woensdag 17 juli 2019

Wie zou U niet vrezen, Heere?

Over de ‘vreze des Heeren’ bestaan nogal wat misverstanden. God vrezen is voor sommigen ‘bang voor Hem zijn’. Soms begrijp ik dat; óf vanwege ongeloof, óf vanwege opvoeding.

Laten we eerst eens gaan kijken wat het grondwoord voor ‘vrezen’ eigenlijk inhoudt. Want als we een of andere dwaling willen ontkrachten, dan moeten we wel weten waarover we praten.

Fobie

Het werkwoord vrezen is in het grieks pho’beo; dat komt van het zelfstandig naamwoord phobos (φοβος) en dat kennen we wel van ons woord fobie. Direct snappen we dan ook dat dat wel iets te maken moet hebben met angst en vrees. In onze taal hebben we het dan over een psychische aandoening “waarbij iemand, om doorgaans onduidelijke redenen, een overmatige angst ontwikkelt voor specifieke zaken of situaties. Deze angst staat niet in verhouding tot de reële bedreiging die van de situatie of het object uitgaat en de lijder is zich hiervan goed bewust. Niet alle angst­stoornissen worden fobieën genoemd. Als angst niet voor bepaalde zaken of situaties is, spreken we niet van een fobie, maar van een paniekstoornis of van gegeneraliseerde angst” (aldus Wikipedia).
Nou, een technisch verhaal, maar de strekking is wel duidelijk: fobie betreft een angst die buiten proportie is en niet klopt met de realiteit. Daar zijn natuurlijk allerlei technische en vooral psychologische theorieën over: hoe dat ontstaat en zich ontwikkelt. Waar komt de angst voor iets vandaan? Dat kan zijn doordat je ooit voor iets schrok en daarna nooit meer onbevangen kon zijn. Het kan ook een door iemand anders op jou overgebrachte angst zijn. Met name dat laatste is in bepaalde groeperingen zeker aan de orde.

Vrees voor God is vanzelfsprekend

Dat een mens een bepaalde angst voor God heeft is eigenlijk vanzelfsprekend. God is de grote, heilige en gans Andere… Wij mensen zijn nietig en broos. Althans… dat is de realiteit sinds Genesis 3! Angst voor God is op zich geen fobie, maar een aan de werkelijkheid gerelateerde vanzelfsprekendheid. Omdat God heilig is en wij zondaar zijn.
Kijk maar naar de eerste reactie van Adam en Eva, wanneer God het Paradijs betreedt om de mens op te zoeken. “En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.” Gods vraag is helemaal niet dreigend, zou je zeggen: “Waar zijt gij?” Toch is de lading van die woorden op dát moment juist heel angstaanjagend! Adam spreekt voor zichzelf; hij vergeet Eva helemaal: “Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.”
De mens heeft een buitenproportionele angst voor God gekregen. Buitenproportioneel? Maar daarnet zei ik toch dat die angst vanzelfsprekend is, vanwege de zonde? Ja, maar die angst komt niet doordat God zo bedreigend is, maar omdat wij onze bescherming – de zondeloosheid – zijn kwijtgeraakt. En precies dáár zit bij veel mensen de denkfout. We leggen de oorzaak van onze angst voor de heilig God neer bij Hem Zelf! Maar dat is niet eerlijk. Híj is niet veranderd, maar wíj zijn veranderd! En hoe!

