zaterdag 18 november 2017

Jonathans eigen weg met God

De zoon van de boerenkoning - IX


Het geschiedde nu op een dag, dat Jónathan, de zoon van Saul,
tot den jongen die zijn wapenen droeg, zeide: Kom en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene zijde is;
doch hij gaf het zijn vader niet te kennen.
1 Samuël 14 : 1


Allereest wil ik insteken met de laatste woorden van dit vers: Jonathan gaf het zijn vader niet te kennen. De Kanttekeningen tekenen hier is schrijnends bij aan: “Vermoedelijk omdat hij vreesde dat zijn vader hem hiertoe geen verlof zou gegeven hebben.” Waarom doet hij dit en waarom zou Saul hem dit verboden hebben. Daarover laten de Kanttekenaren ons in het ongewisse, niettemin zijn het veelzeggende woorden!

Daarnet nog had hij erbij gestaan, doen zijn vader door Samuël terecht is gewezen. Is het Samuël die deze woorden heeft geschreven? Kende hij Jonathan tot in het hart? Jonathan is niet het stille, ingetogen en bedachtzame godvrezende jongetje. We moeten hier toch het beeld van een dappere, het gevaar niet schuwende, soldaat voor ons hebben. Net als dat aangepaste beeld dat we van dat ‘lieve jongetje bij de schapen’, David, hebben. Dat ‘lieve jongetje’ was een man die een leeuw te lijf ging en een beer wegknuppelde bij de schapen. Dat is net zo’n dappere kerel als die ‘herdertjes die bij nachte lagen’!

Jonathan was van boerenzoon een dappere strijder geworden met visie op strategie, krijgskunst en met als doel de overwinning. Al moet worden gezegd dat hij in Gibea met zijn familie ook al tot de verdedigers van de stad behoorde! Hij ging de vijanden van zijn volk niet uit te weg, omdat ze vijanden waren van zijn HEERE en God! Neem dat eens mee!
Een houding die zuivere motieven kent, maar niet altijd ­begrepen wordt in het midden van de gemeente. Ook door zijn vader liet hij zich niet beperken, hoewel hij zich gebonden wist aan het gebod van de HEERE: “Eert uw vader en uw moeder…” Daarmee eerde hij ook God, Die boven hem en boven alles stond.
‘Tot de bezetting van de vijand overgaan’ betekent ‘het gevaar ­opzoeken’. Zou zijn vader het hem verboden hebben, omdat hij zuinig was op zijn zoon? Dat zou een positief beeld van Saul geven. Of zou zijn vader het verbieden, omdat hij dan één van zijn twee zwaarden moest missen? Dat zou Saul gelijkstellen aan de bange Israëlieten die zich liever verstopten dan dat zij weerstond wilden bieden aan de vijanden.
Jonathan wist ook niet wat het effect van zijn actie zou zijn. We zullen echter wel zien, dat hij weloverwogen en tactische te werkt gaat. Hij stort zich niet zomaar blindelings in het gevaar. En daarmee verzoekt hij dus ook de HEERE niet.
Uit alles wat we lezen in deze geschiedenis in de Bijbel krijgen we wel het idee dat Jonathan niet lijdzaam wil afkijken hoe het zal misgaan met het volk van de HEERE. Hij wil met een daad ook een voorbeeld geven aan het volk. Als twee zwaarden genoeg zijn, als twee strijders voldoende zijn om de vijand te slaan, dan moet dat moed geven aan de anderen. De HEERE is met mij… wat zal een nietig (ook een nietig filistijns) mens mij doen? Later zou zijn vriend David een lied maken, dat wij kennen als Psalm 18:
“Want met U loop ik door een bende,
en met mijn God spring ik over een muur.
Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij,
en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder,
totdat ik hen verdaan had.
Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde;
Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE,
maar Hij antwoordde hun niet.
Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind;
ik ruimde hen weg als slijk der straten.
Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks;
Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen;
het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.
De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen,
en verhoogd zij de God mijns heils!
De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
Die mij uithelpt van mijn vijanden;
ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan;
Gij redt mij van den man des gewelds.
Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen;
en Uw Naam zal ik psalmzingen;
Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.”

Zou hij daarom zijn opgestaan? Omdat hij zag dat de gezalfde, zijn vader Saul, niet serieus werd genomen, en dat daardoor de HEERE niet aan Zijn eer kwam? Immers, als wij ons hoofd in de schoot leggen en de dingen laten gebeuren, die afbreuk doen aan de HEERE, dan werken wij in zekere zin mee aan de overwinning van Satan op Gods volk. Daar moet je toch eens goed over nadenken, als er dingen misgaan, juist binnen de kerk!

1 opmerking: