zondag 5 november 2017

Thuisbasis Gibea

De zoon van de boerenkoning - II


…en duizend waren er bij Jónathan te Gíbea Benjamins;
en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.

1 Samuël 13 : 2b
Heb je ook altijd het idee gehad dat Saul in Jeruzalem koning was? Dat hij verkozen was tot koning en toen het paleis in Jeruzalem betrok? Nou, dat is de eerste jaren zeker niet het geval geweest. Sterker nog, Saul was aanvankelijk helemaal niet zo gewild bij het volk. Ja, het is waar dat men juichte toen Samuël hem aan het volk voorstelde.

Aan het einde van 1 Samuël 10 lezen we: “Toen zeide Samuël tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve! Samuël nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en leide het voor het aangezicht des HEEREN. Toen liet Samuël het ganse volk gaan, elk naar zijn huis.”
Dat boek gebruikt Francine Rivers in haar boek ‘The Prince’ en laat het Jonathan bewaren. Hij moet er elke dat uit voorlezen voor zijn vader. En dat dagelijkse stukje ‘stille tijd’ blijkt na verloop van tijd ook een splijtzwam tussen vader en zoon te worden.


Direct nadat Samuël het volk heet laten gaan, zien we Saul ook gaan… naar zijn paleis in Jeruzalem? “Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had…” Het blijkt bijelkaar een leger van maar liefst 3.000 mannen te zijn geweest, dat met Saul meeging naar zijn ­geboortestad Gibea. Waar ze die manschappen allemaal lieten, blijft een raadsel. Was er in Gibea misschien een burcht die nu werd bevolkt door de elitetroepen van Saul, de nieuwe koning? Een soort kazerne? Of werd die toen ­gebouwd en zou je kunnen zeggen dat Gibea aanvankelijk de hofstad van het land werd? Geen idee; het zou goed mogelijk kunnen zijn.


Eén vers verder blijkt dat er ook waren die Saul niet mochten: “Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk.” Neem nog even die Saul die zich verstopte achter de bagage in gedachten. Samuël heeft hem nu aan het volk laten zien en uitgeroepen dat dit de man was die God had uitgekozen voor het volk! Wat moet dat met Saul hebben gedaan? En wat deed dat met Jonathan, die daar hoort dat zijn vader door God Persoonlijk is uitgekozen! Zal hij zijn vader goed gekend hebben? En zal hij ook diens schaduwkanten al opgemerkt hebben? Hoe zal hij dan deze bijeenkomst hebben ervaren?!
Hoe zal Saul reageren op deze verachting van die groep ­mensen? “Doch hij was als doof.” Zou Jonathan die houding hebben herkend als passend bij zijn vader? Ik probeer er achter te komen of Saul al een dubbelhartig man was vóórdat hij koning werd. Maar veel wordt daarover nog niet duidelijk.

In hoofdstuk 11 gaan we zien van welk volk Saul nu koning is geworden. Hijzelf is weer – zo lijkt het althans – overgegaan tot de orde van de dag. Hij is zijn boerenwerk weer gaan doen. Was hem niet duidelijk wat hij nu moest doen? Of zag hij zijn koningschap alleen maar als een soort ‘nieuwe richter’? De zonen van Samuël waren afgeschreven door hun zondige en corrupte manier van handelen. Zag Saul zich nu als hun vervanger? Dan snap ik waarom hij gewoon zijn boerenstiel is blijven uitoefenen. Mocht er dan iemand zijn die een rechtzaak had, dan zou hij die behandelen. Maar God had blijkbaar toch wat anders voor ogen!


Want in hoofdstuk 11 komen er mensen uit Jabes in Gilead, aan de overkant van de Jordaan. Koning Nahas belegerde hun stad en dreigde hen uit te roeien. Ze zouden het leven behouden, maar wel met een forse prijs: hun rechterogen zouden worden uitgestoken. Ze vragen respijt om hulp te vragen bij de andere stammen en – en dat is toch merkwaardig – Nahas staat dat verzoek toe. De mannen van Jabes rennen direct richting Gibea om Saul te hulp te roepen. En dan vindt die daadkrachtige handeling plaats: Saul is diep verontwaardigd over dat voorstel van Nahas en hij roept het hele volk om achter hem te komen en Nahas te verslaan. Hij slacht zijn eigen koeien en dreigt zo met de koeien van het volk te doen, als ze niet gehoorzamen. We lezen in vers 6 “Toen werd de Geest Gods vaardig over Saul”! Vrijwel zeker is Jonathan ook hiervan getuige geweest. Hij ziet de verandering bij zijn vader en dat moet iets met hem hebben gedaan. God was dus bij machte om zijn vader te veranderen en bezit van hem te nemen. Overigens vandaag ook een vraag of je dat voor mogelijk houdt!

Saul verdeelde het volk in drie groepen (net als in de tekst van vandaag) en verslaat de Ammonieten van Nahas. Er bleven er geen twee bij elkaar! Samuël was ook aanwezig bij de veldslag. En het volk zegt na afloop van de strijd tegen hem: “Waar zijn die mannen (die Belialsmannen) die zeiden ‘an me nooit-niet dat Saul over ons zal regeren!’. Breng ze hier dan slaan we ze dood!” En dan moet je eens opletten wat Saul dan heel stellig zegt: “Er zal te dezen dage geen man gedood worden, want de HEERE heeft heden een verlossing in Israël gedaan.” Hij geeft God de eer van de overwinning. En dat moet Jonathan goed hebben gedaan!

Vervolgens riep Samuël het volk samen in Gilgal om Saul nog een keer duidelijk tot koning uit te roepen en een verbond met de HEERE te maken door aan Hem te offeren. Daarover straks.
Het is even belangrijk de afgelopen gebeurtenissen allemaal even kort in herinnering te roepen, om duidelijk te maken wat ­Jonathan al heeft meegemaakt, vóórdat we hem in 1 Samuël 13 voor het eerst genoemd zien worden. Dat is niet mals!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten