woensdag 5 augustus 2015

De Naam des HEEREN aanroepen


 
“En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos.
Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen.”
Genesis 4 : 26

Toen Elia op de Karmel tegenover die honderden Baälspriesters stond stelde hij voor: “Roept gij daarna den naam van uw god aan, en ik zal den Naam des HEEREN aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn.” De term ‘de Naam des HEEREN aanroepen’ is een bekende en veelvoorkomende term in de Bijbel. Dát is de manier waarop de HEERE gediend wil worden. Elia stond op een traditie die terugging op de dagen van Enos en Seth!

Godsdienst

Je zult maar verdreven zijn uit de veilige omtuining van de Hof van Eden en saampjes de enige mensen op aarde zijn. De wereld zal wel gevuld zijn met geboomte en gedierte, maar verder waren er geen mensen. Wat Adam en Eva hadden meegekregen aan ervaring en openbaring vanuit het paradijs was de enige handleiding voor een leven op aarde. Het eerste dat we van Adam en Eva lezen na hun wegzending uit Eden is dat zij gemeenschap hadden met elkaar. Maar hoe zag hun geestelijke gemeenschap met God eruit? Aan het offeren van Kaïn en Abel hebben we kunnen herleiden dat er een zeker besef van godsdienst moet zijn geweest. Wellicht heeft God ook wel een instructie over het offeren gegeven, al lezen we daar niets van. En tot aan onze dagtekst zwijgt de Bijbel over hoe de dienst aan God eruit zag.
Ik stel me voor dat met deze uitdrukking in onze dagtekst – meer nog dan in 1 Kon. 18 bij Elia – wordt bedoeld ‘het samenkomen op één centrale plaats om God aan te roepen’. Oppervlakkig zou je dat een ritueel kunnen noemen. Maar deze term gaat dieper, zonder dat ik een hele theologische uiteenzetting ga geven. Het is ‘gezamenlijk de HEERE grootmaken op de manier die Hem welgevallig is en die Hem centraal stelt’. En dat is ook exact de roeping van de mens, zoals hij is bedacht en geschapen door God Zelf! Godsdienst is de dienst van/aan God, de enige en ware God Die er maar bestaat. Strikt genomen kun je dus niet spreken van wereldgodsdiensten, als stonden die allemaal op één lijn; er is afgoderij, er zijn spirituele rituelen óf er is de dienst aan de HEERE God.

Godsdienstigheid

Er is veel godsdienstigheid; ook binnen de kerk. Daar – of voor dat soort mensen – is dan de dienst aan de HEERE een ritueel geworden. Zo heb je het ‘alleen op hoogtijdagen (Kerst en Oudjaarsavond) naar de kerk gaan; of het alleen op zondagmorgen naar de kerk gaan. Maar ook wanneer godsdienst zich beperkt tot de zondagse erediensten is er sprake van godsdienstigheid en niet van ware dienst aan de HEERE. Want die strekt zich uit over 100% van je leven, 24/7.
Kaïn kende de rituelen; hij volgde als het ware keurig de handleiding over wát je wel en niet moet doen bij godsdienstige handelingen. Maar dat is nog wat anders dan ‘Hem dienen in Geest en waarheid’.
De Samaritaanse vrouw in Johannes 4 was gericht op godsdienstigheid (niet anders dan de Joodse farizeeën) en meende dat zij het op de juiste manier deed (maar ze was er niet geheel zeker van!). Jezus vertelt haar: “Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.” Daar luidt Jezus een nieuw tijdperk in, dat het tijdperk van Enos afsluit. De dienst aan de HEERE was namelijk verworden tot een rituelendienst, zonder dat men God kende en een levende band met Hem had. Je komt dat ook veelvuldig tegen onder Moslims, Joden, ultra-orthodox Gereformeerden en Rooms Katholieken. Ze doen hun ding en meer kun je niet doen. Voor de rest is het maar afwachten.
Kaïn ging nog een stap verder – en door zijn visie gingen ook zijn nazaten meerdere stappen verder – door de dienst aan de HEERE te laten versloffen. Het knagende gat dat ontstond, werd in de loop van de tijd opgevuld met hard werken, vermaak en genot. Door niet meer aan God te denken, kun je een hele tijd menen dat Hij er niet is; maar er zullen altijd weer dingen je pad kruisen die je in herinnering roepen dat je je kop in het zand steekt. En dat je tot je schrik een heel stuk dichter bij de Jongste Dag bent gekomen, zonder gereinigd en geheiligd te zijn. Geen paspoort voor de hemel te hebben, dat is getekend met het bloed van de Heere Jezus. Met recht is godsdienstigheid dus een vrome manier van god-loos leven.

God dienen

Er zijn uitleggers die zeggen dat je onze dagtekst zo moet lezen: “toen begon men zich te noemen met de Naam des HEEREN". Zoals men in Antiochië de volgelingen van Jezus van Nazareth voor het eerst ‘christenen’ ging noemen. De clan van Adam ging dus een naam gebruiken om het groepsgevoel te bestendigen. Zij stelden zich daarmee duidelijk apart van de rest, de clan van Kaïn. Daar is wat voor te zeggen als je kijkt naar de aanduidingen in Genesis 6: ‘Gods zonen’ tegenover ‘de dochteren der mensen’. Deze visie hing bijvoorbeeld Johannes Coccejus aan, aldus zijn volgeling Johannes d’Outrein. Maar toch vraag ik me af of dat hier wordt bedoeld.
Er zijn zelfs joodse uitleggers – aldus diezelfde Johannes d’Outrein (en andere hedendaagse theologen) – die de hebreeuwse term ‘beginnen aan te roepen’ uitleggen als ‘ontheiligen’. d’Outrein wil deze twee visies zelfs tegelijk aanhangen door te stellen dat ‘het zich noemen met de Naam van de HEERE’ gold voor de Sethieten en het ‘ontheiligen van de Naam van de HEERE’ gold voor de Kaïnieten. Toch meen ik dat we dan te ver in de joodse letters zitten en het geheel van de samenhang in de Bijbel uit het oog zijn verloren.
De Kaïnieten spelen er denk ik wel een rol in, maar meer een achtergrondrol. Seth en zijn broers en zussen vormden het huisgezin van Adam en Eva. Wat Adam en Eva hun kinderen voorhielden kon op hen worden overgebracht. En zij konden als ouders ook peilen wat er bij hun kinderen beklijfde en wat niet. Er was direct contact in huis; er was dagelijks het gesprek mogelijk en elk signaal van afwijken en afdwalen kon worden opgepikt, om er direct of op termijn op in te spelen en in gesprek over gaan. Dat contact veranderde (ook in de omstandigheden van de oudheid) toen de kinderen een eigen leven gingen opbouwen door een eigen tent of hut te gaan bewonen. Hoewel nog steeds binnen de nederzetting en omheining van Adams territorium en ondanks de sterke invloed die stamvaders bleven houden op hun nazaten, was er deze mate van verwijdering. Simpelweg omdat een zoon bij zijn huwelijk zijn vader en moeder ‘verlaat’ en zijn eigen vrouw gaat ‘aankleven’. Kinderen zullen wellicht nog wel luisteren naar hun ouders, zeker in de oudheid, maar ze zullen ook hun eigen visie gaan vormen en eigen interpretaties gaan ontwikkelen. Dat hoeft niet per definitie negatief te zijn; geloof moet juist ook een eigen, persoonlijk band met de HEERE zijn! Maar toen Enos werd geboren, ontstond het probleem van de derde generatie: daar heb je als grootouders niet zo’n invloed op als op je eigen kinderen. Dat is enerzijds gezond, anderzijds ook een soms een zorg.
Door als clan gemeenschappelijk de Naam des HEEREN aan te roepen (en stamvader Adam zal daarin vast voorganger zijn geweest) leer je ook het nakomende geslacht (het derde en vierde lid dergenen die God vrezen) de HEERE te dienen, lief te hebben en te vrezen. En zie daar de functie van het gemeenteleven in onze kerken. Het is het middel waarmee oud en jong elkaar kunnen bijstaan, opscherpen en aanmoedigen om de HEERE te dienen en Hem lief te hebben.

Verwachting

Godsdienstigheid is egocentrisch van aard. Godsdienst daarentegen kan eenrichtingsverkeer lijken: van de mens richting God. Maar het werkelijke aanroepen van de Naam des HEEREN is wisselwerking, tweerichtingsverkeer. Je roept God niet aan, zonder verwachting van Hem te hebben. Dan roep je niet écht aan. Op het gebed mag er ook verwachting zijn. Want God is niet een God Die we slechts tevreden moeten stellen. Nee, Hij is een horend God en een gaarne vergevend God. Het werkelijk dienen van God kent ook verwachting. Er mag wat van de HEERE verwacht worden. En… Hij zal nooit beschaamd laten staan! Was het Jezus Zelf niet Die zei (en Hij kon het weten): “Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!” (Matth. 7:11).
Wat zijn de kinderen van Seth dan toch een stuk beter af dan hun neven en nichten, de Kaïnieten! Hoe ziet jouw godsdienst er eigenlijk uit?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten