Posts tonen met het label De Redelijke Godsdienst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Redelijke Godsdienst. Alle posts tonen

donderdag 18 december 2014

Heilig Avondmaal – 14. vrijdag

De belijdenis van de Heere Jezus

Tot de nabetrachting hoort tenslotte ook de belijdenis van de Heere Jezus. Het Heilig Avondmaal verplicht je om de dood van de Heere Jezus te verkondigen, totdat Hij terugkomt op de wolken. Schaam je niet voor Christus, schaam je niet voor Zijn leer, Zijn kerk, Zijn kinderen en Zijn zaak (bij 'zaak' kun je denken aan de hele onderneming van Christus, waarmee Hij Zijn Kerk vergadert uit deze wereld en Zijn Koninkrijk; je zou het woord 'zaak' ook als een juridische term kunnen zien, zoals een rechtszaak; maar het grondwoord voor 'zaak' betekent allereerst: 'ten behoeve van' of 'ter wille van').
Kom vrijmoedig uit voor Hem, laat met je spreken, je daden, de gezelschappen waarin je je bevindt, zien en merken dat je bij Christus hoort! Wees blij als er zich een gelegenheid voordoet dat je kunt laten horen of zien hoe heerlijk, hoe vol zaligheid, hoe dierbaar Jezus Christus voor je is.
Verblijdt je, als de mensen je smaden vanwege de Heere Jezus (en niet vanwege jouw zondige daden!) en schroom niet om verdrukking te lijden om wille van de Naam van Christus. En als de HEERE het goed acht om je te verheerlijken, door je als martelaar tot bloedgetuige van Zijn zaak te roepen, weiger die kroon niet, maar neem hem dankbaar en met blijdschap aan.

Tot slot

Zalig zijn zij, die iets laten zien van wat we hiervoor allemaal hebben overdacht met betrekking tot de voorbereiding, de viering van het Heilig Avondmaal zelf en de nabetrachting ervan. Als zij het meeste daarvan in hun leven herkennen, zijn ze er het best aan toe; maar ook 'hinkenden' komen met Jacob in Kanaän aan! De oprechtheid van je hart is bij God aangenaam en geeft ook steun om te geloven.
Velen hebben wel de lust tot deze dingen, maar klagen dat zij ze niet hebben (of herkennen); en zij hebben er helaas ook reden toe, maar waar komt dat door? Zeker, de schuld ligt bij henzelf, omdat ze traag zijn in het zoeken; ze vinden het allemaal veel te zwaar, te moeilijk. Maar ja, wie niet arbeidt, zal ook niet eten; wie niet bidt, zal ook niet ontvangen; wie niet zoekt zal ook niet vinden.
Zoals God in het alledaagse leven alleen op het gebruik van middelen de lichamelijke zegeningen geeft, zo doet Hij dat ook in het geestelijke. Daarom: begeer deze dingen en wees actief in het zoeken ervan. Leef dicht bij de HEERE en wees een open boek voor Hem (A Brakel zegt eigenlijk "vertoon uzelf dikwijls zo aan de HEERE, zoals gij zijt"). Zeg Hem eerlijk hoe je bent: zo zondig, zo traag, zo lusteloos, zo duister (in het geloof). Laat hem eerlijk zien wat er aan scheelt: hoe groot je onmacht is, om met het zwakke geloof tegen de weerstand van de Oude Adam (de oude mens) te strijden en te overwinnen; ja, hoe moeilijk het vaak is om zelfs met het werk te beginnen!
Bidt de HEERE om je met Zijn genade te ondersteunen. Bidt om de Heilige Geest, Die je aanzet tot willen en zoeken en houdt de HEERE Zijn beloften maar voor. Dan zul je zien dat de HEERE zal horen en genade zal geven. Want het is voor de HEERE aangenaam, als je Hem wel wil zoeken en als je bidt om de Heilige Geest om meer actief te zijn met en voor Hem. En ondanks je machteloos gevoel, zal je ziel er meer dan eens levendiger door worden! Je zult er een 'stil' (biddend verwachtend) hart door krijgen, grotere verlichting en meer vertroosting.

Ik wens je toe dat de HEERE, Die goed is, je dát laat zoeken én vinden!

woensdag 17 december 2014

Heilig Avondmaal – 13. donderdag

Laat zien dat je bij Christus hoort

Bij de nabetrachting hoort ook dat je openlijk laat zien dat je een christen, een bondgenoot van Christus, bent. "Draagt dan voortaan Christus' livrei", zegt A Brakel (een livrei is een ambtskostuum van een lakei aan het koninklijk hof). Hoe doe je dat? Door zo te wandelen (en je zo te gedragen), zoals Christus gedaan heeft (1 Joh. 2:6). Zodat allen, die jou zien, je herkennen dat je bij Jezus hoort (Hand. 4:13). Hoe wordt dat zichtbaar?
  • Door de liefde: "Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander" (Joh. 13:35).
    Heb de HEERE lief, en koester de liefde van Jezus voor jou. Laat (van daaruit) ook liefde zien en merken aan alle gelovigen, omdat Jezus hén ook liefheeft en zíj op hun beurt ook van Jezus houden. Laat jouw liefde niet worden getemperd, doordat zij gebreken en onvolmaaktheden hebben; die komen niet voort uit een ongelovig hart (maar uit zwakheid, die jij zelf ook ondervindt).
    En laat de liefde van je hart ook uitgaan naar álle mensen, zoals een licht of vuur, dat zowel goeden als slechten verlicht en verwarmt.
  • Door nederigheid en zachtmoedigheid: "Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart" (Matth. 11:29).
    Nu je gekozen hebt voor Jezus, om van Hem te ontvangen eer, liefde en bescherming, wat moet je dan nog langer met de eer en liefde van mensen en met de goederen van deze wereld? Als je nu de eergierigheid en geldgierigheid hebt afgezworen, dan zal nederigheid en zachtmoedigheid gaan oplichten in je leven.
    Alles wat je hebt, heb je gekregen van je geliefde Jezus; dus wees maar klein in jezelf en laat jezelf kennen in de omgang als vriendelijk: draag eerbare kleren, maar zonder pronk; laat het ook zien en merken in je huishouding; en op alle plaatsen waar nederigheid te pas komt. En als jou onrecht wordt aangedaan – of er ontstaat een andere gelegenheid waarbij toorn zou kunnen opwellen in je hart – wees dan op je hoede voor die toorn of voor wraak; laat daarentegen zien dat je zachtaardig bent en verdraagzaam; en dat je zelfs je vijanden kunt liefhebben en hen goed kunt doen.
  • Door weldadigheid: wat deed Jezus altijd wel (goed) aan anderen! Wie ging er ooit ongetroost bij Hem vandaan? Laat dat ook in jouw leven zien: troost de bedroefden, bezoek de zieken, wees milddadig aan armen. En als je weinig of geen geld hebt om te geven, wees dan in ieder geval vriendelijk voor hen, en laat medelijden voelen. Laat alzo je licht schijnen onder de mensen en toon je geloof uit je werken!

dinsdag 16 december 2014

Heilig Avondmaal – 12. woensdag

De wereld verlaten

De nabetrachting bestaat ook uit het versmaden (negatief waarderen) en verlaten (links laten liggen) van de wereld:
"Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld" (1 Joh. 2:15-16).

Wees eerlijk, waarom zou je de wereld níet willen verlaten? Immers:
  • Dat zit namelijk inbegrepen in het verbond waarin je bent opgenomen en dat in het Avondmaal opnieuw werd bezegeld. Het houdt in: in God alléén heb ik al mijn lust, mijn rust, mijn blijdschap, mijn vergenoeging (dat betekent: ik heb er volkomen genoeg aan) en mijn vreze en toewijding. De wereld daarentegen niet! Die is nu voor mij slechts een middel om te worden gebruikt (om te kunnen leven, zolang ik hier op aarde ben). Ik loop er doorheen als een vreemdeling, om zo mijn vaderland te bereiken.
  • De wereld is enkel vuilheid; zij ligt toch in het boze? En jij bent juist schoongewassen in het bloed en door de Geest van Christus! Zou je jezelf dan weer vuil willen maken? De HEERE heeft je geroepen of getrokken uit deze droevige en boze wereld, net als Hij Abraham uit Ur riep en Israël uit Egypte. Zou jij er dan toch weer naar terug willen keren?
  • Die twee – God en de wereld – staan recht tegenover elkaar. Wie de ene bemint, haat de Ander; wie de Ene bemint, haat de ander. Niemand kan twee heren dienen: "Zo wie een vriend van de wereld wil zijn, die wordt gezien als een vijand van God" (Jak. 4:4).
  • De wereld níet verlaten is niets minder dan overspelige liefde. De Bruidegom Jezus, met Wie je – bij wijze van spreken – ondertrouwd bent, zal er zeer jaloers over zijn. Het is ook tot oneer van Hem, alsof je ziel niet genoeg heeft aan Hem alleen! Alsof Jezus je niet kan verzadigen, zodat je naast Hem toch nog wat anders moet hebben. Alsof Hij niet goed en vriendelijk genoeg is, om Zijn Bruid te verlevendigen en verheugen.
  • Ook is het zo dat de HEERE het zeker zal belonen, wanneer je uit liefde tot Hem al het aardse goed en genot verlaat. Het verloochenen van alles wat je op aarde probeert te bekoren, zal Hij belonen met overvloedige vertroosting.
  • En wees eerlijk: wat is de wereld met al haar 'heerlijkheid', maar zónder Jezus? Niets anders dan ijdelheid, leeg en loos!
  • Zeg eens, geliefde, waar komt alle verwarring, droefheid, verdriet en moeite vandaan? Toch nergens anders van, dan van de wereld? Die vijand probeert je óf op een vleiende manier, óf op een gewelddadige manier telkens weer te verwonden. Ga je dan je eigen verdriet opzoeken? Heb je al niet lang genoeg die bittere smaak van de wereld geproefd?
Daarom: stap er resoluut uit (dat betekent niet, door te sterven, maar door de bekoring van de wereld als iets waardeloos te negeren) en laat je wandel (zowel je dagelijkse doen en laten, als ook je domicilie, je vaderland) voortaan in de hemel zijn!

maandag 15 december 2014

Heilig Avondmaal – 11. dinsdag

De wandel met God

Ook de dagelijkse omgang met de HEERE hoort bij de nabetrachting; evenals het voortdurend biddend opzien tot Hem (om Zijn hulp, wijsheid en kracht).
"Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht" (Gen. 17:1).
"Henoch wandelde met God" (Gen. 5:24).

Daarvoor is het nodig dat we God zien als een verzoend Vader, dankzij het offer van Zijn Zoon Jezus Christus. Ook al brandt het geestelijk licht soms maar matig, of val je in zonden, of komt er strijd in je leven, zo moet je tóch vasthouden aan de onwankelbaarheid van Gods verbond. Want het verbond staat of valt niet met ons gevoel, of met ons staan of vallen. Nee het ligt vast in de de onveranderlijkheid van God:
"Bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer" (Jes. 54:10).
"Ik, de HEERE, wordt niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen van Jacob, niet verteerd." (Mal.3:6)

Dus, laat je niet te snel ontnemen wat je van de HEERE hebt gekregen! Sta vast in het geloof en wees dapper. En als je vanuit je gevoel geen duidelijke conclusie kunt trekken over je geestelijke staat (of je nu wel echt gelooft of niet), trekt die conclusie dan vanuit een rationeel oordeel (vanuit je nuchtere overdenking en oordeel over alles dat binnenin je hart speelt en gebeurt). En zeg:
"Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onze Heere" (Rom. 6:11).
"Als die dit oordelen, dat indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn" (2 Kor. 5:15).

Stel je de HEERE gedurig voor ogen (Ps. 16:6). Leef in een voortdurend gesprek met Hem. Nu eens biddend, dan weer om raad vragend, of aanhankelijk, of verwachtend, of eerbiedig aanbiddend, of stil in Hem rustend, dan weer dankend, maar ook je 'tot Zijn dienst aanbiedend' (Heere, wat wilt U dat ik doen zal). Leer zo op een heel natuurlijke manier dagelijks met Hem te leven, te wandelen (A Brakel noemt het: "gewen je aan de HEERE"; laat dat de life-style van elke dag worden).

Van zo'n omgang met de HEERE is heil te verwachten en troost, tevredenheid, heiligheid en zaligheid. Want op die manier wordt je ziel zich bewust dat Gods rechtvaardigheid eigenlijk enkel licht, heerlijkheid en zuiverheid is. Je gaat Hem steeds meer lief krijgen, je in Hem verheugen. Temeer, omdat de HEERE in Zijn rechtvaardigheid niet uit is op je verderf, maar op je behoud. Hij wil je helpen. Dat heeft Christus als Borg voor je verdiend! Als je zo met de HEERE omgaat – Zijn goedheid en 'algenoegzaamheid' (dat je aan Hem volledig genoeg hebt) – geeft dat een heerlijke smaak in je geestelijk leven. Je vindt dan echt geen lust meer in de omgang met anderen die de HEERE niet dienen; nee, naast (of in plaats van) de HEERE geeft ook niets op aarde je meer echt lust; immers, je vindt en hebt alles in God:
  • Zijn heiligheid: we kunnen die glans niet verdragen van nature, maar daarin zien we wel onze zondigheid weerspiegeld; dat brengt schaamte met zich mee en zo vergaat de lust tot de vergankelijke en zondige dingen van deze wereld. 
  • Zijn liefde: als je daardoor wordt bestraald, 'zo vermaak je je wonderlijk' (je geniet intens van Gods volheid en rijkdom) en je wordt 'verwarmd in wederliefde'.
  • Zijn wil: dit is de opperste en souvereine wil, waartegen jouw eigengereide wil het altijd aflegt; als je in tijden van lijden komt, of voor allerlei keuzes komt te staan, ga je steeds meer Gods wil liefhebben.
  • Zijn hoogheid en heerlijkheid: hiervoor verliest elk schepsel op aarde zijn aanzien en begeerlijkheid; je ziel buigt zich voor de HEERE en aanbidt Hem in diepe eerbied en geeft Hem eer en heerlijkheid.
  • Zijn almacht: deze is op zichzelf al een geweldig feit; maar wanneer de HEERE met Zijn almacht ook nog gaat werken in schepselen, dan verdwijnt elke kracht die zich tegen je ziel zou kunnen verheffen als sneeuw voor de zon.
  • Zijn wijsheid: deze openbaart zich in al Gods werken, zowel in de natuur (de schepping) als in de genade (het geestelijk leven). Daarbij verbleekt zelfs de grootste wijsheid van een mens; je hart wordt stil, klein en tevreden onder Gods wijze regering.
  • Zijn waarheid en trouw: immers je kent Gods beloften en je gelooft ze ook; en je kunt er gerust en zeker van zijn dat de HEERE doet wat Hij belooft! Je ervaart als het ware de vervulling van Zijn beloften al, nog vóór dat ze werkelijk vervuld zijn. 
Als je dit mag genieten, word je een bedachtzaam (weloverwogen) en standvastig (evenwichtig) mens. Je kent namelijk in alles een stille onderwerping (of overgave) aan de HEERE, wat je ook tegenkomt op je levensweg ("Hij weet wat goed voor mij is"). Er groeit ook een zekere dapperheid (durf en doorzettingsvermogen) in je, bij het uitvoeren van je dagelijks plicht; je mag genieten van het werk dat de HEERE je te doen geeft (en dat ook voor Hem gedaan mag worden). Je laat veel gemakkelijker de uitkomst/de afloop van alle gebeurtenissen over – in een zekere gelatenheid – aan de HEERE (dingen brengen je niet meer zo gemakkelijk van je stuk). Dit is pas écht een vrolijk leven; hier vloeit een zuivere heiligheid uit. Je gaat elke deugd (alle dingen die op zich goed zijn) die níet geschiedt met het zicht op Christus, zien als ondeugdelijk (tekort).

Zo'n dagelijkse wandel met de HEERE is de hemel op aarde.
"En alzo zullen wij altijd met de HEERE wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden" (1 Thess. 4:17-18).

David zegt hierover:
"Verzadiging van vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk" (Ps. 16:11).
"Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen; ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken" (Ps. 17:15).

Je kunt dit inderdaad kort samenvatten met het woord 'hemel', maar het gaat tegelijkertijd ons begrip te boven. Als je zo wandelt met de HEERE – en je steeds meer gewent aan die levensstijl – ontvang je ook veel vrijmoedigheid om telkens je nood aan de HEERE te klagen; om al je begeerten in het gebed aan Hem voor te leggen; en ook om de vervulling van deze dingen van Hem af te smeken. Je zult merken dat de HEERE een antwoordende en verhorende God is! Let hier maar eens op:
"Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekendmaken grote dingen en vaste dingen, die gij niet weet." (Jer. 33:2).

Zie daar de uitnemende gelukzaligheid van de omgang met God. Vanwege het feit dat je met God in een verbond leeft – en dat verbond ook aan je is bezegeld in het Avondmaal, eergisteren – heb je het voorrecht om met de HEERE, ootmoedig, te wandelen! En dat is tegelijk ook je plicht! 'Gewen je aan de HEERE' (laat dat wandelen als het ware de gewoonste zaak van de wereld voor je zijn), heb vrede en word blinkend (A Brakel legt dat laatste woord niet uit en het klinkt ons misschien wat vreemd in de oren; maar mijns inziens bedoelt hij hiermee, dat je 'reiner' en 'heiliger' begeert te leven voor de HEERE).

zondag 14 december 2014

Heilig Avondmaal – 10. maandag

Bij de nabetrachting gaat het ook om blijde dankbaarheid. 
"Looft den Heere, mijn ziel! En vergeet géén van Zijn weldaden" (Ps. 103:2).
"Dankt den Heere, roept Zijn Naam aan,maakt Zijn daden bekend onder de volkeren; vermeldt dat Zijn Naam verhoogd is. Psalmzingt den Heere, want Hij heeft heerlijke dingen gedaan, zulks zij bekend op de ganse aardbodem. Juicht en zingt vrolijk, gij inwoners van Sion; want de Heilige Israëls is groot in het midden van u" (Jes. 12:4-6).

Dankbaarheid bestaat uit:

  • Het kennen, bewonderen en op waarde schatten van alles dat je hebt ontvangen van de Heere bij en rondom de viering van het Avondmaal. Maar even goed ook van het gehele werk van de Heere Jezus. En van alles dat de Heere belooft in het Genadeverbond. Wees ook bewust dankbaar voor elke goede ingeving of gedachte in je hart en voor hoe de Heere je ontmoette in het Avondmaal. "Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! Hoe machtig veel zijn haar sommen! Zou ik ze niet tellen? Ze zijn meer dan het zand" (Ps. 139:17). Wie de waarde niet kent van wat hij ontvangen heeft, kan niet dankbaar zijn.
  • Het erkennen dat die dingen die je hebt mogen ontvangen van de Heere bij het Avondmaal ook je eigendom zijn. "Die mij heeft liefgehad, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft" (Gal. 2:20). Het eigendom (of bezitten) maakt blij en maakt het hart dankbaar.
  • Het erkennen van Gods vrije (soevereine en genadige) goedheid, als een fontein waaruit al die schitterende weldaden opborrelden. "Weet dat de Heere God is; Hij heeft ons gemaakt, en niet wij, Zijn volk en de schapen van Zijn weide" (Ps. 100:3). Goedheid verdubbelt de (waarde van) de gift.
  • Het laten zien en merken van je blijdschap voor de Heere, vanwege alles dat je van Hem hebt mogen ontvangen, of dat nu veel is of weinig. "Want Gij hebt ons verblijd, Heere!  Met Uw daden. Ik zal juichen over de werken van Uw handen" (Ps. 92:5). Een blijde Gever, eist een blijde ontvanger.
  • De lust om iets terug te doen voor de Heere. "Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Ik zal de beker der verlossing opnemen en de Naam van de Heere aanroepen" (Ps. 116:12-13). Hoewel we natuurlijk niets kunnen aanbieden als tegenprestatie, worden we wel opgeroepen tot het verlangen en de lust om iets terug te doen uit dankbaarheid aan de Heere.
  • Het loven, roemen en prijzen van Gods goedheid, genade en weldadigheid, die zichtbaar werden in die dingen die we ontvingen van de Heere. "Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zou verkondigen de deugden van Degene Die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht" (1 Petr. 2:9). 
  • Het vrijmoedig vertellen van Gods daden. Als je soms in gezelschap bent van mensen die in jouw beleving veel meer van de Heere kennen (Hem al veel langer dienen of de dingen veel beter kunnen verwoorden), aarzel dan niet om tóch met elkaar te delen hoe het je is vergaan bij het Avondmaal. Dat kan heel nuttig zijn en verbondenheid geven, voor jou, zowel als degenen tegen wie je dit mag vertellen. De een herkent er iets in dat in zijn eigen hart ook zo leeft; de ander wordt er door vertroost; een derde wordt aangemoedigd in het zoeken van de Heere. Er ontstaat niet zelden het verlangen om samen de Heere te danken met Psalmen en gebeden. "Komt, hoort toe, o gij allen die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft" (Ps. 66:16).

zaterdag 13 december 2014

Heilig Avondmaal – 9. Avondmaalszondagmiddag of -avond

De nabetrachting

Als je aan het Heilig Avondmaal bent geweest, moet je je niet gedragen alsof je een heel zwaar pak – waar je je nogal zorgen over maakte (bedoeld wordt de angst of je je misschien toch geen oordeel zou eten of drinken) – heb afgelegd. Althans niet in die zin dat je gewoon weer tot de orde van de dag overgaat en misschien zelfs wel je oude leventje weer oppakt. Zie erop toe en zorg dat je zo'n houding niet aanneemt; maar denk goed na over hoe je je ná het Avondmaal gedraagt. Ga zorgvuldig te werk, want de satan zit niet stil. Als het hem vóór of tijdens het Avondmaal niet gelukt is je enige geestelijke schade toe te brengen, dan zal zeker proberen om ná het Avondmaal zijn gram te halen.
Toen de Heere Jezus was gedoopt, werd Hij door de duivel verzocht. Toen de discipelen het Heilig Avondmaal met de Heere Jezus hadden gehouden, werden ze in diezelfde nacht geërgerd aan Hem en verstrooid. Petrus werd toen 'gezift als tarwe'. En nadat Paulus in de derde hemel werd opgetrokken, kreeg hij een engel van de satan, die hem met vuisten sloeg. Zo gaat het vaak met de gelovigen, dat ze na vertroosting zich moeten wapenen tegen de aanvallen van geestelijke vijanden. Ze moeten er daarom voor zorgen dat die geen grip op hen krijgen. En naast dat wapenen tegen die vijanden, moet je er dus ook voor zorgen dat je je eerbaar ('betamelijk' noemt A Brakel het) gedraagt tegenover God; Hij is immers je Weldoener?

Op het Avondmaal zou je de volgende Bijbeltekst wel kunnen toepassen, waarin de HEERE een bevel gaf aan Zijn volk Israël, toen ze het land Kanaän eindelijk mochten binnengaan:
"Als u zult gegeten hebben en verzadigd zult zijn, zo zult u de HEERE, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal gegeven hebben. Wacht u, dat gij de HEERE, uw God, niet vergeet" (Deut. 8:10-11).

Een overdenking in de stilte

Hoe ziet een goede nabetrachting eruit? Allereerst een overdenking in rust en stilte, over hoe het was tijdens de bediening van het Avondmaal. Hoe we het hebben ervaren (eigenlijk zegt A Brakel: hoe wij ons hebben gedragen) en wat de HEERE aan ons heeft gedaan.
"U zult gedenken al de weg, die u de HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft" (Deut. 8:2).