Fobie voor God

Wat je vervolgens ziet is dat die heftige schrikervaring met God resulteert in een buitenproportioneel beeld van God. Terwijl Hij nog niet voor 0,000000001% is veranderd, doen wij alsof Hij totaal wezensvreemd is geworden. Maar we walsen voorbij aan het feit dat wij mensen door de zonde wezensvreemd zijn geworden aan de HEERE!
Daarom is dat gedeelte uit Johannes 1 ook zo diep aangrijpend: “Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen. En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. […] Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”
Bizar! Hij kwam naar Zijn eigen schepselen, maar ze herkende Hem niet meer. Begrijp je wat hier staat en hoe diep ingrijpend dit is? God zocht de gevallen en verloren mens op, maar die keek op van zijn boze werken, staarde God met grote ogen aan en haalde zijn schouders op: “Wie mag Dat dan wel wezen?” Met opzet zeg ik het even grof, om je te laten voelen wat Jezus zag, toen Hij oog in oog stond met de mens.
Jij en ik worden daar door Johannes op een diepe manier getekend. Wat nou fobie? Hier is sprake van totale verstandsverbijstering! Hoe zo ‘vrees voor God’? Het kan niet, maar God zou haast bang worden van de mens die Hij heeft geschapen met zoveel zorg en liefde!
Er bestaan films waarin de mens een robot maakt, die voorts autonoom wordt en een bedreiging gaat vormen voor die mens zelf. Eigenlijk een variant op de film Pinokkio. Als je met dit in je achterhoofd zo’n film zou bekijken, schrik je nog erger, hoop ik.
De houding van Adam is direct kenmerkend voor de mens sinds Genesis 3: hij duikt weg voor God, durft Hem niet meer in de ogen te kijken. En… hij schuift de schuld van zich af, op God Zelf. “Toen ik U hoorde aankomen, werd ik bang van U; erg bedreigend allemaal!”, “De vrouw die U mij hebt gegeven is de oorzaak van al deze ellende…”, “De slang, daar, heeft mij dit gelapt… ik voel me bedrogen!”
Toen God de satan aankeek, stelde Hij geen vraag à la “Waarom heb je dit gedaan?” Hij trok slechts een conclusie en verbond er het eeuwig oordeel aan: “Omdat je dit hebt gedaan ben je vervloekt…” Satan deed geen enkele poging de schuld af te schuiven op iemand anders. Dat had hij kunnen doen, maar hij eiste de verantwoordelijkheid voor deze aanslag zelf op. Hij had zijn duivelse doel bereikt: Gods beeld lag aan scherven. Hij had zijn Schepper te schande gemaakt!
En toch heeft satan ook een fobie voor God. Jacobus schrijft in zijn zendbrief: “Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.” En terecht. Want voor hen is er geen weg terug. Maar voor de mens wel!

Kinderlijke vrees voor God

Daarom doen we God tekort als we zouden blijven steken in deze betekenis van dat woord phobos. Het woord heeft ook de betekenis van ‘eerbied voor iemands echtgenoot’. Dat draagt de lading van ‘je plek weten ten opzichte van die ander’.
Het werkwoord pho’beo betekent ook ‘vereren’, ‘eerbied hebben voor’ of ‘met eerbiedige gehoorzaamheid behandelen’.
In onze tijd zijn veel woorden uit de Bijbel qua inhoud en betekenis uitgehold of veranderd. Helaas is ‘vrezen’ ook zo’n woord. Het is het karakter van dat kinderlijk ontzag kwijtgeraakt. En dat is erg jammer. Dat zorgt voor andere problemen en spraakverwarringen.
Zo is voor mij het lied ‘Mijn Jezus ik houd van U’ een van de teerste liederen. Het komt veel dichterbij de HEERE dan veel psalmen die vaak statig en beschouwelijk zijn. Het is jammer dat dit voor onbegrip en afstand zorgt bij mensen die eigenlijk heel dichtbij me staan. Men gaat af op de klank van het woord ‘houden van’ en oordeelt dat dat een veel te plat synoniem is voor het ‘vrezen’. Ik snap het wel, maar ik kan er helaas niets mee. Het is wat het is. We leven in een tijd waarin taal snel vervliegt en uitholt. We zullen het moeten doen met de taal waarmee we elkaar nú kunnen begrijpen.
Het zou me een lief ding waard zijn als er meer werd geluisterd naar de motieven achter de woorden, dan dat op de klank af wordt geoordeeld. Het troost mij dat de HEERE weet hoe ik het bedoel. Ik hoef niet tegenover de mensen in de kerk jargon te verzinnen om acceptabel te zijn. Ik praat tegen God Zelf. Hij weet wat voor vlees Hij in de kuip heeft. Echt niet het beste soort. Zeker niet zoals Adam tijdens de schepping was.
Hoewel… omdat Hij Zijn Zoon ziet, als Hij naar mij kijkt – snap je wel hoe onpeilbaar dat wonder is, na alle voorgaande dingen over de distantie tussen mens en God? – ziet Hij de nieuwe schepping al die ik eens volkomen zal zijn. Zo is God. En zo is mijn Liefste. Hoe zou ik nog voor zo’n God vrezen, Die mijn Vader wil zijn. Fobie… het zou Hem op Zijn heilige hart trappen. Ik heb al die jaren van U gehouden, maar weer moet ik zeggen: “maar nooit zoveel als nu!”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten