donderdag 5 maart 2015

Voorbereiding HA – Plaats aan tafel voor gekneusden

"Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees…"
1 Koningen 19 : 21a


"De offeranden Gods zijn een gebroken geest;
een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten."
Psalm 51 : 19

Een gebroken geest en een schuldverslagen hart moeten de motivering zijn van offers
 
Op de mannenvereniging in onze gemeente stelde iemand onlangs de vraag hoe de oud-testamentische Israëliet naar zijn offer keek? Hoe zat het met het geloof en wat was de preciese functie van dat offer. Stel jij bent een Jood in het Oude Testament, hoe kijk je dan naar je offer? Welk beeld heb jij erbij en is op dat moment je zonde dan vergeven, als je een schuldoffer brengt, precies zoals de HEERE het je geboden heeft? Ik wil er niet te theologisch op ingaan, maar het is weleens goed om je zulke vragen te stellen.
Waar het mij vandaag om gaat is dat ik Elisa een offer zie brengen waarbij dieren worden gedood en in Psalm 51 zie ik iemand komen – David – die beweert dat God helemaal geen lust heeft in offeranden van beesten. Hoe zit dat?


Welk offer de HEERE niet wil

In de aanloop naar het Avondmaal wil ik je aan het denken te zetten en ons allebei tot zelfonderzoek aan te sporen.
Op diverse plaatsen roepen de profeten het volk toe dat ze moeten stoppen met de offers. Het komt de HEERE de neus uit! Hij walgt ervan. Dat had deze oorzaak: het volk diende de HEERE wel, theoretisch, maar hun hart hield zich ver van Hem. Ze deden het voor de vorm, maar innerlijk waren ze verslingerd aan de afgoden of hun eigen luxe leventje met prachtige huizen en rijke tafels. Je voelt wel aan dat zulke offers Gods bedoeling niet zijn. Hij wil dat we Hem van ganser harte dienen.
Maar is dat in Psalm 51 ook aan de orde? David belijdt toch zijn schuld van harte en daar hoort toch een offer bij, zoals de HEERE dat had geboden? Het offer was de mogelijkheid die God al in Genesis 3 schiep om Hem ondanks de zonde onder ogen te komen! Natuurlijk verwezen de offers naar de Messias. Maar Die moest nog komen. Op dit moment had de oud-testamentische offeraar daar toch niets aan? Of wel? Ja, achteraf kun je zeggen dat de komst van de Heere Jezus de bekrachtiging was van wat in de offers werd gesymboliseerd; waar ze heen wezen.
Toch was er voordien troost in de offers die werden gebracht. De oud-testamentische offeraar moest hetzelfde doen als wij tijdens de voorbereidingsweek (speerpunt 2 uit het formulier: "

Ten tweede onderzoeke een ieder zijn hart, of hij de vaste en zekere belofte van God gelooft dat hem al zijn zonden alleen vanwege het lijden en sterven van Jezus Christus (lees hier voor de oud-testamentische offeraar 'vanwege de dood van het offerlam nú en in de toekomst van de Messias') vergeven zijn, en dat de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigendom is toegerekend en geschonken. En dit zo volkomen alsof hijzelf, in eigen persoon, voor al zijn zonden heeft betaald en alle gerechtigheid volbracht (opnieuw moest die offeraar datzelfde zeggen over zijn offerdier! Alsof hijzelf daar werd geslacht/gedood voor de zonde).
David zingt "Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen, want Gij hebt geen lust tot offerande…" Offers zijn dus geen doel op zich. De HEERE geeft duidelijk aan hoe Hij ze hebben wil, hoe ze moeten worden gebracht, maar ze zijn geen eindstation; maar juist een doorgangspoort. De lof aan de HEERE staat bovenaan. Door de zonde komt die in het gedrang.
De Kanttekeningen zeggen over het 'geen lust hebben tot offerande': "Daarmee wordt bedoeld 'offers zonder meegaande boetvaardigheid'." Ook in de Psalm 50 werd daar al meerdere malen op gewezen. De HEERE zoekt naar iets anders, een soort offer achter het offer. De gezindheid erachter. Dat gold voor de oud-testamentische offeraar, maar ook voor jou en mij in deze week!

Welk offer de HEERE wel wil


"De offerande Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart…". Dat is het offer dat de HEERE graag ontvangt. Het woord 'gebroken' betekent eigenlijk 'gekniekt' of 'gekneusd'. Het gewicht van de zondeschuld verbreekt alle vorm van eigengerechtigheid en hoogmoed. God nodigt gekneusden tot Zijn tafel. Daar kan Hij wat aan kwijt. Is er in jouw leven al iets gekneusd, waardoor je de zonde als een last ervaart en waardoor je wordt uitgedreven, voortgedreven naar Christus? Hem moet ik hebben!
Dat offer behaagt de HEERE. Daar trekt Hij, met eerbied gezegd (maar dat staat er eigenlijk in onze tekst) Zijn neus niet voor op. Integendeel! Dus in zekere zin moet je komen met lege handen. Tegelijk moet je komen met dit offer dat de HEERE heerlijk vindt, dat Hem laat zien dat je ook daadwerkelijk hebt begrepen dat er een offer moest worden gebracht voor jouw persoonlijke zonden: een gebroken en verslagen hart.
In de week van voorbereiding de balans opmakend: welk gevoel blijft je dan bij? Wat staat er onder de streep van die balans? Durf je zo bij de HEERE te komen? Als je Psalm 51 goed leest, zie je David met een enorme schuld lopen. Nathan had hem er scherp op gewezen. En let dan eens op wat David doet: hij wendt zich in één rechte beweging tot de HEERE. Als het ware springt hij van zijn troon af, schuift Nathan aan de kant en stormt de troonzaal uit richting de tabernakel. Daar valt hij neer, belijdt zijn zonden. Hij keert terug en neemt het beste uit zijn stal en gaat met dat offer naar de tabernakel terug. Hij had offervee genoemd. Maar de gave van dit offerlam gaat met iets gepaard: er zit een gekneusd hard achter. Snikkend staat David bij het altaar en tegelijk rolt het gebed van zijn lippen:

  9 Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
10 Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen,
     die Gij verbrijzeld hebt.
11 Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
12 Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij
     een vasten geest
.
13 Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.
14 Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
15 Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
16 Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils!
     zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
17 Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.

Hoor je dat dit een heel ander gebed is dan wij in onze refokringen misschien zouden hebben gebeden? Dit is het gebed van een zondaar die zijn zonden belijdt, met smart in zijn hart, maar die tegelijkertijd zich vastklampt aan de HEERE met het gebed dat er weer vreugde tot God in zijn hart en leven mag zijn. Kan dat zomaar, dan? Ten diepste is Psalm 51 een vrolijke boetepsalm. En vlak niet uit wat David op zijn geweten heeft: dood, overspel, en een ongeboren baby, die na de geboorte snel zal sterven! En toch staat dit in de Bijbel. Ga er maar mee naar de HEERE. Want Hij is vandaag, voor de nieuw-testamentische gekneusde even Dezelfde als voor de oud-testamentische gekneusde!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten