind en waatren hebt geboden,
Het werk, het werktuig van Uw kracht.

En thans! Gy zult ze verder weiden,
Wier boei Uw Bondstrouw heeft geslaakt;
Ze door de steenwoestijnen leiden
Naar ’t land, den Vaderen vermaakt.
De volken hoorden het. Zy trillen.
Heel Palestina dreunt en kraakt.
Wie zal uw angst, o Moab! stillen,
Of weeren ’t volk, dat u genaakt?

Ja, ’t volk trekt op, door U verkregen,
o God des eeuw’gen erfverbonds!
Gy voert het aan op wonderwegen,
Gedenkend aan den eed Uws monds.
Gy zult ze nestlen in de steden,
Gy zult ze wortlen in den grond,
Nog door der Reuzen voet getreden,
Tot wier verdelging Gy ze zondt.

Van eeuw tot eeuw zult Gy regeeren!
Gy zijt mijn God, mijns vaders God!
Wie zal Uw legerbenden keeren?
Gy zult ze voeren in hun lot!
Zingt, zingt Jehovah den Bevrijder!
Zingt Hem met rei en rinkelbom.
Hy blies! Het paard en zijn berijder
Kwam in de diepe waatren om.








Dus, aan de oevers van die baren, eens geëffend tot een pad,
Zongen Mirjams maagdenreien ‘t heil, dat God gegeven had,
Waar de nagalm van blijft ruischen aller eeuwen loopkring door -
Dan, op nieuw wordt opgevangen door een maagdelijker koor,
Door het koor van uw verlosten, Sterke Held Emmanuel!
Daar zy uw triumfen zingen over zonde, dood, en hel.

Aan den oever van geen golven meer, door stormen opgeruid,
Maar dier spiegelzilvren vlakte, die by ‘t hemelharpgeluid
Afbeeldt slingerende kampen, onder worstlend zielsgebed,
Vaak met paarlende angstzweetdroppen doorgestreên en neêrgezet,
Neêrgezet thands, en voor eeuwig, opgelost in eeuw’ge vreê, -
Aan den oever dier kristallen, maar met vlam gemengde zee,
Die Joannes van op Patmos met des geestes oog vernam,
Zingt men nog het lied van Moses, maar ter eere van het Lam,
Van het Lam, den Leeuw uit Juda, Offeraar en Lam te zaam.
’t Heil van God, in ‘t vleesch gekomen, is Zijn nooit volprezen naam.

Van dien Heiland, dien Bevrijder, zingt de hemel, zinge de aard!
Lof, aanbidding, alverloochning, is Hy hier en eeuwig waard.
Goël, Hy, uit zwaarder dwangjuk dan Egyptes dienstbaarheid,
Die geduchter dan de golven der Schelfzee ten voetpad scheidt;
Die een pad vond voor verloornen door de diepten van den dood;
Die door moeilijke woestijnen laaft met waatren, zelf het Brood.
Dat we U volgen, goede Herder! groote Leidsman, Koning, Heer!
(Trek ons met genadekoorden!) op de schudding van het meir,
By Uw zielstrijd in d’ Olijfhof, Uw verhooging aan het kruis,
Door den nacht der doodsvallei eens naar het Vaderlijke huis.

dinsdag 21 mei 2019

Het Lied van Hannah Lam

“Looft de Heer’, want Hij is hoog verheven: Het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.” Dat lied van Hannah Lam kennen heel veel kinderen wel en is gebaseerd op Exodus 15 : 21. Is dat het lied van Mozes?

Zee is het woord dat Openbaringen 15 met Exodus 15 lijkt te verbinden. Hier aan de glazen zee staan mensen op het strand, net als in de tijd van de doortocht door de Rode Zee… Ze kijken om en zien hun vijanden verzwolgen in de zee. En ze heffen een loflied op de HEERE aan.
Maar is dat lied van Mozes hetzelfde als het refrein van Hannah Lam? Laten we Exodus 15 er eens naast leggen. In vers 21 lezen we: “Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!” Het gaat hier dus om een lied van Mirjam. Een ‘antwoord’; maar waarop?