Overdenk hoe je deze hele voorbereiding en bediening hebt ervaren.
  • Hoe zag jouw voorbereiding eruit? Heb je er tijd voor ingeruimd? Of heb je het telkens uitgesteld, totdat de tijd je door de vingers was geglipt? Moest het er met een heel korte overdenking en een of twee kleine gebeden mee door? Kwam je toe aan de overdenking van je zonden? Was er worsteling over het aannemen van Christus? Kwam het tot een levendig opstaan en een 'verwakkering' (doorbrekend besef) die tot bekering leidde? Of was je juist duister en somber, of lusteloos en moedeloos?
  • En hoe was het met je tijdens de bediening van het Avondmaal? Was je droevig of juist blij? Weekhartig en gevoelig of juist kil en ongevoelig, vermengd met verdriet? Duister en somber of juist licht en intens? Emotioneel of juist kalm? Kon je je geloof goed oefenen of was er juist veel vrees? Was er verlangen of bleef het dor en doods?
Overdenk ook hoe de HEERE naar je toe kwam.
  • Was er zowel bij het aangaan als bij het weggaan van de tafel verdriet van binnen, omdat je de HEERE juist nergens ervoer?
  • Of ontving je vrede, stilte, hoop, rust, verzekering of blijdschap in je hart?
  • Bleef je je vastklampen aan de HEERE, misschien wel met veel tranen, ook al ontving je juist niet veel troost?
  • Of kon je je geheel aan de HEERE overgeven en was het net als met de bruid uit het Hooglied, dat je heerlijk leunde (steunde) op je Liefste (de Heere Jezus)?
  • Kwam de HEERE dichtbij met buitengewone geloofservaringen (als werd je opgetrokken in de hemel, net als Paulus)? Of ontving je van Hem heldere en krachtige geloofsverzekering?
Overleg al dit soort dingen eens bij jezelf. Ontken niet te snel dat, wat je mocht ervaren, ook daadwerkelijk van de HEERE was. Waardeer het minste hoog (A Brakel bedoelt: let ook op de kleine, misschien onbeduidende dingen; ook als je maar heel weinig hebt mogen genieten, waardeer dat dan tóch als iets enorm groots en goeds). Als je zo nog eens rustig een poosje terugdenkt aan het Avondmaal (en alles er omheen), zul je merken dat het Avondmaal je een heerlijke nasmaak geeft.
Je zult je gebreken en je tekorten vast wel zien, maar je zult vooral Gods vrije genade erkennen. Evenals Zijn goedheid en weldadigheid. Je zult deze nabeschouwing (nabetrachting) ervaren als een vernieuwing van de vriendschap met God (A Brakel noemt het zelfs een 'weêrbruiloft', of een tegenmaaltijd (denk aan Esther die de Koning uitnodigde voor een maaltijd in haar eigen paleis), waarbij je Jezus op Zijn eigen gerechten (gaven) onthaalt). "O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame en ate Zijn edele vruchten" (Hoogl. 4:16).
Ja, het zal niet de eerste keer zijn dat je tijdens de nabetrachting die zegen ontvangt, die je tijdens de bediening van het Avondmaal moest missen.

vrijdag 12 december 2014

Heilig Avondmaal – 8. zaterdag

Tips voor de Avondmaalszondagmorgen

Als je je hebt voorbereid, zoals ik hiervoor heb uitgelegd, moet je zondagsmorgens niet te lang op bed blijven liggen. Zo zal de tijd je ontglippen en moet je je nog haasten (zorg dus voor rust). Sta daarentegen ook weer niet té vroeg op – uitzonderlijk veel vroeger dan je normaal doet – anders word je misschien flauw, slaperig of vermoeid, tijdens de Avondmaalsdienst. Want een lichaam dat niet fit is, is niet optimaal in staat de Avondmaalsbediening bewust mee te maken.
Ga op tijd naar de kerk. Trek nette kleren aan, niet te slordig en niet te opzichtig en pronkerig. Als je arm bent en je hebt niet veel meer dan je dagelijkse kleren – maar ze zien er verder nog fatsoenlijk uit – laat je daardoor niet hinderen om naar de kerk te gaan. De HEERE kijkt naar je hart en niet naar je kleren. De gelovigen mogen je niet minachten omdat je niet zulke mooie kleren hebt. En de overige gemeenteleden die niet bekeerd zijn al helemaal niet, want die mogen niet deelnemen aan het Avondmaal.

Als je je huis verlaat en over straat naar de kerk gaat, verlaat dan ook met je hart de wereld. Dan is het net als met Abraham die uit Ur vertrok, of met Lot die uit Sodom verliet, of het volk Israël dat Egypte achter zich liet. Laat alle aardse gedachten, begeerten en zorgen maar varen – stap eruit – en loop over straat met het hart van een pelgrim die zich naar de hemel spoedt: daar ligt immers je vaderland? Ga – als het vanwege de veiligheid op de weg kan – al biddend, verlangend en vooral uitziend naar de HEERE.

Als je de kerk binnengaat

Laat, als je de kerk binnengaat, een heilig ontzag in je hart zijn, omdat God, de engelen en de kinderen van God daar zijn. Bid: "Zend, HEERE, Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; en dat ze me brengen tot de berg van Uw heiligheid en tot Uw woningen. En dat ik inga tot Gods altaar, tot de God van de blijdschap mijner verheuging; en U met de harp love, o God, mijn God!" (Ps. 43:3-4).
Ga stil op je plaats zitten; laat uit heel je houding aandacht, eerbied en 'deftigheid' (een houding die past bij dit heilige moment, bedoelt A Brakel) spreken; in je uiterlijk en in je gedrag. Vermijdt show en gemaaktheid, op welke wijze dan ook! Daarmee bedoel ik dat je je anders dan anders gedraagt: je laat je hoofd extra hangen, je trekt je mond in de een of andere vroom-lijkende plooi, je maakt krampachtige bewegingen met je handen, of je kijkt opzichtig omhoog naar het plafond, of je trekt met hoorbaar zuchten de aandacht van anderen… foei die gemaaktheid! Die is walgelijk; voor onbekeerden in de kerk, maar al helemaal voor Gods kinderen. Daarmee maak je de godzaligheid verdacht (alsof het toneelspel is) en veracht (het wekt weerzin op); als het al geen geveinsdheid (nep) is, dan smaakt het er in ieder geval wel naar. "In het aangezicht van de verstandigen is wijsheid" (Spr. 17:24).

Tijdens de dienst

Let erop dat je onder de schriftlezing (en het lezen van het formulier), het zingen, de gebeden en de preek eenparig bent met de gemeente. (A Brakel noemt het:) doet één werk met hen tijdens het zingen, het bidden en het luisteren (dus eensgezind). Richt je enkel op die zaken die gebeuren in de dienst; er is geen tijd om zelf aan iets speciaals te 'werken' (in je gevoel, in wat je meent dat je zou moeten ervaren op dat moment; maar laat de dingen komen zoals ze komen). Verlies geen tijd door aan andere dingen te denken. "Ziet dat hoe gij hoort" (Luk. 8:18).

Als je opstaat van je zitplaats

Als je opstaat om naar het Heilig Avondmaal te gaan, doe dat dan als een bruid die gaat trouwen. Enerzijds, vanwege de roepstem van de Bruidegom: "Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone en komt" (Hoogl. 2:10) en "O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs: wijn en melk" (Jes. 55:1). Anderzijds, vanwege het verlangen om bij jouw Bruidegom te zijn: "Ik zal mij daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht: (Ex. 3:3).
Hier past het niet om trillend en bevend en al schoorvoetend daar heen te gaan, alsof je er naar toe getrokken moet worden. Hier past liefde en verlangen!

Terwijl je naar de tafel loopt

Denk, terwijl je naar de Avondmaalstafel loopt – als daar tenminste nog tijd voor is – bijvoorbeeld aan de Heere Jezus en aan alles wat er met Hem gebeurde bij Zijn lijden. En als dat niet lukt – dat geeft niet – houd je dan maar stil en rustig, naar binnen gekeerd; en wacht wat de HEERE in je hart geeft en doet. Je kunt ook nadenken over het werk van de Heilige Geest. En wissel die gedachten maar af met korte gebeden om door deze Geest geleid te worden: "Uw goede Geest geleide mij in een effen land" (Ps. 143:10). Of denk er over na hoe de Heere Jezus, samen met de heilige engelen, je bij de hand neemt en naar de tafel brengt. "In gestikte klederen zal ze tot de Koning worden geleid. Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging" (Ps. 45:15-16). "Hij zal ze aan de springaders der wateren zachtkens leiden" (Jes. 19:10).

Als je aanzit

Terwijl je aanzit, zie jezelf dan als iemand die mag zitten in het heldere licht van een geopende hemel; licht dat mag neerstralen over de Avondmaalstafel en over al de anderen die daar aanzitten. En dat je je mag bevinden in de werkelijke aanwezigheid van God, je hemelse Vader, en van Christus, je Bruidegom. Dat mag je best klein maken; laat er maar kinderlijk ontzag en eerbied in je ziel opwellen en zeg: "Gewis, de HEERE is aan deze plaats, dit is niet (anders) dan een huis van God, en dit is de poort van de hemel" (Gen. 28:16-17).
Kijk maar goed – en schrik er niet van – want de HEERE heeft Zich voorgenomen om je veel genadegaven in Christus te geven; houd je in het geloof vast aan de HEERE en verheerlijk Hem over Zijn genade en verheerlijk Christus om de volheid van Zijn verzoening.

Tijdens het eten en drinken

Wees er bewust bij, terwijl je eet en drinkt! Wees actief betrokken in het geloof (op wat er gebeurt en wordt gezegd aan de tafel).
  • Pak het brood en de beker maar aan; je bent immers genodigd door de Bruidegom Zelf? Hij zei: "Eet, vrienden, drinkt en wordt dronken, o liefsten" (Hoogl. 5:1).
  • Blijf niet hangen aan de uiterlijke tekenen, want je weet best dat die je ziel niet kunnen voeden. Echter, ga niet direct aan die tekenen (brood en wijn) voorbij om direct door het geloof al naar Christus te gaan. Want dan laat je een deel van het Avondmaal liggen. Leg op een verstandige (weldoordachte) manier de link tussen het teken en de betekenis van dat teken. Wat bedoel ik? Wel, kijk maar goed naar het breken van het brood: zó werd Christus' lichaam verbroken. Let op het uitgieten van de wijn: zó werd Zijn bloed vergoten. Daarin zien we Zijn liefde en de kracht van Zijn offer, tot vergeving van onze zonden. Beschouw die tekenen ook als zegels, als een onderpand, een trouwpenning, die de Heere Jezus je geeft; om je daarmee te verzekeren dat Zijn voldoening voor jóuw zonden en Zijn liefde voor jou eeuwig hetzelfde blijven!
  • Verwacht hier niet direct spectaculaire wonderen en ervaringen (A Brakel noemt het 'buitengewone optrekkingen', 'verlichting' of 'verrukkende blijdschap'). Als de HEERE dat wél geeft op dat moment, geniet ervan. Maar weet dat het meestal Zijn manier van doen is om het geloof te oefenen, door 'gewoon' die tekenen te geven als een bewijs – als een onderpand – dat Christus écht voor jou is gestorven, net zo zeker als je dat brood voelt en proeft en die wijn drinkt en de smaak ervaart. Probeer zo, door het geloof, vrede te ontvangen in je geweten (dat je nog zo vaak aanklaagt, juist vanwege die zonden).
  • Neem in je ziel een standvastige, oplettende, verwachtende en leergierige (eigenlijk noemt A Brakel het 'geloofsoefenende') houding aan. Houd je verre van twijfel en vrees. Die kan je immers zomaar overvallen, door de influistering van satan, dat je je een oordeel zit te eten en te drinken, óf doordat plots alles weer duister lijkt te worden, óf door verwarring dat je je gedachten niet voldoende kunt ordenen. Wees je daarentegen bewust van de oplettendheid van je hart en van je werkelijke bedoelingen (de HEERE weet immers hoe het ligt in je ziel?). Want al die verwarrende gedachten beletten de vrucht op het sacrament!
  • Richt je al etend en drinkend op Christus en verenig je met Hem in waarheid, in vastberadenheid, in liefde; richt je op de onveranderlijkheid van Gods verbond dat nú aan jou wordt verzegeld. En zeg: "Mijn Liefste is van mij en ik ben van Hem" (Hoogl. 2:16).

Als je terugloopt naar je plaats

Vier dingen die goed zijn om te bedenken, als je weer weggaat van de Avondmaalstafel:
  • Zeg in je hart: mijn Jezus zal woord houden (doen wat Hij beloofd heeft) en daar ben ik tevreden mee. "Hij zal mij niet begeven of verlaten" (Deut. 38:8); "Hij zal alles voor mij voleindigen (afmaken)" (Ps. 138:8), "Hij zal mij bewaren en daarna tot Zich opnemen in heerlijkheid" (Ps. 73:24). Aan Zijn almacht en wijsheid vertrouw ik mij toe.
  • Roep het verlangen telkens wakker, om bij Jezus de blijven. Maar omdat dat zo vaak toch niet lukt, vertrouw het vooral aan Hem toe!
  • Troost je met Jezus' wederkomst; kijk reikhalzend uit naar die dag, om dan voor eeuwig met ziel in lichaam bij Hem te zijn.
  • Ga heen, door Jezus gezonden om Zijn dood en de volheid van de zaligheid aan de wereld te verkondigen; en om het werk te doen dat de HEERE je geeft om te doen.
Al deze dingen heb ik op een rijtje gezet voor je, om je daarmee te helpen op een goede manier naar het Avondmaal te gaan. Maar… maak het jezelf niet onnodig moeilijk, door deze dingen precies zo na te volgen, punt voor punt. Je ziel heeft ook vrijheid nodig (om het allemaal te bevatten) en de Heilige Geest brengt je dan eens dit en op een ander moment weer iets anders te binnen!
Maar als je deze dingen, die ik je heb verteld, aandachtig leest, zal er toch verlangen in je hart komen om steeds bewuster met het Avondmaal om te gaan. Je zult er beter door in staat zijn er op een goede manier mee bezig te zijn (en ook de vrucht van te genieten).
"Welgelukzalig is het volk, die het alzo gaat" (Ps. 144:15), "Welgelukzalig is hij, die Gij verkiest en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven. Wij zullen verzadigd worden met het goede van Uw huis, met het heilige van Uw paleis" (Ps. 65:5).
Welgelukzalig is hij, die in 'de binnenkamers van het Evangelie' wordt geleid en kan zeggen: "Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer. Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zullen U prijzen" (Ps. 63:3-4).

donderdag 11 december 2014

Heilig Avondmaal – 7. vrijdag


Herstel in het verbond der genade

Versiering bestaat ook uit het herstel in het verbond der genade; en een vernieuwing van dat verbond. Bij het volk Israël ging dat zo:
"Zij traden in een verbond, dat zij den Heere, de God van hun vaderen zouden zoeken met hun ganse hart, en met hun ganse ziel. En zij zwoeren de Heere met luider stem en met gejuich. En gans Juda was verblijd over deze eed, want zij hadden met hun ganse hart Hem gezworen en met hun ganse wil Hem gezocht en Hij werd door hen gevonden" (2 Kron. 15:12, 14-15).

Natuurlijk is het waar dat het verbond dat ooit gemaakt is, vast blijft staan tot in eeuwigheid:
"Het verbond Mijns vredes zal niet wankelen" (Jes. 54:10)
"Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik Mij niet van achteren van hen zal afkeren, opdat Ik hen weldoe en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij van Mij niet afwijken" (Jer. 32:40).

Maar sommigen komen nogal eens in het geestelijk donker terecht. Dan raken ze aan het twijfelen of ze wel ooit echt in dat verbond waren opgenomen; ze zijn dan onzeker over hun deel in Christus. Anderen missen de levendigheid en de blijdschap over het verbond met God. De glans van de rijkdom van het verbond is eraf voor hen. Daarom is het nodig en nuttig om de bewuste beleving van het verbond telkens weer te vernieuwen.
Overdenk dan eens rustig het een ellendige, zondige, verdoemelijke, machteloze en walgelijke toestand het is buiten dit verbond. En bedenk dan dat dat uw vorige toestand was. Overdenk aan de andere kant ook hoe gelukzalig het is (en wat dat dan exact inhoudt) om in het genadeverbond te zijn opgenomen. De goederen die God belooft aan hen met wie Hij dit verbond heeft gesloten zullen jouw eigendom zijn; dat ligt namelijk onwrikbaar vast in de dood van de Middelaar, Jezus Christus. Prijs je gelukkig (zo zegt A Brakel het) met deze heerlijke werkelijkheid.
Richt je dan op de waarachtige, ernstige en bewogen nodiging en roeping van de Heere Jezus. Luister naar die liefelijke stem van Hem en wek je begeerte naar Hem op, geef je met ernst gewillig in dat verbond aan de Heere Jezus over, alsof je het nog nooit had gedaan. En zeg: "Nu doe ik het met mijn gehele hart; op dit verbond wil en zal ik leven én sterven!"


Een ernstig voornemen tot heiligmaking

Bij de versiering hoort ook een ernstig voornemen om heiliger te leven:
"Zo dan, laat ons feesthouden niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en waarheid" (1 Kor. 5:8).
"Komt, eet van Mijn brood en drinkt van de wijn die Ik gemengd heb. Verlaat de slechtigheden en leeft en treedt op de weg des verstands" (Spr.  9:5-6).

Je moet niet alleen een voornemen hebben (van plan zijn) serieuzer te vechten in het algemeen tegen de zonde, maar ook heel concreet, speciaal tegen die en die zonde. En evenzo je actief zetten tot die en die goede daden. Je hebt een wakkere, levendige begeerte naar heiligheid nodig.
"Och, dat mijn wegen gericht werden, om uw inzettingen te bewaren!" (Ps 119:5).

Nodig is dat je het bewust, met opzet je voorneemt en doet:
"Ik heb mijn hart geneigd om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen" (PS. 119:111).

En omdat je je eigen onmacht kent, moet je dit ernstig biddend om hulp doen:
"Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord en laat geen ongerechtigheid over mij heersen" (Ps. 119:133).
"Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God; Uw goede Geest geleide mij in een effen land" (Ps. 143:10).

Je zult merken dat, als je dit oprecht doet, je vrijmoedigheid krijgt om naar de HEERE toe te gaan:
"Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God" (1 Joh. 3:21).

Hoogachting voor de kerk

Ook hoogachting, eerbied, voor de Kerk (maar ook de kerk met een kleine 'k') behoort bij de versiering van ons hart:
"Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergeet mijn rechterhand zichzelf. Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte, als ik niet aan u gedenk; als ik Jeruzalem niet verhef boven het hoogste van mijn blijdschap" (Ps. 137:5-6).

Waarom? Wel, is de Kerk niet het volk van God, de beminde des Heeren? Ze is het lichaam van de Christus' Koninkrijk. Een sierlijke stad op een berg, een licht voor de wereld, een schrik voor de koningen der aarde (niet vanwege haar macht, maar door haar hemels karakter). Ze boezemt (of zou dat moeten doen) ontzag in bij de goddelozen; evenwel is ze het vermaak voor Gods kinderen. Ze is een sieraad voor de gehele aarde, een sierlijke hoed in de hand van God en een eer van Christus. De Kerk is het voorwerp van Gods goedheid en weldadigheid:
"Al mijn fonteinen zullen binnen u zijn" (Ps. 87:7).

Daar is een veilige schuilplaats onder Gods toezicht en bewaring:
"Ik, de HEERE, behoed die wijngaard; alle ogenblikken zal ik hem bevochtigen, opdat de vijand hem niet bezoekt, zal Ik hem nacht en dag bewaren" (Jes. 27:3).

Wat is het heerlijk om temidden van deze mensen te mogen zitten en samen met hen voor Gods aangezicht te verschijnen. Om samen Jezus' Naam te belijden, God te verheerlijken en een zegen te ontvangen samen met hen. Wie zou daar niet graag bij zijn? Wie zou niet graag samen met hen zoet en zuur, voor- en tegenspoed, te delen. Dat was Mozes' werk:
"Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons." (Hebr. 11:24-26).

Bij bij de versiering hoort ook een hart dat vol liefde is naar alle kinderen Gods, bekend en onbekend. Ja, een hart vol liefde die zich uitstrekt naar alle mensen:
"Voegt bij de godzaligheid broederlijke liefde en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen" (2 Petr. 1:7).

Bij het Heilig Avondmaal oefenen we namelijk ook gemeenschap met alle gelovigen; dat kan niet zonder actieve liefde in je hart! Kijk er je hart op na of er misschien ergens diep weggestopt nog haat zit, of nijd, of wraakgierigheid. En als dat zo is, moet dat uit de weg geruimd worden vóór het Avondmaal. Denk er over na of er misschien ongenoegen of ruzie is geweest met je naaste; of je je naaste met woorden, daden of een lelijk gezicht hebt beledigd. 
Of misschien vind jouw naaste wel dat jij je hebt misdragen jegens hém of háár. Of – en dat gaat nog verder – dat jij je hebt misdragen toen jij je wilde verdedigen tegen je naaste (hetzij terecht, hetzij onterecht). 
Wees daarin eerlijk naar jezelf; loop er niet zomaar overheen en wees niet verblind door liefde tot jezelf; wees je eigen rechter niet en sta niet op je strepen! Ga je naaste tegemoet, zoveel als de waarheid (!) dat toelaat; eis geen vernedering van die ander en zegevier niet over hem of haar. Durf de minste te zijn, ook al heeft die ander de meeste schuld, of is die ander een stuk jonger dan jij, of minder in ontwikkeling (qua IQ of sociale status). Ook al boogt die ander op zichzelf en zijn gelijk, ga naar die ander toe, spreek met hem of haar in liefde; overtuig hem met teerhartigheid en vreedzaamheid.

Als je hem of haar beledigd hebt, ga naar die ander toe en belijdt ronduit je schuld; vraag vergeving en schaam je er niet voor (omdat je je ook niet hebt geschaamd die ander te kwetsen).
Doe het en draai er niet om heen en zeg zeker niet: "Ik vergeef het hem wel in mijn hart" of "Ik beken mijn zonden wel aan de HEERE", "Mijn hart is er gerust over" of al dat soort uitvluchten. Want er rust geen zegen op, als je er van jouw kant niet alles aan hebt gedaan bij je naaste, wat tot zijn of haar vrede dient. Maar als je naaste zich niet wil verzoenen met jou, dan heb je gedaan wat je kon:
"Zo gij dan uw gave op het altaar zult offeren en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft, laat daar uw gave voor het altaar en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan en offer uw gave" (Matth. 5:23-24).
"Zijt tegen elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft" (Ef. 4:32).

Een waarschuwing

Zo heb ik je dus proberen aan te sporen tot een goede voorbereiding op het Avondmaal. Nog één ding wil ik er over kwijt, een waarschuwing en een goede raad. De waarschuwing is deze: bepaal niet van te voren hoe lang je precies met de voorbereiding bezig wilt zijn. Ook niet op welke manier deze precies moet plaats vinden. Dit noem ik, zodat je niet in verwarring raakt (of in ontroering) als het eens wat anders loopt dan gedacht. Want de Heilige Geest is vrij in Zijn manier waarop Hij werkt. Maar waak er aan de andere kant wel voor dat je door luiheid je voorbereidingstijd laat versloffen! Probeer ook niet te krampachtig een bepaalde gestalte aan te nemen (een bepaalde gemoedservaring af te dwingen): dat je dít wilt ervaren en je dát wilt voelen. Dat is te zeer inbeelding van eigen kracht en kunnen. Het voorbereidingswerk in alle rust doen – in volledige afhankelijkheid aan de HEERE – is de beste voorbereiding; en vooral niet vooruit lopen op de Heilige Geest, maar Zijn leiding volgen. Zo voorkom je dat je op jouw voorbereiding gaat steunen (als een soort goedkeuring om aan te mogen gaan).


Een goede raad

Ik wil je ook graag nog een goede raad geven. Het is namelijk heel nuttig om vóór de Avondmaalszondag een vasten- en bededag in te lassen in je voorbereidingsweek. Dat kan door helemaal niet (of een stuk minder) te gaan werken, of die dag niet (of slechts het allernoodzakelijkste) te eten. Kijk naar je eigen omstandigheden, wat mogelijk en haalbaar is: ben je in loondienst, of juist eigen baas; ben je rijk of juist arm; woon je in een niet-christelijk gezin of juist in een zeer gelovig gezin. Want de HEERE laat er ons vrij in, hoe we dit precies invullen. Maar in ieder geval is het goed een dag af te zonderen om extra werk van de voorbereiding te maken. Als je jezelf afzondert die dag, geeft dat al een bepaalde indruk in je hart; als je daarbij die dag gebruikt om over deze zaken speciaal na te denken, verootmoedigt dat extra; het maakt je klein en kwetsbaar. Al zou je die gehele dag toch wat dor, onbewogen en misschien zelfs wat lusteloos blijven (en waaieren je gedachten misschien wel alle kanten op), dan nog wil het weleens gebeuren dat ’s avonds je hart in beroering komt, zodat je uiteindelijk toch blij bent dat je jezelf die dag hebt afgezonderd. En als er niets speciaals gebeurt (doe er niet te krampachtig over, om speciale gemoedstoestanden te willen ervaren), dan is het afzonderen op zich al een goede zaak. En het leert je in ieder geval op zijn minst hoe moeilijk ons hart zich laat leiden, ook waar het verootmoediging over de zonde betreft.
Tot zo ver de voorbereiding.

woensdag 10 december 2014

Heilig Avondmaal – 6. donderdag

De versiering


Het derde dat nodig is voor een goede de voorbereiding op het Heilig Avondmaal is 'de versiering'. Wat bedoelen we daarmee? Wel, als iemand naar een bruiloft gaat, versiert hij zich toch (qua kleding en accessoires) met het allermooiste dat hij heeft? Een bruid versiert zich tot vooral met dít doel: aangenaam zijn voor haar bruidegom en om hem er mee te vereren? Nog veel meer geldt dat voor de gelovigen? Opdat "de Koning lust zal hebben aan haar schoonheid" (Ps. 45:12). De gast die wel mee aanzat aan tafel, maar zónder een bruiloftskleed aan te hebben, werd al snel herkend door de Koning en buiten geworpen (Matth. 22:12-13). Dat voorbeeld is een waarschuwing voor ons en een opwekking (aansporing) om ook een bruiloftskleed aan te trekken.

Hoe ziet zo'n bruiloftskleed er dan uit?
  1. (A Brakel noemt iets schijnbaar vreemds:) een 'verwakkering van het historisch geloof' (het is namelijk belangrijk dat we weten wat er in de Bijbel staat en dat dat ook écht waar is voor ons; hij licht dat verder toe): door een stille meditatie en overdenking van het gehele werk van de verlossing. Niet rationeel en kil afstandelijk, maar met goedkeuring (je zegt er amen op) en met blijdschap over de goedheid, de wijsheid, de rechtvaardigheid, de macht en de waarheid van God, die zichtbaar worden in dit verlossingswerk. Laat je gedachten maar eens gaan over Gods eeuwige verkiezing. Het is Zijn eeuwig welbehagen geweest om de zaligheid te geven door Zijn rechtvaardigheid én Zijn barmhartigheid te openbaren. Met dat doel nam God Zich voor om enkele mensen en engelen vanwege hun zonden te straffen, terwijl Hij anderen de eeuwige gelukzaligheid schonk; en dat uit louter genade en uit vrij welbehagen. Als je zó Gods welbehagen over jezelf mag zien, is dat stof tot verwondering, blijdschap, dankzegging en verheerlijking van God.
  2. Denk ook eens na over het verbond der verlossing, dat God de Vader en God de Zoon in de eeuwigheid overeen kwamen (de Raad des Vredes). De 'afspraak' dat God de Zoon Borg wilde zijn voor de uitverkorenen, terwijl die moedwillig van deze zelfde God zouden gaan afvallen (Genesis 3) en zich zouden brengen onder de tijdelijke en de eeuwige vloek! Denk na over het wonder, dat God de menselijke natuur zou aannemen, opdat Christus door Zijn lijden en sterven aan Gods rechtvaardigheid kon voldoen en dat Hij zó alles kon volbrengen, wat nodig was voor onze zaligheid!
  3. Kijk eens aandachtig naar de schepping van de mensen en hun verbreking van het 'verbond der werken'. En luister naar de belofte van de Middelaar, Jezus Christus (al direct na de zondeval in de moederbelofte beloofd!), die  zichtbaar werd in de schaduwendienst van de offers in het Oude Testament. Zo leerde Gods volk hoe de beloofde Zaligmaker hen zou gaan verlossen en zalig maken. En let dan vooral eens op het verlangen van de gelovigen van het Oude Testament, waarmee ze uitzagen naar de vervulling van die belofte!
  4. Zie hoe de Messias na verloop van 4000 jaar in de wereld kwam. Hoe Hij de menselijke natuur uit de maagd Maria aannam. Hij werd de mensen gelijk (uitgezonderd hun zonden!) en zo was Hij in staat om de borgtocht te betalen die was vereist. Let op hoe de Heere Jezus al vanaf Zijn geboorte de vloek droeg, die op de uitverkorenen lag; hoe Hij die op Zich nam, met zó'n gewilligheid en liefde! Daarom had Hij ook direct na Zijn geboorte al alles tegen in deze wereld:
    – Hij werd in armoede geboren;
    – Hij werd als een verschoppeling achter in een schuur in een kribbe gelegd;
    – Hij moest vluchten voor de vervolging van Herodes;
    – Hij at Zijn brood in het zweet Zijns aangezichts;
    – Hij werd hevig door de duivel verzocht, toen Hij begon aan Zijn werk in het openbaar.
    Hij ging het hele land door en preekte met grote kracht om de mensen tot bekering en zaligheid te brengen. Hij genas allerlei ellendigen, vanuit een diep en groot medelijden: blinden, doven, stommen, kreupelen; Hij wierp duivelen uit en wekte doden op, tot vertroosting van de bedroefden. Maar wat was Zijn loon? Hij kreeg terstond de haat van de Farizeeën en Schriftgeleerden over Zich; ze verachtten Hem met allerlei laster; ten diepste waren ze er telkens op uit om Hem te doden.
  5. Aan het einde van Zijn taak werd Christus zó zeer overgoten met de toorn van God – vanwege de door Hem overgenomen schuld van de uitverkorenen – dat Hij bedroefd werd tot de dood toe! Hij bad met sterk geroep en tranen. Het bloedige zweet drupte van Zijn aangezicht op de aarde. En hoewel Hij samen met Zijn discipelen was, ondersteunde niemand van hen Hem. Hij werd zelfs door Zijn eigen discipel Judas verraden. Door Zijn vijanden werd Hij gevangen en als een moordenaar weggesleept. Toen Hij voor de kerkelijke rechtbank werd gedaagd, werd Hij vals beschuldigd en als een godslasteraar ter dood veroordeeld, bespot, in het gezicht gespogen en met vuisten geslagen. Men leverde Hem over aan de heidense rechter Pilatus, bracht Hem naar Herodes en leidde Hem met een spotkleed aan door de straten van Jeruzalem. Het volk – opgehitst door de overpriesters – eiste de kruisdood voor Hem. Hij werd erbarmelijk gegeseld, uit spot gekroond met een doornenkroon en met stokken op Zijn hoofd geslagen. Jeruzalem spuwde Hem uit richting Golgotha, waarheen Hij Zijn kruis droeg; het kruis waaraan Hij werd gespijkerd met spijkers die door Zijn handen en voeten in het hout werden geslagen. Met kruis en al werd Hij opgericht en daar hing de lieve Jezus tussen hemel en aarde, bebloed van het hoofd tot de voeten, in de grootste smarten en smaadheid die op aarde denkbaar zijn. Bedenk daarbij nog het satanisch plezier van Zijn vijanden, die Hem hoofdschuddend en vinger opstekend allerlei bijtende scheldwoorden toeriepen.
    En daar bovenop onthield de Vader Hem elke vorm van licht en goedgunstigheid; ja Hij overgoot Hem met Zijn toorn en wraak. In grote geestelijke benauwdheid riep Hij uit: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?" Hij had enorme dorst, maar men gaf Hem slechts edik met gal gemengd te drinken. De zon werd verduisterd zodat een dikke duisternis Zijn lijden nog meer verzwaarde. En tenslotte gaf Hij de geest.
    Zóveel hield het nu in om Borg te zijn voor een zondaar! Zó betaalde Hij voor u en jou, ware gelovige, die dit leest of hoort!
  6. De Heere Jezus werd begraven, maar stond op de derde dag weer op uit het graf. Na veertig dagen voer Hij op naar de hemel en daar ontving Hij de allergrootste eer en heerlijkheid aan de rechterhand (de ere plaats) van Zijn Vader. En straks zal Hij terugkomen op de wolken van de hemel, als Rechter, om de mensen te oordelen.
Het stil en aandachtig overdenken van deze dingen is een goed en mooi werk om te doen, in de aanloop naar het Heilig Avondmaal. Immers, dat is de plek bij uitstek, waar we Hem gedenken en Zijn dood verkondigen. Als je dit eens goed overdenkt, zul je een helderdere indruk krijgen van Gods rechtvaardigheid, van de noodzaak van de voldoening door verzoening, van de liefde van Christus, van de zwaarte van Zijn lijden en van de kracht die Hij teweeg bracht met deze voldoening.

Probeer nog eens verder door te denken. Overdenk eens hoe God de uitverkorenen in de gemeenschap met deze Zaligmaker brengt. God laat overal in de wereld het Evangelie verkondigen. Hij stuurt Zijn dienaars erop uit om te prediken. Hij roept de Zijnen door Zijn Woord – niet alleen uitwendig, zoals Hij bij velen doet, maar ook inwendig – en verlicht ze, overtuigt ze en geeft ze begeerte tot Zijn Zoon, de Heere Jezus. Hij trekt ze tot Hem en geeft hen geloof waardoor ze Christus aannemen en zich aan Hem toevertrouwen met heel hun hart. Dat toevertrouwen richt zich op hun rechtvaardigmaking, hun heiligmaking en hun zaligheid. God wederbaart hen tot nieuwe schepselen en leidt ze door Zijn raad en tenslotte neemt Hij ze op in Zijn verworven heerlijkheid.
Denk dan ook even rustig na over die manieren waarop de Heere je tot hiertoe heeft gebracht in geestelijk opzicht.
Zo zie je in elk van die voornoemde punten wonderen oplichten; door al die dingen waar te nemen word je versterkt. Je zegt met blijdschap amen op wat de HEERE doet en hóe Hij dat doet. Zo brengt Hij je – terwijl je al stilletjes hierover nadenkt – oog in oog met Zijn heerlijkheid.

Tot de opsiering hoort ook het je realiseren dat je een voorwerp van vrije genade bent. Dit doe je door jezelf goed te bekijken. Wat zie je in je zelf? Nietigheid en zonde. Daar wordt je klein van. Maar zo word je wel bekwaam voor genade!
"De nederigen geeft Hij genade" (1 Petr. 5:5);
"Ik woon bij dien, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik leven make de geest der nederigen, opdat ik levend make de geest der verbrijzelden" (Jes. 57:5);
"Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering" (Matth. 9:13).

