dinsdag 10 november 2020

Even vooraf…


 

God heeft vroeger vaak en op veel verschillende manieren tegen onze voorouders gesproken. Dat deed Hij door de profeten. Maar nu, aan het eind van de tijd, heeft Hij tegen óns gesproken door Zijn Zoon. (Hebreeën 1 : 1)

De afgelopen weken heb ik de Hebreeënbrief aan tafel gelezen in de vertaling van de Basisbijbel. Er vielen een aantal dingen op die ik graag met je wil delen. In deze brief ontdek je heel veel over de Heere Jezus en het nieuwe leven dat Hij heeft gerealiseerd voor al Zijn kinderen. Je zou het kunnen noemen ‘de christelijke vrijheid’, maar dat woord wordt niet gebruikt. Enerzijds heeft het er mee te maken en anderzijds is het breder. Daarom wil ik de gedeelten langs waarin Jezus ter sprake komt.

Het eerste dat opvalt in vers 1 is dat God op allerlei manieren en vooral ook vaak tegen de voorouders van de Hebreeën heeft gesproken. Het spreken van God komt ter sprake. Je kunt er als Hebreeër dus niet zomaar onderuit dat God wel tot je gesproken heeft. Maar geldt dat niet ook voor christenen? Voor jou en mij? Hoe vaak heeft hij dat al gedaan? 

Het volgende dat aandacht verdient is dat God het er niet bij heeft laten zitten, toen Hij ontdekte dat de mensen niet luisterden. Hij liet hen niet in hun sop gaar koken, maar hij probeerde het op een andere manier. Nu zeg ik dat heel menselijk, want God probeert niet zomaar wat; Hij weet heus wel wat Hij doet. Maar voor jou en mij is dat heel belangrijk: God gaat tot het uiterste om ons te bereiken! 

Eerst door de profeten. Dat deed Hij letterlijk, door in hen of met hen te spreken. Maar ook door middel van visioenen, gezichten, dromen en andere verschijningen. En wat die boodschap ook was, zij moesten die aan het volk doorgeven. 

Toch is er nog een manier waarop God sprak: de zichtbare manier, middels de offers en de wetten. Dat was de manier waarop Hij Zijn volk bij de les en op het rechte pad hield. Juist met betrekking tot die wetten is er iets wezenlijks veranderd; meer dan vandaag de dag wordt verkondigd. 

De schrijver, laten we er voor het gemak maar vanuit gaan dat het Paulus is geweest, gebruikt in dit verband de profeten om er een andere groep tegenover te zetten: de apostelen. Tóen sprak God tot Zijn dienaren, de profeten. Nú doet Hij dat via zijn nieuwe dienaren, de apostelen. Het profetische ambt blijft zo overeind staan, maar het krijgt een nieuwe jas. Die twee zullen geen tegenstrijdige dingen zeggen, maar de nieuwtestamentische profeten hebben wel dieper zicht op God en Zijn spreken. Verderop zal Paulus zeggen dat de mensen van het Oude Testament deze tijd met verlangen hebben verwacht, maar hebben die nog niet gekend. Hun onvolkomenheid was hen bekend, maar was voor hen geen hindernis!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten