zaterdag 27 december 2014

Een engel past in Gods heerlijkheid; en jij?

"En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze."
Lukas 2 : 9


Wie een kaars aansteekt in een donkere kamer, zal grote schaduwen op de muur zien, ontstaan door alle voorwerpen en personen die er rondom staan. En wie een zaklamp neemt om daarmee in een kamer iets te zoeken, zal misschien wel één object kunnen beschijnen van 1 kant, maar die lichtbundel zal nooit ook de achterkant van het object verlichten. Dat is natuurkundig heel simpel te verklaren. Licht komt uit een bron voort, hooguit zal het zich verspreiden, maar het zal nooit om een bochtje schijnen; behalve met glasvezel (maar dat is dan ook nog heel beperkt).
Dat er in onze tekst geen sprake is van glasvezel, lijkt me duidelijk. Toch gebeurt er iets wonderlijks. De engel, die bij de herders komt staan wordt vaak afgeschilderd als een lichtende figuur. Op veel plaatjes, in bijvoorbeeld kinderbijbels, is een engel omgeven door lichtstralen. Maar al die stralen – kijk er maar eens goed naar – waaieren uit en 'omvangen' nooit iets.

Het woordje 'omschijnen' in onze tekst betekent 'van alle kanten verlichten'. Doet dat die stralenkrans van deze ene lichtbron, de engel? Natuurkundig kan dat niet… Op het plaatje zie je dat enkel de voorkanten van de herders zijn verlicht; en omdat de meeste schapen gewend aan het donker, zich afkeren van het felle licht, worden hun achterkanten beschenen. De rest is schemer of zelfs donker.
Het is een mooi plaatje en voor een kind zeer beeldend. Maar het klopt niet helemaal met de tekst. 
De hemelse bode (was het Gabriël weer?) bracht dit keer iets mee uit de hemel. Bij de ontmoeting met Maria en met Zacharias lezen we dat echter niet: "de heerlijkheid des Heeren omscheen hen". Iets van Gods zuivere en reine gloed komt mee met de engel, zoals het aangezicht van Mozes blinkend was, nadat hij met God was geweest op de berg Sinaï in Exodus 34:
30 Als nu Aäron en al de kinderen Israëls Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
31 Toen riep Mozes hen; en Aäron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.
32 En daarna traden al de kinderen Israëls toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinaï.
33 Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.
34 Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israëls, wat hem geboden was.
35 Zo zagen dan de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.
Aan Mozes kon je zien bij Wie hij was geweest. En je ziet in vers 30 dezelfde reactie, als in onze dagtekst. Er komt vrees. Waarom? Het is hetzelfde effect, als wanneer een voorvluchtige crimineel in het donker plots wordt gevangen door de lichtbundel van een politiehelikopter. Alles is in één klap verlicht… hij bevindt zich – helemaal 'weerloos' – binnenin dat licht en alles wordt zichtbaar; hij kan niet meer ontkomen. 
Het is ook dezelfde reactie als van Adam en Eva, toen zij hadden gezondigd: ze kropen weg tussen de struiken, om uit Gods blikveld te blijven. Maar dat is een zinloze poging.
Zo'n zelfde schrikreactie zien we ook bij de herders. Het alles onthullende licht, dat hen van alle kanten omvangt, brengt schrik. Er valt niets meer te verbergen. Sinds Genesis 3 is God zo. En telkens als God de mensen opzoekt – in de meeste gevallen doet Hij dat door Zijn boden, de engelen en de voorgangers – ervaren zij in het licht van Gods aangezicht, dat ze voor Hem niet kunnen bestaan.
Juist daarvoor kwam de Messias, om ons te verlossen van de schrik, de angst… zodat we God weer onder ogen kunnen komen, Zijn licht ons niet langer verschrikt, ja… dat wij wandelen in dat Licht met Jezus!

Tot slot: die engel is slechts een schepsel en heeft dat licht niet van zichzelf. Het is daarom ook de 'heerlijkheid van de Heere'. Aan die engel kon je wel zien in Wiens nabijheid hij was geweest! Een engel is een geest… en toch kan hij worden gezien, juist dankzij dat licht van God. Je merkt dat de engel past bij dat reine licht… en dat de mens er voor terugdeinst! Gods heiligheid en de mens passen sinds Genesis 3 niet meer bij elkaar. De engel laat ons in wezen zien hoe het was in het Paradijs. Al moet worden gezegd dat Jesaja engelen in de hemel zag (Jesaja 6:2), die met twee van hun vleugels hun gezicht bedekken, vanwege Gods heerlijkheid en heiligheid! Uit eerbied. In dat licht is het dan nog eens extra bijzonder dat deze engel mag zeggen van zijn Zender: "Vreest niet… want ik verkondig u grote blijdschap!"

Geen opmerkingen:

Een reactie posten