Het lied van Mirjam

Teruglezend zie je dat Mirjam hier als het ware een refrein zingt. Ze wordt profetes genoemd; een belangrijk detail! Ze lijkt hier gelijkgesteld aan Hulda en de vrouw van Jesaja, ook een nebiah (vrouwelijke profeet). Maar wat is dan precies het profetische aan Mirjams getuigenis? Het woord blijkt pas later voor profetes te zijn gebruikt, maar vroeger stond het voor iemand die goed kon zingen. Zingen is een bijzondere gave!
Mirjam neemt het voortouw, aldus vers 20. Ze neemt haar tamboerijn (ze is inmiddels rond de negentig!) en begint erop te roffelen, of ermee te tikken tegen haar handpalm, waardoor de schelletjes die eraan zitten, gaan rinkelen.
De andere vrouwen volgen haar voorbeeld; blijkbaar was dat heel gebruikelijk. Niemand vraagt zich daar af: wat doet Mirjam nou?! Niemand vraagt zich ook af wat hij of zij zelf moet doen. Nee, ze pakken ook hun tamboerijn en volgen Mirjam, letterlijk en figuurlijk.
En ze doen nóg iets: ze volgen Mirjam met ‘reien’. Ik moet die Kanttekenaars toch even terechtwijzen. Ze willen roomser zijn dan de paus, door de joodse liturgie te persen in een gereformeerd keurslijf, maar dat kan niet! Er staat niet fluiten of pijpen (bij dat laatste kun je denken aan zowel de panfluit als ons daaruit voortgekomen orgel). Nee, deze vrouwen doen, wat ze al generaties lang deden (wellicht geleerd in de clan van Abraham, Izak en Jacob): (rei)dansen.

Moet dat nou?

Nu kun je je afvragen of dat dansen misschien een heidense invloed uit Kanaän of Egypte was. De rei lijkt alleen in het Oude Testament voor de komen! Echter, het is juist Jezus die dat woord nog één keer in het Nieuwe Testament gebruikt: nota bene in de gelijkenis van de verloren zoon! Wanneer de jongste zoon terugkeert naar huis, dan is er niet ergens in het goddeloze ‘buitenland’, maar in het huis van de Vader (!), vrolijkheid die wordt geuit met zang en reidans! (Lukas 15 : 25). Dus voor Jezus was dans in het huis van Zijn Vader een stuk minder aanstootgevend, dan voor rechtzinnige kerkmensen.
Weer wordt de focus gericht op de motivatie waarmee je iets doet: er was vreugde – uitzinnige vreugde zelfs – over een zondaar die zich had bekeerd. Is er ooit wel eens zo’n feestvreugde gemaakt in de kerk, bij de terugkeer van een verloren schaap? Volgens Jezus is er uitzinnige blijdschap in de hemel, over één zondaar die zich bekeert; uitzinniger blijdschap, dan over … ja, over wie eigenlijk?
Lees het in datzelfde Lukas 15, waar Jezus het tot tweemaal toe zegt! Eerst na de gelijkenis van het verloren schaap: “Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.”
Vervolgens na het vinden van de verloren penning: “Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.”
De reprimande aan het adres van de vrome kerkmens klinkt na de gelijkenis van de verloren zoon: “Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden!” Hoe lezen wij kerkmensen dit soort teksten eigenlijk?

Expressiever

Dus mag Mirjam alsjeblieft een beetje opgetogen zijn en dat ook uiten, wanneer God de vijanden van Zijn volk totaal heeft vernietigd? Mag ze die tamboerijn alsjeblieft gebruiken, als dat haar blijdschap kan versterken? Mag het ietsje expressiever in de kerk? Nee, ik pleit niet voor een dansfestijn in de kerk. Maar ik ageer wel fel tegen de ingekakte manier waarop in onze kerken de psalmen worden uitgeblaat, alsof het allemaal eigenlijk teveel moeite is. Ja, God dienen is voor bepaalde kerkmensen, die zuiver op de graat willen zijn (omdat ze graag in aanzien staan bij mensen!), een heel zware (lees: ­vermoeiende) bezigheid! Zou hun hart er niet écht bij zijn?
Ik wil deze mensen niet bang maken, maar de gang naar de hemel vereist wel wat meer voorbereiding dan alleen ‘gedragen samenzang’ en ‘talen Kanaäns’. Als je met alleen dát in je rugzak in de hemel komt, zul je het daar maar een drukke bedoening vinden. Al die roomse engelen! Heb je nog nooit de toewijding ervaren, die de engelen kennen? Hebben die Psalmen je nog nooit écht gaande, in vervoering, gebracht?

Het Lied van Mozes

Maar terug naar Exodus 15. Want het gaat in Openbaringen 15 niet om het lied van Mirjam, maar om dat van Mozes. Wat bedoelt Johannes dan? Wat heeft hij daar op het strand aan de glazen zee precies gehoord?
Het lied van Mirjam was slechts een refrein! Er staat dat zij antwoordde, maar waarop? Dan moeten we terug naar vers 1 waar staat: “Toen zong Mozes en de kinderen Israëls den HEERE dit lied…” In zekere zin zou je dit mannenzang kunnen noemen, waarop de vrouwenzang antwoordt. Wat waren de lyrics van dat lied van Mozes?

Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen!
De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!
Hij heeft Farao’s wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee.
De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken!
En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.
En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart der zee.
De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.
Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?
Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!
Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.
De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.
Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten!
Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.
Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uw handen gesticht hebben, o HEERE!
De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!
Want Farao’s paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israëls zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.

O, kijk: Mozes begint zijn lied dus tóch met die woorden van het Lied van Hannah Lam (in dit verband trouwens wel een mooie achternaam!). En die beginwoorden herhaalde Mirjam dus, om de vreugde kracht bij te zetten.
Wel, is dat ook bij ons te horen? Wordt de vreugde kracht bij gezet in de kerk? Is aan ons te merken – te horen en te zien – dat we de lof aan de HEERE, onze God, aan het zingen zijn? Is het geluid van de samenzang massaler bij de lof? En gemeenschappelijk ingetogener bij de boetepsalm? En is het in die beide gevallen níet een zaak van wachten op elkaar maar van op het puntje van je stoel klaar zitten met het gevoel en de intentie “Mag ik al?” Die graagte kennen ook de in de kerk aanwezige engelen! Dát is tot eer van God. Opgetogenheid, want de HEERE is in ons midden als de centrale Luisteraar!

Loflied met heftige woorden

Een loflied moet in onze oren en opvattingen toch vooral positief zijn. Oppervlakkig positief haast. Maar lof kan ook een uitgesleten begrip worden, als het de diepte van de oordelen mist! Opwekkingsliederen kennen heel vaak niet de donkere kant van Gods oordelen. Mozes zingt je hier een Opwekkingslied bij uitstek vóór! Vijanden drommen samen, gevaar dreigt, maar God staat op en vernietigt de vijand totaal!
Je schrikt van de gruwelijkheid waarmee de HEERE dat laat bezingen! Mag er in de Opwekkings- en gospelliederen een tikkie meer huiver en respect zitten? Want we hebben het hier niet over zoetsappige zaken! Als Jezus komt, zal de hel een even grote werkelijkheid zijn, zichtbaar en hoorbaar!
Ja, Jezus heeft de dood overwonnen, maar de hel niet weggenomen! Ja, Zijn victorie is ons loflied eeuwig waardig, maar victorie waarop dan? De dood is wel overwonnen, maar de hel blijft eeuwig realiteit voor hen die niet wilden dat Hij Koning over hen zou zijn! Je zou willen dat Hij je stuk had geslagen en dat het over en uit was. Maar de wroeging in de hel zal zó erg zijn, dat geen kerkmens met droge ogen naar een preek kan luisteren, waarin het nu eens goed over de hel en het oordeel gaat! Je snapt er niets van als je niet huivert bij die poel van vuur en sulfer (brandende wroeging over afgeslagen genade en bijtende haat tegen Gods goedheid).
Ja, in de hel klinkt ook een loflied. En satan is de helse voorzanger. Hij zal het hardst krijsen, omdat hij het diepst is gevallen: in de hemel opgeklommen en in de hel neergestoten! Kapernaüm! Bethsaïda! Jeruzalem, Jeruzalem hoe vaak…?”
De woorden van Mozes klinken ons haast sadistisch in de oren: “zij zijn in de diepten gezonken als een steen”, “door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen”, “Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!” En Mozes aldoor maar roemen in zijn God! Onverschrokken gaat hij verder: “Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!” en ­“verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen…”.
Of wat vind je van deze zin: “weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen”? Ga dat vandaag maar eens hardop op straat zingen! Noem mij liederen en gezangen waar dit soort dingen in voorkomen. Het zullen er niet zo heel veel zijn.
Wie echter niet weet wát God nu precies heeft gedaan en waarván Hij heeft verlost, komt maar tot halverwege in zijn lofzang en aanbidding. Ben ik dan té conservatief als ik stel dat liederen meer het kaliber van de Psalmen zouden moeten hebben?

Een lied dat recht doet aan Mozes’ lied

Hannah Lam durfde het aan om – op kinderniveau weliswaar – tóch de toon van Mozes’ lied over te nemen en recht te doen aan de woorden in de Bijbel! Zing maar mee en let op die woorden waarin Gods wraak eerlijk wordt benoemd en waardoor de lof aan Hem nóg beter uit de verf komt.


De koning van Egypteland
trok al zijn legers saam.
Ons lot was echter in Gods hand.
Geprezen zij Zijn Naam!
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer’’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

Hun ruiters zaten hoog te paard,
hun wagens reden snel.
Maar hoger nog verheven is
Die streed voor Israël.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

De aarde dreunde van geweld,
de lucht zag zwart van stof,
Maar met ons was de sterke Held.
Zing, Israël, Zijn lof.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
 
Zijn adem baande ons een pad,
de wind werd bondgenoot.
De vijand echter vond zijn graf
in ‘t water van de dood.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

Voor altijd worden man en paard
verzwolgen in de vloed.
Maar rondom is de Naam vermaard
van Hem Die wond’ren doet.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

Looft nu de Heer’ met snarenspel
en heft de tamboerijn,
want Hij verloste Israël.
Geprezen moet Hij zijn!
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer’, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

maandag 20 mei 2019

Muzikale odes

Heel vaak wordt gesproken over ‘Het lied van Mozes en van het Lam’. Bij de opmaak van dit boekje had ik dát aanvankelijk ook op de voorkant gezet. Maar als je goed leest gaat het over twee gezangen, twee liederen. Eentje van Mozes en eentje van Jezus Christus.

Na de zeven engelen (vers 1) die Gods toorn over de Antichrist en zijn volgelingen hebben uitgestort, krijgt Johannes een nieuw gezicht te zien. Na de plagen en de verdrukking door het antichristendom volgt nu dus het beeld van de overwinning. Hij ziet een zee, zo glad als een spiegel, waarop de bloedrode zon haar vuurrode licht weerspiegelt; al kleurt de zee ook rood van geweld!
Het laatste en definitieve oordeel heeft zich voltrokken; de satan en zijn rijk zijn eeuwig tenonder gegaan. Een angstige realiteit voor allen – in of buiten de kerk – die God niet hebben willen dienen! En wie over een Laatste Oordeel spreekt, denkt dus eigenlijk aan meerdere oordelen!
Het is goed om je dat te realiseren. Daar zijn weer andere boeken over geschreven en er bestaan diverse visies op, maar het gedeelte waar we in die boekje bij stil zullen staan gaat dus over wat er daarná gebeuren gaat.
Overigens, die zeven engelen komen verderop in dit hoofdstuk nog terug en scharen zich bij de mensen die daar aan die fonkelende zee staan. Maar wat doen die mensen?

Een gezang

Johannes vertelt dat die mensen, daar aan de oever, zingen. En ze zingen een gezang, aldus de StatenVertaling; een lied, aldus de Herziene StatenVertaling. Een ode staat er in het grieks. “Het duidt – aldus een lexicon van de griekse grondtaal – op een lied dat veel ontleend heeft aan de Psalmen van het Oude Testament, hoewel het daartoe niet beperkt hoeft te zijn!”
Kort door de bocht zou je kunnen zeggen dat er vooral wordt gezongen met liederen die een strak lijntje houden met de Bijbel. Dat is natuurlijk ook juist. We zingen geen liedjes in de kerk, die haaks staan op Gods Woord. Maar waar ligt de grens? Wat is je motief bij het zingen? En wat is je motief bij het commentaar dat je op liederen hebt?
Nog even terug naar het woord ode. Dat is een lofdicht of lofzang, die gewijd is aan een persoon of zaak. Het karakter – aldus Wikipedia – is vaak zeer lovend en hoogdravend, de betrokkene kan geen kwaad doen. Behalve een gedicht kan de ode ook een muziekstuk zijn. Niet alle lofzangen worden dus gezongen. Is het onderwerp religieus van aard, dan spreekt men van een hymne of van een dithyrambe. Een prozaïsche lofrede, niet op rijm, noemt men wel een eloge of elogium.
Als het commentaar op liederen zich richt op de ­platvloersheid van sommigen liederen, dan mag dat terecht worden genoemd. De HEERE is heilig en de ode aan Hem moet wel passend zijn bij Hem; anders is het niet lovend!
Maar als het commentaar haarkloverij is, dat het goede motief achter het lied wil afkraken, moet je je afvragen wat de HEERE daarvan zal vinden! Ja, het gezang moet recht doen aan Wie de HEERE is. Er moeten geen onheuse dingen over Hem worden gezegd. Maar elke preek heeft zijn eenzijdigheid; zo ook elk lied. Laten liederen met elkaar een goede balans vormen. Daarom is het goed om psalmen en liederen wel­overwogen te kiezen voor de eredienst en zangdiensten, zodat daardoor het evenwicht behouden blijft.
Zingen zorgt ervoor dat je geen andere gedachten in je hoofd kunt binnenlaten; dus met zingen kun je je voor 100% richten op Hem Die je met jouw ode wilt eren. Andere emoties, zoals angsten, boosheid of zorgen, worden automatisch buiten gesloten. Hoe bijzonder heeft de HEERE dát in ons gemaakt!

Twee gezangen

Zoals gezegd worden er daar aan het strand twee liederen gezongen. Als zouden die liederen samen een bepaalde balans – of juist een bepaald accent – vormen.
Er wordt dus gesproken over het Lied van Mozes en over het Lied van het Lam. Even voor de goede orde: die eerste is natuurlijk geen ode aan Mozes! Dat was het lied dat Mozes aan het volk Israël heeft geleerd, terwijl hij hen wees op Gods grote daden en daarmee de lofzang opzweepte naar een hoogtepunt. Alles tot lof en eer van de HEERE!
Voorzichtig vraag ik me af: is dat tweede lied dan soms ook geen ode aan het Lam? Zou het misschien ook gaan over Gods grote daden en zou het ons ook meenemen in de vloedgolf van aanbidding, aangemoedigd en ondersteund door de citers van God, de kitháras toú Theoú, die in vers 2 werden genoemd? God had Zelf instrumenten gegeven om de lof aan Hem te begeleiden. Soms is de Bijbel minder mystiek dan we graag zouden zien: God deelde gewoon instrumenten uit.
En dat het lied van het Lam niet over het Lam, maar over Zijn liefdevolle Vader gaat, klinkt ons wellicht ook al veel minder mystiek en geestelijk in de oren. Maar was dát niet precies wat Jezus op aarde deed: Hij wees voortdurend op Zijn Vader en niet op Zichzelf! Toen Hij heenging, leerde Hij Zijn discipelen om zélf – zelfstandig – te bidden en zich te richten tot God de Vader, zonder tussenkomst van Zijn Zoon. Als ze maar baden ‘in de naam van Jezus’.
Als we onze gebeden – en dus ook onze gezangen – ­opheffen in Jezus naam, zúllen ze hun doel bereiken. Dan is het niet om het even welk taalgebruik je bezigt; maar dan gaat het vanzelf eerbiedig. We zouden daar eens veel minder krampachtig over moeten doen. Het is te vrezen dat veel zich vroom vindende onbekeerden zich bemoeien met de woordkeus van de aanbidding, die zij ijken aan hun eigen dode taalgebruik. Technisch en theologisch ‘juist’, maar ontdaan van elke vorm van passie en kinderlijk geloofsbeleving en ­-vertrouwen!
Laten we zingen, zoals het Lam ons dat heeft voor­gedaan, tijdens Zijn leven. En zoals het Lam ons dat door Zijn Geest nog dagelijks leert en voorzingt. De Heilige Geest leert ons namelijk ook niet zuchten “O, Heilige Geest” of “Och, Heilige Zoon van God”, maar “Abba, Vader!”
Zowel de Zoon als de Heilige Geest richten de schijnwerpers niet op Zichzelf, al zijn Ze één met de Vader. God is immers Eén?! De Vader richt dan ook niet alle aandacht op Zichzelf, maar ontvangt die aandacht door het werk van Zijn Zoon en van de Geest Die van Hem en Zijn Zoon uitgaat (aan het werk is).
Refo’s en charismatischen zouden daarover eens meer moeten nadenken! Dan zou het gezang op aarde weleens een stuk zuiverder kunnen klinken! Immers, dit hier op aarde is een grote oefenschool voor straks…