Bedenk dan: Wat ben ik, arme worm, dat de Heere aan mij zou gedenken? Ik ben een mens, gemaakt uit stof (de broosheid van mijn lichaam) en ik woon in een lemen hut (de kwetsbaarheid van mijn leven). Ik ben vergankelijk, van mijzelf een 'droge stoppel', nietig… niets. Zal God met zo iemand een verbond sluiten? Zal zo iemand een kind des Heeren zijn? En tenslotte ook in de eeuwige gemeenschap opgenomen worden met deze heerlijke en algenoegzame (volmaakt in Zichzelf) God?
En daarbij, ik ben enkel zonde en mis van nature het beeld van God. Ik draag van nature juist het beeld van satan. Wees eerlijk, wat zijn er al een gruwelijke dingen (in woorden, daden, maar ook gedachten) opgekomen uit mijn hart! En was dat de situatie van vóór mijn bekering, dan snap ik dat nog wel; maar dit gebeurt ook nú nog, ná mijn bekering! Wat zijn er een hoop zonden in woorden, daden en gedachten, hier en daar, met die en die of juist zonder anderen, in mijn eenzaamheid. Hoe lusteloos, geesteloos en onvolmaakt ben ik zelfs in godsdienstige zaken. Tijdens het luisteren naar of het lezen in Gods Woord, tijdens het bidden of het zingen. Hoe ontrouw ben ik vaak aan de genade die de HEERE mij keer op keer bewijst. Hoe vaak bedroef ik de Heilige Geest. Eerlijk waar, ik ben het niet waard dat God naar mij zou omzien of mij ook maar een beetje genade zou schenken.
Sta er maar even bij stil, opdat het je van binnen raakt en deze dingen je op de knieën brengen. De overdenking van je zonden en zondigheid moet je niet tot ongeloof brengen. Dat niet! Het moet niet zover komen dat je gaat denken dat Gods werk in jou allemaal nog niets is. Ook moet het niet zo zijn dat je door de wet en de eeuwige verdoemenis totaal verschrikt en verpletterd wordt, als zou dát de enig juiste vernedering zijn. Nee, want dat vindt doorgaans plaats bij de eerste bekering; dat kan na ontvangen genade niet opnieuw zo heftig gebeuren in degenen in wiens hart het ware geloof is. Maar de vernedering waar ik hier op doel ziet er zo uit:
  • Klein van hart:
    "Ik ben geringer dan alle deze weldadigheden" (Gen. 32:10);
    "Wie ben ik… en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?" (2 Sam. 7:18);
    "Ik ben niet meer waardig Uw zoon genaamd te worden" (Luk. 15:21).
  • De evangelische (bijbelse) schaamte die hand in hand gaat met het geloof:
    "Ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God! Want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel." (Ezr. 9:6).
  • Het verdriet over de zonde:
    "Ik ken mijn overtredingen en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen" (Ps. 51:5-6).
  • Verootmoediging en schaamte:
    "Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb, maar nu, o Heere! Neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan" (2 Sam. 24:10).
  • Vrees voor de straf:
    "O Heere! Straf mij niet in Uw toorn en kastijd mij niet in Uw grimmigheid" (Ps. 6:2).
  • Belijdenis van zonde en erkenning van het hatelijke en verdoemelijk karakter van die zonde:
    "Mijn zonde maakte ik U bekend en mijn ongerechtigheid bedekt ik niet. Ik zeide: ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE" (Ps. 32:5).
  • Hartelijk gebed om vergeving en om vrede in je geweten:
    "Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtredingen uit naar de grootheid Uwer barmhartigheden. Was mij wel van mijn ongerechtigheden en reinig mij van mijn zonden. Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg al mijn ongerechtigheden uit" (Ps. 51:3-4, 11).
  • Opbeuring van het hart door het geloof in de beloften die zijn gedaan aan belijders van hun zonden:
    "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid" (1 Joh. 1:9).
Dit zijn allemaal voorbeelden van hoe 'vernedering' eruit ziet. Aan zo'n vernederd hart bewijst de HEERE Zijn vrije genade. Dat zijn versieringen waaraan de Heere Jezus lust heeft (vreugde beleeft). Bid er om. En als de HEERE je dit geeft, wees er zuinig op en diep dankbaar voor!

dinsdag 9 december 2014

Heilig Avondmaal – 5. woensdag

Zelfbeproeving is noodzaak en opdracht

Het tweede dat nodig is voor de voorbereiding op het Avondmaal is de zelfbeproeving. Ben je in staat om te mógen en te kúnnen aangaan en geestelijk te eten en te drinken? Ik wil hier vier dingen over zeggen:
1. De zelfbeproeving is nodig
2. De onbekeerden mogen niet aangaan
3. De bekeerden mogen niet afblijven
4. Hoe zwakke gelovigen zich moeten gedragen.

1. De zelfbeproeving is nodig


De zelfbeproeving – vóórdat je aan het Avondmaal gaat – is heel erg nodig! Het is immers een uitdrukkelijk bevel: "De mens beproeve zichzelf en ete alzo van het brood en drinke van de drinkbeker" (1 Kor. 11:28). En het Avondmaal is ook niet voor iedereen: een vreemdeling, een onbesnedene, een verontreinigde, mocht van het Pascha niet eten, volgens Gods bevel in Exodus 12. Tegen de goddeloze zegt God: "Wat heb u Mijn inzettingen te vertellen? Waarom neemt u Mijn verbond in uw mond?" (Ps. 50:16). Christus nodigt enkel Zijn vrienden uit (Hoogl. 5:1): hongerigen en dorstigen (Jes. 55:1). Tevens is het ook een verschrikkelijke zonde om onwaardig te eten en te drinken. Zo iemand "zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren" (1 Kor. 11:27). "Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren" (1 Kor. 11:29).


Verkeerde inbeelding

Velen hebben een verkeerd beeld van zichzelf. Ze meten zichzelf met zichzelf en ze menen dat ze wel bekwaam zijn. Immers, ze hebben geen ruzie met hun naaste, ze zijn gedoopt, ze gaan altijd tweemaal per zondag naar de kerk en ze leven zó, dat niemand wat op hen kan aanmerken. Ze geloven ook dat Christus de Zaligmaker is. Niemand moet er aan twijfelen dat zij wel zalig worden, want Christus is toch hun Zaligmaker? Daarom zit het wel goed met hen. En daarnaast: Christus nodigt én beveelt het toch? Ze willen de Heere daarom keurig gehoorzamen.
Anderen bedenken nog iets anders: ze laten hun (boezem)zonden voor een tijdje en gaan vrome boeken lezen; ze bidden een paar keer meer dan anders. En zo strijken ze zichzelf in een vrome plooi en gaan gerust naar de tafel, maar… die eten en drinken zichzelf een oordeel.


Niet kunnen en niet willen

Er zijn er die zichzelf niet kunnen beproeven. Ze weten niet wat er werkelijk nodig is om aan te gaan en ze kennen ook zichzelf niet werkelijk, zodat ze niet in staat zijn om zich echt te kunnen beproeven. Zo halen ze zich Gods toorn op de hals.
Maar er zijn er ook die zichzelf niet willen beproeven. Want ze durven het niet eerlijk onder ogen te zien, als de zelfbeproeving uitwijst dat ze onwaardig zijn. Dat maakt je maar benauwd en brengt twijfel over je zaligheid met zich mee. En stel dan dat ze niet meer aan durven gaan! Wat zullen de mensen dan wel zeggen? Daarom dekken ze alles maar liever toe en leven gerust door in hun zonden. En zo verzwaren ze hun geestelijke situatie nog extra, door onwaardig te eten te drinken. Zie je nu dat het nodig is, dat iedereen zich van te voren onderzoekt, of het goed met hem of haar is?

Als je je tot zelfbeproeving zet en daarbij Gods Woord als toetssteen neemt, dan begint er ernst en zorg te komen. Als blijkt dat je nog onbekeerd bent of dat er twijfel bestaat over je bekering, dan ga je toch zoeken, bidden en wenen? Dan loop je toch tot Jezus? En als je ontdekt dat Gods genade in je leeft en werkt, dan komt er toch blijdschap in je hart en vrijmoedigheid om door het geloof toe te treden tot de tafel? Dus, uit al deze hiervoor genoemde dingen blijkt overduidelijk hoe nodig én ook hoe nuttig het is om jezelf te beproeven.

2. De onbekeerden mogen niet aangaan

Een onbekeerde mag niet aan de Avondmaalstafel komen. Een vreemdeling, een onbesnedene en een verontreinigde mochten niet eten van het Pascha, zo zagen we al. Dat geldt ook voor het brood en de wijn bij het Avondmaal. Voor onbekeerde mensen is er hier geen belofte en dus ook geen verzegeling van de beloften. Onbekeerden zijn dood in zonden en misdaden; welnu, doden kúnnen niet eten. Het geloof is als het ware een hand en een mond voor je ziel. Zonder geloof kun je niet eten van het brood dat alleen voor de gelovigen is bedoeld. Als onbekeerden tóch gaan, moeten ze beseffen dat ze Christus bespotten. Daarmee maken ze zich schuldig aan het lichaam van Christus; ze kruisigen Hem als het ware opnieuw, met de Joden. Vraag jij je af wat die onbekeerden voor mensen zijn? Ik antwoord:
  • Onwetenden. Zij hebben zelfs geen letterkennis (theoretische kennis) van Wie Christus precies is. Ze kennen niet de werkelijke betekenis van Zijn Persoon, Zijn naturen, Zijn plaatsvervangend werk, Zijn vernedering en verhoging, de noodzaak van verzoening door voldoening en de kracht van Christus' dood. Ze hebben nog geen enkele kennis van het karakter van het geloof, van de wedergeboorte, van het hele geestelijk leven, van Gods rechtvaardigheid en van de verdoemelijkheid van zondaren. Ze begrijpen de inhoud van het Heilige Avondmaal niet en kunnen het teken en zegel niet verbinden met de betekende en verzegelde zaak zelf; ze herkennen en zien het zelfs niet als zegel.
  • Onvernederden. Deze mensen zijn niet vernederd over hun zonden. Ze leven gerust verder zonder de verzoening in Christus te zoeken. Ze hebben geen verlangen naar het gevoel van de vergeving der zonden, naar de troost en de verzekering van de zaligheid. Ze verlangen niet naar heiligmaking en naar een leven in de tegenwoordigheid van de HEERE. Nee, ze leven eigenlijk heel gerust en zorgeloos door, zonder deze dingen te kennen en er deel aan te hebben.
  • Passieven. Onbekeerden zijn ook die mensen die geen oefening van het geloof kennen. Ze zijn passief, totaal niet actief bezig met Christus als Borg te kiezen; ze verlangen niet naar Hem en  kijken niet uit naar Hem. Ze zoeken Hem niet op in het gebed, met bidden en smeken. Ze nemen Hem niet aan tot rechtvaardigmaking en heiligmaking, door zich aan Hem over te geven. Ze zetten al hun zinnen niet op Hem begeren niet in verbondenheid aan Hem te leven.
  • Aardsgezinden. Ook mensen die helemaal voor het hier en het nu op aarde leven behoren tot de onbekeerden. Hun lust en verlangen, hun zoeken, zorgen, liefhebben, genieten en vrees geldt alleen de aardse dingen. Ze moeten het hebben van de begeerlijkheden van zowel de ogen als het vlees en van de grootsheid van dit leven. Hetzij dat ze een uiterlijk keurig sociaal en godsdienstig leven lijden, hetzij dat ze in grote zonden leven (zowel openlijk als in het verborgen).
Al dit soort mensen vallen onder de term 'ongelovigen'. En dat behoren ze ook te weten. Die worden dan ook ernstig gewaarschuwd, om niet tot de heilige tafel te komen. Hen wordt verkondigd dat ze geen deel aan Christus hebben en aan Zijn goederen. Het Avondmaal is niet voor hen toebereid; en als ze tóch komen, verkondigen we hen de toorn van God.

3. De bekeerden mogen niet afblijven

Maar het tegenovergestelde is ook waar: bekeerden mogen niet afblijven (mits ze gezond zijn en psychisch en fysiek in staat zijn om de middelen te kunnen gebruiken). Want afblijven is tegen de vriendelijke uitnodiging van Christus! Het is ook tegen hun eigen vertroosting. Het is slecht voor de groei in het geloof. Het strijdt ook met de belijdenis van Christus. En is in conflict met de gemeenschap der heiligen, ja tegen al het goede dat we hiervoor allemaal al hebben laten zien.
Echter, als gelovigen zich het Avondmaal onwaardig hebben gemaakt – doordat ze ergernis geven aan anderen, doordat ze in twist en haat jegens anderen leven of doordat zó vast aan zonden blijven zitten dat ze zichzelf niet meer tot de orde roepen en uit de zonde opstaan door er tegen te strijden – dan bezondigen ze zich dubbel en moeten ze zich vernederen voor de HEERE. Maar als je dat overkomt, blijf dan wel bij de bediening van het Avondmaal in de kerk aanwezig! Kijk dan maar van verre toe hoe de gelovigen aangaan; treur daarover en zeg eerlijk tegen jezelf: daar mag ik nu niet bij zijn; voor mij is het nu niet.

4. Hoe zwakke gelovigen zich moeten gedragen

Als iemand tijdens zijn zelfbeproeving er niet uitkomt wat zijn staat (zijn geestelijke situatie) is – en niet duidelijk weet of hij wel bekeerd is of niet – wat moet zo iemand doen? Kan zo iemand dan niet beter afblijven? Mijn antwoord is: je mag het nooit tot een voorrecht rekenen, af te mogen blijven! Het moet je juist smart geven dat je niet aan kúnt gaan! Het is namelijk heel verkeerd om redenen tot afblijven te zoeken waarmee je je gemoed kunt sussen.
Het is namelijk niet persé nodig – voordat je aangaat – een volkomen, vaste en actieve zekerheid te bezitten, zonder bekommering (aanvechting en worsteling) of je wel voldoende in de staat der genade bent en telkens weer kunt terugvallen op die verzekering (als had je de zekerheid altijd op zak). Het is genoeg als je overtuigd bent dat er geloof werkzaam is in je hart (al is het nog zo klein); zelfs al durf je nog niet eens hardop te zeggen: ik geloof en ik ben bekeerd.
Elke ware gelovige zal hoe dan ook dít in zich herkennen en vinden:

  • Je hart gaat naar de Heere Jezus uit – al is het de ene keer gevoeliger dan de andere keer. Waarom gaat het naar Hem uit: omdat je zo verlangt om door Zijn bloed gerechtvaardigd te worden; om met Zijn heiligheid bekleed te worden, dankzij het feit dat Hij de wet zo volmaakt heeft volbracht. En je begeert door Zijn Geest veranderd en geheiligd te worden. Je ziet uit naar Jezus, je verlangt, roept, loopt en wacht. Je geeft je aan Hem over. Je vecht tegen het ongeloof in je hart, om Jezus er voor in je hart te brengen, om verzekerd te worden van het geloof in Hem en om deel te hebben aan Zijn goederen.
  • Je bent niet tevreden met het feit dat je gelooft dat je genade hebt gekregen. Je wilt met heel je hart die genade ook bewust bezitten, genieten en de goederen van het verbond (dat wat God belooft) daadwerkelijk te proeven (ervaren). Je hunkert naar de dagelijkse omgang met de HEERE en je verlangt naar een leven waarin Gods nabijheid te merken is. Je verlangt naar vrede in je geweten (dat je verlost bent van al je zonden) en naar de liefde en de vreze van de HEERE. Als je het mist, maakt dat je verdrietig, omdat je niet zonder kunt; als je het verloren hebt, kun je geen rust vinden voordat je het weer gevonden hebt. Want dat is je lust en je leven, ja, je zaligheid!
  • Je zult een haat en afkeer van de zonde ontdekken in je hart. Tegelijk ervaar je ook smart als je zondigt. Maar niettemin sta je toch telkens weer op en loop je naar (vraag je om) het bloed van Jezus tot verzoening. Ook bemerk je lust en liefde om voor de HEERE welbehagelijk te leven. Je ontdekt dat er strijd is tussen het vlees en de geest. Je zult merken dat de aardse begeerlijkheden je telkens weer naar de aarde toe en van God af proberen te trekken (dat is de oude mens); maar dat het herboren deel (de nieuwe mens) juist telkens weer van de zonde aftrekt en naar God toe! Soms heeft het vlees de overhand (tot je smart), maar soms ook de geest (tot je grote vreugde)!
Als je deze dingen en activiteiten in je hart ontdekt, dan ben je in staat om tot de Avondmaalstafel te gaan; al mis je misschien de duidelijke zekerheid nog; daar hapert het bij veel gelovigen aan, hoor! Soms door onkunde van het Woord (dat je de Bijbel niet goed leest of verkeerd interpreteert); of door zwakheid van het historisch geloof (dat je in twijfel wordt gebracht over de feiten in de Bijbel); of door vrees dat je je misschien wel bedriegt of dat je ondanks de genade nog zoveel zonde bij jezelf ziet. Maar niettemin mag je daarom niet wegblijven; je bent zelfs verplicht om onder de feesthoudende menigte aan te gaan en… om juist door het gebruik van deze tekenen verzegeld te worden van de beloften die gedaan zijn aan mensen zoals jij!

maandag 8 december 2014

Heilig Avondmaal – 4. dinsdag

Jezus nodigt vriendelijk

Sta eens een poosje stil bij de heerlijke en vriendelijke uitnodiging die Jezus Zelf liet uitgaan. Hij heeft jou niet nodig en Hij zou je ook zeker voorbij kunnen gaan en anderen uitnodigen. Maar nu zegt Hij het tegen jou persoonlijk: "Komt, want alle dingen zijn gereed!" En deze uitnodiging van Hem gaat gepaard met zoveel zoete (heerlijke) beweegredenen. Ja, Hij laat je zelfs in Zijn Naam bidden of je wilt komen! Sterker nog: Hij staat Zelf aan de deur en Hij klopt, wachtend, tot je Hem opendoet en Hij met je avondmaal houdt, en jij met Hem (Opb. 3:20). Dit beaamt de bruid uit het Hooglied ook: "Ik sliep, maar mijn hart waakte. De stem van mijn Liefste, Die klopte was: Doe Mij open Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte, want Mijn hoofd is vervuld met dauw, mijn haarlokken met nachtdruppen." (Hoogl. 5:2)
Als Hij je dan zo vriendelijk roept en nodigt tot Zijn gemeenschap, zul jij dan weglopen of blijven staan? Nee, laat je hart ontbranden in liefde tot die kring daar aan de tafel en laat je ziel vleugels aannemen om er heen te vliegen!


Jezus wordt er beleden

Het Heilig Avondmaal is ook een openbare belijdenis van Jezus' Naam. De feesthoudende gemeente komt dan in het openbaar uit ten overstaan van de gehele wereld en ze roept uit dat Jezus Christus de enige en volkomen Zaligmaker is; Hij is hun Hoofd en hun Heere. Ze gedenken Zijn lijden en dood als het enige offer voor de zonde. Ze verkondigen de dood van de Heere Jezus, als het enige fundament van vrede, troost en leven.
Het is de weg (of werkwijze) van God, om mensen te bekeren door de belijdenis van de Heere Jezus en zo Zijn kerk te vergaderen. Het is de eer, die de Vader aan Zijn Zoon heeft gegeven op Zijn lijden; en een ware gelovige heeft daarom liefde tot de Heere Jezus. Waar deze liefde is, is er ook begeerte om van deze Beminde te getuigen: "Zulk een is mijn Liefste, ja zulk een is mijn Vriend" (Hoogl. 5:16).
De Heere Jezus let er scherp op, wie zich voor Hem schaamt en wie er daarentegen lust heeft om Hem te belijden en zo met de gehele kerk tot eer en lof van Hem te zijn, Die beloofd heeft dat Hij ze wederom zal belijden voor Zijn Vader én voor de engelen, ja voor de gehele wereld.
Omdat in het houden van het Heilig Avondmaal ook de belijdenis van de Heere Jezus zit opgesloten, wie komt er dan niet in beweging om met deze belijdenisafleggende gemeenteleden samen uit te roepen dat Jezus Koning is?! Te meer, daar men dat in tijden van vervolging niet zou willen nalaten, al zou het je je leven kosten, nietwaar?


Je oefent er gemeenschap met Christus

Door het Heilige Avondmaal beoefen je ook de gemeenschap en verbondenheid met Christus. Daar gaat toch je verlangen naar uit? Dat is toch je lust en je leven? Als je dit moet missen, wordt je hart toch bedroefd? Daar wil de Heere je verzekeren dat je deel aan Hem hebt; Hij overtuigt je van Zijn liefde tot jou. Daar werkt de Heilige Geest meestal intenser en effectiever ('gevoeliger' noemt à Brakel dat). Hij laat je aan de ene kant zien de beloften voor degenen die daar erfgenaam van zijn; aan de andere kant toont Hij je ook de genadegaven die in je gelegd zijn en laat je zo de conclusie trekken: aan dit soort mensen belooft de Heere deze zaken; ik zie deze genadezaken terug in mijn hart; dus zijn deze beloften ook voor mij; de Heere is immers waarachtig, daarom zal Hij ze ook aan mij vervullen.

Gelovigen zien in de tekenen van het Avondmaal dan ook een zegel of trouwpenning, die hen verzekert dat ze waarlijk Christus' eigendom zijn; en dat Christus waarlijk de hunne is. Hier werkt de Heilige Geest onmiddellijk en getuigt met hun geest dat ze kinderen van God zijn. Hij drukt hen én het Woord, én het zegel, én het besluit zo krachtig op hun hart dat ze weten dat de Heere Jezus hen liefheeft. Daardoor wordt hun liefde opnieuw in beweging gebracht en brandend gemaakt. Zo beoefen je een nauwe gemeenschap met Christus. Lees het maar in 1 Kor. 10:16: "De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?"
Hierdoor wordt je toch getrokken naar het Heilig Avondmaal, nietwaar?


Er worden genadegaven uitgedeeld

Het Heilig Avondmaal is niet alleen een verzegelende gemeenschap met Christus; je geniet er ook wel buitengewone en verrukkelijke genadegaven. Het kan zijn dat je als het ware net als de drie discipelen door de Heere Jezus wordt meegenomen op de heilige berg; dan mag je Christus in al Zijn heerlijkheid zien. Ook kan het zijn dat je wordt meegenomen naar het 'wijnhuis' (met het geestelijke wijnhuis wordt bedoeld de vrolijke en zielsverkwikkende volheid, die er in de gemeenschap van de Heere te vinden is) en Hij Zijn liefde als een banier over je uitspreidt. Hij en de Vader komen en maken woning in je. Hij laat je met vreugde water scheppen uit de fontein van het heil (Jes. 12:3); dat koren en die most (die overvloed) maakt zelfs de slapende jongelingen en jonge dochters sprekend (Zach. 9:17)! Hij kust, zo beschrijft de bruid uit het Hooglied het, met de kussen van Zijn mond. Hij verzadigt je daar met het goede van Zijn huis en met het heilige van Zijn paleis (Ps. 65:5) en Hij maakt dat je in Hem roemt met vrolijke lippen (Ps. 63:6). Wie dorst heeft, kome; en wie wil, neme van het water des levens om niet (Opb. 22:17).


Je beoefent er gemeenschap met de andere gelovigen

Bedenk daarbij wat een prachtig gezelschap hier bij elkaar is! Daar zitten Gods kinderen bij elkaar om voor het aangezicht van hun hemelse Vader en hun Beminde, de Heere Jezus, zich met elkaar te vermaken. Daar uiten ze hun liefde tot elkaar en scheiden ze zich af van de wereld. De liefde van de wereld moet het verliezen van de liefde die ze tot elkaar hebben. Die liefde strekt zich niet alleen uit tot degenen die ze goed kennen, maar tot alle gelovigen; ook hen die ze niet zo goed kennen!
Er is niet alleen de verbondenheid met degenen die daar aanzitten, maar zelfs met de engelen en met de zielen van de volmaakt rechtvaardigen in de hemel (de triomferende Kerk). Immers, degenen die aanzitten aan de tafel zijn gekomen tot "de berg Zion, de stad van de levende God; tot het hemels Jeruzalem en de vele duizenden der engelen; tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn; en tot God, de Rechter over allen; en de geesten der volmaakt rechtvaardigen; en tot de Middelaar van het Nieuwe Testament, Jezus; en tot het bloed der besprenging" (Hebr. 12 : 22-24).
Is de wereld hun vijand? Haat, veracht, vervolgt en verdrukt die hen? Geen nood! Zij kunnen de liefde van die wereld wel missen; ze hebben immers beter gezelschap? Ze verkwikken zich in alle rust in de liefde tot elkaar. Dit is die eenheid die wordt betuigt (gesymboliseerd) in het Heilig Avondmaal, door het eten van hetzelfde brood en het drinken uit dezelfde beker. "Eén brood is het, zo zijn wij velen één lichaam; dewijl wij allen aan één brood deel hebben" (1 Kor. 10:17). Gods kinderen houden hier eigenlijk de voorbruiloft van het Lam!



Je ontvangt er kracht tot heiligmaking

Tenslotte valt nog te noemen als opwekking om tot de tafel te komen, dat we door het Heilig Avondmaal sterker worden in heiligmaking, om de zonde te doden en welbehagelijk te leven voor de HEERE. Hier is geestelijk gezien versterkende spijs en drank. Hier wordt het geloof versterkt. Hier wordt de liefde verlevendigd, 'gaande gemaakt' en meer bevestigd. Hier vindt de vereniging met de Heere Jezus plaats. Hier leeft je ziel op. Er vindt voor het eerst of opnieuw een gewillige verbintenis plaats om de HEERE te dienen en een verplichting tot kinderlijke gehoorzaamheid. Hier kun je geestelijk spreken van 'verliefdheid op' of 'hunker naar' de voortdurende gemeenschap met God; een gemeenschap die nu nog zo vaak door de zonde wordt verhinderd, maar door de oefening van de godzaligheid juist wordt 'verwakkerd' (wakkergeschud of aangewakkerd). Daarom, zo omschrijft à Brakel, "wordt je ziel al stilletjes blinkend zoals Mozes' aangezicht" (het gaat de glans van Christus weerkaatsen). Je bent als de bruid van Christus, die – zoals dat in Hooglied staat – duivenogen heeft, om haar Beminde in het oog te houden en tegelijk van alle begeerlijkheden in dit aardse leven af te zien. Je krijgt lust om deze Beminde blij te maken; daarom wil je je ook zo graag voegen naar Zijn wil.
Om beweging in je vastgeroeste ziel te krijgen – hoe traag je ook bent en hoeveel moeilijkheden je ook ziet en tegenwerpingen je ook kunt maken – moet je 'gaande gemaakt worden' door het verlangen naar het Heilig Avondmaal. En zeg dan maar met Mozes: "Ik zal mij daarheen wenden en bezien dat grote gezicht" (Ex. 3:3).

zondag 7 december 2014

Heilig Avondmaal – 3. maandag

Opwekking en aansporingen

Laat daarom ook jouw verlangen wakker gemaakt worden en je in beweging brengen (á Brakel noemt dat "dat je begeerte gaande wordt gemaakt"). Mag ik je helpen om je verlangen brandend te maken? Ik wil je op een paar dingen wijzen.

Allereerst iets over het kerkgebouw. De plek waar het Heilig Avondmaal wordt gehouden is eigenlijk een stukje hemel op aarde: een voorportaal van de hemel. We kunnen Jacob met recht naspreke in Genesis 28:16b-17: "Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten! En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk (ontzagwekkend) is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!" Boven die plek doet de hemel zich open, de stralen van Gods heerlijkheid en genade dalen er op neer en vervullen die plaats met Zijn aanwezigheid.

De Vader komt tot hen met Zijn goedgunstigheid en laat zien en merken hoe vriendelijk Hij is voor Zijn gunstgenoten, door tegen hen te zeggen: "Ammi, Ruchama". Dat betekent: Mijn volk over wie Ik Mij ontferm. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Ik ben hier speciaal naar u gekomen om Mijn genoegen en Mijn liefde aan u bekend te maken en die te laten voelen!

De Heere Jezus, de Bruidegom, komt in Zijn liefde tot hen, daar aan Zijn tafel, om met hen avondmaal te houden, en daar samen mét hen van te genieten. Hij kijkt de kring rond en ziet ze in liefde en met vermaak één voor één aan!

Daar is de Heilige Geest aan het werk: Hij vervult hun ziel met licht, genade en allerlei vertroosting.

En daar zijn menigten van engelen, die zich er in vermaken (ervan genieten) dat de Heere God zo genadig naar Zijn kinderen is toegekomen. Zij letten op het gedrag van allen die daar aanzitten en letten nauwkeurig op wat hen allemaal bezighoudt. Hier zien zij iemand die bezwijkt van verlangen. Daar is er een die dronken is van de liefde tot de HEERE. Ginds is er iemand helemaal vol van Jezus. En daar is er weer een die zijn ziel neerbuigt in droefheid. Er is er ook een bij wie de dodelijke benauwdheid in zijn ogen te zien is, omdat zijn hart zich zo beklemd voelt, of zo hard is dat er niet eens een zucht uit lijkt te kunnen opstijgen. En kijk, daar biggelen stille tranen over iemands wangen, omdat de Trooster, die hun zou kunnen vertroosten, zo ver weg lijkt. Ginds is er een die juist heel sterk in het geloof staat en op Gods waarheden en beloften staat, als was het een rots. Hier houdt er een zich heel stevig vast aan de Heere (á Brakel zegt eigenlijk: die kleeft Hem achteraan). Daar leunt er iemand liefelijk op haar Liefste. En daar is er een bezwaard met zijn zonden en komt daarom met die zware last hier bij Jezus om verlost te worden. En zie, daar komt een klein kind in het geloof in alle eenvoud aangelopen. En die daar, even verderop, die ontvangen stromen van genade en vertroosting, zodat hun hart er overvol van wordt. Al dat verlangend uitzien, dat reikhalzen, het zuchten, alle tranen, de liefdesuitingen… alles is gericht op Jezus en eindigt in God. In dát Middelpunt komt uiteindelijk alles wat er gebeurt aan tafel samen. En dat zien de engelen allemaal met verwondering en vermaak gebeuren en ze verheerlijken God, vanwege Zijn genade en goedheid over deze mensen.

Hier is het huisgezin van God samen, hier zijn de geestelijke vrienden bij elkaar, om zich in de aanwezigheid van hun hemelse Vader en hun hemelse Bruidegom te vermaken. Komt je hart al in beweging – als je dit zo ziet en overdenkt – om daar ook bij te zijn? Wil je ook zo graag, samen met hen, je verlustigen in de HEERE? Ja, zelfs een verdorde en sombere ziel zal nog zeggen: "Ik wil er ook heen om een zegen te ontvangen!"

Wat je te zien krijgt en mag proeven

Daar aan tafel mee aanzitten is alsof je wordt gebracht in 'de binnenkamer van de Bruidegom' (zoals Salomo dat beschrijft in Hoogl. 1:4) of in 'het paleis van de Koning' (zoals wordt gezongen in Ps. 45:16). Het is de plek waar allerlei wonderen worden getoond, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart zijn opgekomen, maar die God heeft bereid voor hen die Hem liefhebben. Wát een heerlijke dingen laat de Heere je daar zien! Wát een zoete dingen krijg je te smaken. 
Daar laat Hij Zijn kinderen kijken in de diepten van Zijn vrijwillige, eeuwige verkiezing: dat Hij ze al van eeuwigheid heeft gekend, liefgehad en dat Hij tóen al zorgde dat ze de eeuwige zaligheid – die alle verstand te boven gaat – zouden krijgen. 
Daar laat Hij hun Zijn verbond der verlossing zien, de Raad des Vredes tussen Jehova (God de Vader) en de Man, Wiens naam Spruite (Zach. 6:12) is (God de Zoon); met al de voorwaarden en beloften, de gewillige aanstelling tot Borg voor de uitverkorenen, door de Zoon. En hoe dat verbond juist hun vastigheid en zaligheid is.
Daar openbaart Hij hen Zijn onbegrijpelijke wijsheid in de manier waarop Hij hen naar de zaligheid brengt. Dat Hij ze eerst onder de macht van de zonde liet komen tot het besef dat ze God misten en liet inzien dat ze vervreemd van God waren. En dat Hij ze daarna, toen Hij hen Zijn wonderlijke barmhartigheid betoonde, daar weer uit hielp. Daar toont Hij hen het werk van de verlossing; zo zien ze Jezus in het vlees komen; ze volgen Hem van kribbe naar kruis. Ze zien Hem preken, goed doen, lijden en sterven. Ze kijken daar niet naar alsof het enkel een historische gebeurtenis is, maar werkelijk, levend en van dichtbij; dat al deze volmaakte daden van de Heere voor hen persoonlijk moesten geschieden. Bij al die afzonderlijke dingen blijven ze als het ware een poosje stilstaan en ze verwonderen zich er diep over! De Heere laat hen al die wonderlijke wegen zien, waar langs Hij hen heeft getrokken en geleid, tot hier toe. Maar Hij laat hen ook iets zien van de toekomende heerlijkheid. Wát worden ze dáár intens door verblijd (á Brakel noemt het: "tot verrukkens toe"). De HEERE verzekert en verzegelt hen hier van Zijn eeuwige liefde voor hen; Hij laat hen zien hoe vast hun zaligheid ligt in Hem. En Hij laat ze weer gaan van Zijn tafel, nadat Hij hen een liefelijke kus als hartelijke groet heeft gegeven.

Heilig Avondmaal – 2. de voorbereidingszondag

Drempels

Ook al zien sommigen wel in dat voorbereiding nodig is, toch laat menigeen zich gemakkelijk afhouden van het voorbereiden, door allerlei drempels, zoals:
  1. uitstellen van de voorbereiding; dan wordt er wel gezegd: "Ja, ik moet, ik wil, ik zal gaan beginnen met de voorbereiding". Maar uiteindelijk is het: "Als dit eerst gedaan is, of als dat is gebeurd", of "ik ben nú niet voldoende in vorm." Van uitstel komt meestal afstel. De tijd glipt door je vingers en de gelegenheid die je meende te hebben vervliegt, totdat je opeens geconfronteerd wordt met de toebereide Avondmaalstafel voorin de kerk. En zelfs dán vind je je nog te onbekwaam, om het laatste restje tijd te gebruiken voor een kleine voorbereiding, zodat je totaal onvoorbereid blijft!
  2. de listen van de duivel; hij is druk bezig om je zoveel mogelijk druk te laten zijn met andere dingen, zodat je voor de voorbereiding geen tijd meer overhoudt. Of hij wekt in je hart allerlei begeerten op, zodat je in zonde valt. Je voelt je als kaf in de wind heen en weer geslingerd; zo probeert hij je hart op te jagen zodat het geen rust heeft om de dingen kalm te overdenken.
  3. het ter discussie stellen van het aangaan; soms maakt men er een vraag van óf men wel zal aangaan. Er wordt dan van alles opgesomd, dat nog in de weg staat: ik loop nog zo vaak in het duister, ik ben nog zo vaak ongelovig of wisselvallig. Zou het toch niet beter zijn dat ik dit keer afblijf? En zo in dubio staande – alsof de keuze aan ons is of we wel of niet aangaan – verstrijkt de tijd en vervliegt de lust tot voorbereiden. Echter, als we voor onszelf vaststellen dat we móeten gaan, of ons voornemen dat we zúllen gaan, dan worden we veel ernstiger tot voorbereiden aangezet.
  4. het is een heel zware klus; als men wil gaan beginnen met de voorbereiding, dan komt het werk zo kolossaal en onmogelijk op ons af, dat we ons er veel te onbekwaam voor vinden. Het kost zó'n grote inspanning om jezelf zo nauwkeurig te onderzoeken. Het verdriet over de zonde, het bidden, het houden van een vastendag in deze week, zijn dingen die wel érg zwaar voor je zijn, nietwaar? Dus laat je het er maar bij zitten of je stelt het dag na dag uit. Of je begint wel heel aarzelend met lood in de schoenen, maar je had veel evangelischer (standvastiger en bijbelgetrouwer steunend op Gods beloften) te werk moeten gaan. Je kunt je beter stilhouden en biddend uitzien naar Gods Geest in je, Die je door het Woord duidelijk zal maken wat je doen moet. Want het zal niet door kracht en geweld geschieden, maar door Gods Geest.
  5. het valt zo erg tegen; soms gebeurt het tijdens de voorbereiding dat je jezelf tegenvalt; je meende beter in staat te zijn om je voor te bereiden, dan dat het uiteindelijk ging. Het lijkt wel of je je steeds geestelozer, verwarder, voelt en je tast steeds meer in het duister, dan dat je hiervoor deed. Voor je gevoel lijk je meer op een dode dan op een levende gelovige. Het maakt je moedeloos en je laat het voorbereidingswerk er maar bij zitten. En dat, terwijl je er aan zou moeten worden herinnerd dat de Heere juist nú op een bijzondere manier te hulp wil schieten met extra genadegaven! Daarom: loop niet weg van dit voorbereidingswerk, maar grijp moed en (ver)wacht (op) de HEERE; Hij zal uw hart versterken.

Hoe ziet een goede voorbereiding eruit?

Je zou het werk van de voorbereiding in drie punten kunnen samenvatten: verlangen in je hart opwekken, jezelf beproeven, jezelf versieren.

Allereerst iets over dat verlangen dat in ons moeten worden opgewekt. Dat uit zich in een verlangen om samen met het volk van God te zijn. Om samen met de "feesthoudende menigte" (Ps. 42) voor de HEERE te mogen verschijnen. Om daar het goede voor de uitverkorenen te mogen zien, zich te verblijden met het volk van de Heere en zich te beroemen met Zijn erfdeel. Je hoort dat verlangen bij David, als hij zingt: "Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel" (Ps. 27:4) en "Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?" (Ps. 42:3).
Immers, hoe verdrietig was hij toen hij dat moest missen, toen hij moest vluchten: "Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte" (Ps. 42:5) en "O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone" (Ps. 120:5).
En hoe blij was David als hij weer bij het volk van God in de tempel mocht zijn! "Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan. Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!" (Ps. 122:1b-2).